communisme
Klik in het menu Bestand op Afdrukken om de gegevens af te drukken.
communisme
6. De sovjetstaat
6.1 Collectivisatie van de landbouw

De Russische vijfjarenplannen konden slechts worden uitgevoerd ten koste van een onderwerping van de boeren, die onder het mom van een rationelere bedrijfsvoering gedwongen werden tot collectivisatie van de landbouw. Deze gedwongen afstand van grondbezit bracht boeren bijeen in collectieve boerderijen (kolchozen en sovchozen) en maakte het mogelijk goedkope werkkrachten te verkrijgen en de middelen samen te brengen die nodig waren voor de industrialisatie.

6.2 Nieuwe klasse

Jarenlang heerste in het land dat zelf pretendeerde ‘het meest democratische ter wereld’ te zijn, de politieke politie over een miljoenenleger van arbeidsslaven. Maar ook de ‘vrije’ arbeiders waren onderworpen aan een draconische arbeidswetgeving, die hen onder meer verplichtte officieel toestemming te vragen voor een verandering van van werkkring. De leiding van de nieuwe industriële en landbouwbedrijven kwam in handen van specialisten, die in verhouding tot de gewone man weliswaar grote risico's liepen in ongenade te vallen, maar tevens materieel begunstigd werden. De afstand in inkomens en feitelijke voorrechten van de ‘nieuwe klasse’, waartoe ook partij- en staatsfunctionarissen alsmede een aantal kunstenaars en wetenschapsbeoefenaren behoorden, en die van de grote massa werd onder Stalin steeds groter en bleef nadien bestaan.

6.3 Collectieve leiding

Na Stalins dood (1953) werd het beginsel van de ‘collectieve leiding’ geproclameerd. Een van de collectieve leiders, Lavrenti Beria, werd echter reeds in juli 1953 gearresteerd en weldra ter dood gebracht. Georgi Malenkov scheen de leiding te hebben, tot deze in 1955 ten val kwam, op de beschuldiging van ‘ fouten’. Van 1955 tot 1964 nam Nikita Chroesjtsjov de eerste plaats in, enkele malen bedreigd door paleisrevoltes.

Chroesjtsjov heeft nauwelijks de pretentie gehad het communisme theoretisch te verrijken. Hoewel ook hij in het algemeen een straffe lijn volgde en zich bemoeide met kunsten en wetenschappen, trad hij niet in het voetspoor van Stalin, die tijdens zijn leven als ‘geniale leider en leraar’ was vereerd. Chroesjtsjov keerde integendeel tot een Lenin-cultus terug, nadat hij in een geheime rede op de laatste dag van het 20ste Partijcongres (25 febr. 1956) de ‘persoonsverheerlijking’ van Stalin en een deel van diens misdaden had veroordeeld. Hij prees nog altijd de strijd van Stalin tegen het trotskisme, maar wees er tevens op dat zijn voorganger ‘duizenden’ goede bolsjeviki had verbannen of uit de weg had laten ruimen.

Chroesjtsjovs nogal wilde projecten (cultivering van woestijnland zonder voldoende voorbereiding) hebben ertoe bijgedragen dat men hem opzij schoof. Zijn opvolgers, Leonid Brezjnev als secretaris generaal van de communistische partij en Alexej Kosygin als premier, waren bescheidener in hun verklaringen over het invoeren van een volledig communisme ( ‘ieder krijgt naar behoefte’) en het voorbijstreven van de Verenigde Staten. Ruimtevaart, militaire macht en economische groei namen de plaats in van de oude leuzen van een ‘maatschappij van vrije en gelijke producenten’ (Marx) of ‘alle macht aan de raden’ (Lenin).

6.4 Technocratie

Het sovjetregime onder leiding van Brezjnev kreeg een steeds sterker technocratisch karakter. De persoonsverheerlijking en de daarmee gepaard gaande politisering van het dagelijks leven verdwenen en er kwam een politiek stelsel dat werd bemand door de apparatsjiks,partijleden die sleutelposities in de industrie en de agrarische sector innamen. Het gevolg was dat er een steeds verder uitdijende staatsbureaucratie ontstond die in de loop van de jaren zeventig en het begin van de jaren tachtig topzwaar en volkomen inefficiënt werd. In de privésfeer werd men steeds cynischer en wantrouwender ten opzichte van alles wat met politiek te maken had.