communisme
Klik in het menu Bestand op Afdrukken om de gegevens af te drukken.
communisme
4. Vervorming van het communisme

In het revolutiejaar 1917 kende Lenin weliswaar aan de sovjets (‘raden’) van arbeiders en soldaten grote betekenis toe als instrumenten voor de overwinning, maar niet als kernen van een nieuwe maatschappelijke orde. De eerste sovjets waren in 1905 als organen van de arbeiders in de bedrijven ontstaan, onder invloed van mensjevistische denkbeelden (zie mensjevisme). In 1917, na de ‘burgerlijke’ Februarirevolutie, vormden zij zich opnieuw. Door lokale, regionale en landelijke vereniging kregen zij het karakter van een staat in de staat. Vooral in Petrograd en Moskou streden de verschillende socialistische partijen fel om het overwicht in de sovjets, waarbij de bolsjeviki (Lenins richting; zie bolsjevisme) het althans in deze steden wonnen van de mensjeviki en de sociaal-revolutionairen, die de kern van de regering vormden.

4.1 Uitschakeling Sovjets

De sovjets werden als hefboom gebruikt om die regering ten val te brengen, maar na de overwinning keerde Lenin zich tegen de ‘raden’ als kiemcellen van een gedecentraliseerde sociale democratie. Reeds in juni 1918 waren de fabriekssovjets feitelijk van hun macht beroofd, doordat de directies niet langer gekozen, maar door de regering benoemd werden. Lev Trotski voerde in het leger een drastische disciplinering door, die aan alle democratische illusies een einde maakte.

Het langst handhaafde zich de eigenlijke sovjettraditie onder de matrozen van de Oostzeevloot en de arbeiders op de marinewerven van Kronstadt. In maart 1921 kwamen zij in opstand tegen de dictatuur van de Communistische Partij en haar leiding. De Kronstadter opstandelingen, die vrije verkiezingen voor de sovjets eisten alsmede vrijheid van propaganda voor andere socialistische partijen, waren tegen de georganiseerde macht van het regime niet opgewassen.Na hun nederlaag werden ze geliquideerd of gevangen gezet (een aantal ontsnapte over het ijs naar Finland).

Sinds 1921 waren de sovjets schijnparlementen, verlengstukken van het door de partij opgebouwde en beheerste machtsapparaat. Het eveneens in maart 1921 gehouden 10de Partijcongres bezegelde tevens de ondergang van de voordien actieve linkse oppositie (de ‘Democratische Centralisten’, de ‘Arbeidersoppositie’ en andere groepen).

De ontwikkeling van een totalitaire staat voltrok zich nog tijdens Lenins leven. De reeds voor zijn dood in 1924 ontbrande strijd om de opvolging was, hoezeer daarin ideologische wapens werden ingezet, veeleer een gevecht om wie het apparaat zou beheersen dan een strijd om beginselen. De secretaris-generaal van de partij, Josif Stalin, die tot dan toe verhoudingsgewijs weinig op de voorgrond getreden was, nam de sterkste positie in en won, mede dankzij het handig tegen elkaar uitspelen van coterieën binnen de partij, die van etiketten ‘links’ en ‘rechts’ werden voorzien. Trotski werd in 1926 uit de partij gestoten en weldra verbannen. De meeste medewerkers van Lenin kwamen tijdens de grote ‘zuiveringen’ van 1936–1938 aan hun einde, doorgaans na een schijnproces waarin zij ter dood werden veroordeeld (o.a. Boecharin, Radek, Zinovjev, Kamenev). Met hulp van zijn politieke politie ruimde Stalin duizenden werkelijke en vermeende tegenstanders uit de weg.