Debussy, Claude
Klik in het menu Bestand op Afdrukken om de gegevens af te drukken.
Debussy, Claude
2. Karakteristiek van het werk

Debussy's vroege werken (tot 1888) verraden invloed van Massenet, Chabrier, zelfs Chopin; daarna ontwikkelde hij zijn eigen stijl, waarin heterogene elementen, ontleend aan Satie, in Rusland beluisterde zigeunermuziek, de Javaanse gamelanmuziek (waarmee hij kennis maakte op de Parijse wereldtentoonstelling in 1889), alsmede muziek van Borodin, Moessorgski en Wagner op unieke wijze zijn versmolten. Kenmerkend voor zijn, overigens moeilijk te codificeren, idioom zijn o.a.: bevrijding van de melodie ten aanzien van de klassieke symmetrie van voor- en nazin en daardoor toenemende ‘atomisatie’ van de melodie, die tot een stroom van vagelijk verwante motieven wordt, emancipatie van de samenklank wat betreft de klassieke functies van de akkoorden en hun gebruikelijke opeenvolging, zelfstandig gebruik van de dissonant, op ritmisch gebied loslating van de dwingende maataccenten en -soorten, en grote kleurgevoeligheid in de instrumentatie, waarbij de doorzichtigheid gehandhaafd blijft. Tot navolging bestond weinig mogelijkheid; het meest aan hem verwant was André Caplet, met wie hij op latere leeftijd vaak heeft samengewerkt.

Voor zijn tijdgenoten was vooral het sensuele, suggestieve, evocatieve, onconventionele en onromantische karakter van Debussy's muziek belangrijk, voor latere generaties kwam daarbij nog de wijze waarop hij tussen toonmateriaal en vormgeving, tussen coloriet en structuur geheel nieuwe relaties schiep, die verstrekkende gevolgen hadden: zijn invloed in heel Europa is groot geweest en duurt nog steeds voort, zoals blijkt uit composities en geschriften van hedendaagse avant-gardisten als Pierre Boulez en Henri Pousseur. Zijn muziekkritische artikelen zijn deels gepubliceerd in Monsieur Croche anti-dilettante (1921–1926). Zijn literaire ambities blijken uit de vier Proses lyriques die hij in 1892/1893 dichtte en toonzette.

WERK: (behalve de genoemde en de onuitgegeven): Voor orkest: Fantaisie pour piano et orchestre (1889–1890); Rhapsodie pour orchestre et saxophone alto (1901–1911); Danses pour harpe chromatique avec accompagnement d’orchestre d’instruments à cordes (1904); Marche écossaise, sur un thème populaire (1908); Première rhapsodie pour orchestre et clarinette en si b (1909–1910). – Kamermuziek: Quator à cordes (1893); Syrinx pour flûte (1912). – Voor piano: Deux arabesques (1888–1891); Petite suite pour piano à quatre mains (1888–1889); Suite bergamasque (1890); Mazurka (vermoedelijk 1890); Pour le piano (1894–1901); Lindaraja pour deux pianos à quatre mains (1901); Masques (1904); L'isle joyeuse (1904); Children's corner (1906–1908); Hommage à Haydn (1909); La plus que lente, valse pour le piano (1910); La boîte à joujoux, ballet en trois tableaux (1913, later georkestreerd); Berceuse héroïque (1914; georkestreerd 1914); En blanc et noir pour deux pianos à quatre mains (1915). – Voor het theater: Le roi Lear (1904–1906); Khamma, ballet pantomime en trois scènes (1911–1912); La boîte à joujoux, ballet en trois tableaux pour enfants (1913). – Voor zangstemmen: Nuit d’étoiles (1880; Th. de Banville); Beau soir (1876–1879; P. Bourget); Fleur des blés (1876–1879; A. Girod); Coquetterie posthume (1883; Th. Gautier); Chanson espagnole pour deux voix égales (1883); Musique (1883; P. Bourget); Paysage sentimental (1883; P. Bourget); Romance (1884; P. Bourget); La romance d'Ariel (1884; P. Bourget); Regret (1884; P. Bourget); Apparition (1884; S. Mallarmé); Diane au bois (1883–1886; comédie héroïque; naar Th. de Banville); Ariettes oubliées (1885–1887; Verlaine); Cinq poèmes de Ch. Baudelaire (1887–1889); La belle au bois dormant (1890; V.-E. Hyspa); Les angelus (1891; G. le Roy); Dans le jardin (1891; P. Gravollet); Trois mélodies de Verlaine (1891); Fêtes galantes, I (1891); Deux romances sur des poèmes de Paul Bourget (1891); Fêtes galantes, II (1904); Le promenoir des deux amants (1904–1910; T. l’Hermite); Trois ballades de François Villon (1910); Noël pour les enfants qui n’ont plus de maison (1915); Pierrot (1881; Th. de Banville).

UITG: Monsieur Croche et autres écrits, d. F. Lesure (1971); C. Debussy: lettres 1884–1918, d. F. Lesure (1980).