| Zoekweergave | dirigent | Terug |
dirigent (v. Lat. dirigens, dirigentis = richtend, regelend) (Fr.: chef d’orchestre; Eng.: conductor; Duits: Dirigent; Ital.: maestro of direttore), leider van een vocaal, instrumentaal of gemengd ensemble van musici, die tot taak heeft het ensemble zodanige aanwijzingen te geven dat een compositie op de meest verzorgde wijze tot klinken wordt gebracht. De dirigeerkunde in ruime zin is bijna even oud als de muziek: de koorleider die in de Griekse oudheid met een met ijzer beslagen schoen de maat stampte bij de koren van de tragedies, is reeds als dirigent te beschouwen. Het met de hand muzikale aanwijzingen geven ontstond in de door Gregorius de Grote gestichte Schola cantorum. Deze directie omvatte vnl. het aanduiden van de verschillende intervallen en van het verloop van de melodie; daar er vóór ca. 1000 geen zuivere melodienotatie bestond (zie muzieknotatie), was het uitbeelden van de toontrappen een belangrijk hulpmiddel om de melodie te onthouden. Met de opkomst van de duidelijke maatnotatie, waarbij de noten een bepaalde tijdsduur werd toegekend, begon de dirigent zich te onderscheiden van de overige executanten. De dirigeerslag die ca. 1600 werd ingevoerd, maakte het mogelijk uit te beelden hoeveel noten binnen een bepaald tempus vielen, d.w.z. tussen een door de dirigent gebaarde op- en neerslag. Kapelmeester en klavecinist waren in één persoon verenigd, dirigerend vanachter het klavecimbel. De opstelling van het barokorkest, waarbij de violisten de klavecinist niet meer konden zien, deed de zgn. dubbeldirectie ontstaan, waarbij de klavecinist en de concertmeester beurtelings dirigeerden.
Van grote betekenis voor de ontwikkeling van het dirigeren was de Mannheimer Schule. Deze legde nl. vooral de nadruk op de speeltechniek en op een strenge orkestdiscipline. Met het verdwijnen van de basso continuo kwam een eind aan de leiding van het klavecimbel in het orkestensemble, en in de plaats van de kapelmeester en de concertmeester trad de beroepsdirigent. J.F. Reichardt (1752–1814) was de eerste die vanaf een eigen lessenaar ging dirigeren. Met Hans von Bülow (1830–1894) begon het tijdperk van de ‘Pultvirtuosen’.
Niet alleen de zeer vergrote omvang van het orkest, maar ook het subjectieve, romantisch gekleurde begrip ‘vertolking’ bepaalde de wijze van dirigeren in de 19de eeuw. Door deze opvatting kreeg de dirigent voor de vertolking een dermate belangrijke taak, dat excessen onvermijdelijk bleken. Tegen deze ontwikkeling kwam de componerende avant-garde, o.a. Igor Strawinsky en Paul Hindemith, in het geweer. De nieuwe muziek geeft tot een subjectieve romantische vertolking geen aanleiding meer.
De dirigeerkunde omvat drie elementen: artistieke, technische en psychologische. De artistieke betreffen vooral de interpretatie van de uit te voeren compositie, de muzikaal-technische een ruime kennis van muziektheorie, instrumentenleer en repertoire, goed gehoor en beheersing van de slagtechniek, de psychologische het overbrengen van de intenties van componist en dirigent op de orkestleden. Het grondbeginsel van de techniek van het dirigeren (slagtechniek) berust hierop dat sterke maatdelen door een neerwaartse, zwakke door een opwaartse worden aangegeven; de maatslag is sterk afhankelijk van het tempo. De rechterhand geeft vooral maatsoort en tempo aan, de linkerhand klanksterkte en de inzetten voor de verschillende instrumenten(groepen).