| communisme | Terug | ||||
| Klik in het menu Bestand op Afdrukken om de gegevens af te drukken. | |||||
| 3. Rusland |
In het Rusland van de 19de en het begin van de 20ste eeuw vormde de industriële arbeidersklasse – evenals in Duitsland tot ca. 1860–1870 – een kleine minderheid, die evenwel bijzonder toegankelijk was voor radicale ideeën: het autocratische regime bood weinig kansen aan legale politieke actie of sociale strijd. De opheffing van de lijfeigenschap (1861) en later de Amerikaanse concurrentie op de graanmarkt verzwakten de positie van de grondbezittende adel. Velen werden gedwongen een bestaan te zoeken in een overheidsfunctie. De toeloop naar de universiteiten bevorderde de verbreiding van revolutionaire ideeën, zowel westerse als Russische. Het echec van het ‘nihilisme’ (de moordaanslag op tsaar Alexander II (1881) bijvoorbeeld bracht noch het regime ten val noch de boerenmassa's in beweging) schiep een voedingsbodem voor maatschappijtheorieën met een universele pretentie.
Een deel van de ‘intelligentsia’ voelde zich in deze tijd in toenemende mate aangetrokken door het marxisme. Als radicaalste en gesystematiseerde westerse ideologie appelleerde het aan de behoefte van de jonge intellectuelen aan een ‘wetenschappelijke’ en tevens kritisch-afwijzende verklaring van de politieke en maatschappelijke werkelijkheid om hen heen. Zo werd het marxisme in Rusland, evenals later in vele onderontwikkelde landen, een hulpmiddel van de ontevreden intelligentsia om een onbevredigende en vernederende toestand te interpreteren als een gevolg van dezelfde objectieve ‘wetmatigheid’ die in de toekomst een omslag moest teweeg brengen.
Onder de jonge marxisten omstreeks 1900 nam Vladimir Lenin een bijzondere plaats in. Zijn opvattingen, doortrokken van traditioneel Russisch-revolutionaire denkbeelden en van ideeën over een machtsverovering door een bewuste minderheid, zijn niettemin in hun kern in overeenstemming met de radicaal-revolutionaire elementen in Marx’ leer.
Lenin is de eigenlijke stichter van het moderne communisme geworden door zijn interpretatie van het marxisme en door de geheel andere omstandigheden dan die ener moderne, geïndustrialiseerde maatschappij waarop hij het moest toepassen. Reeds in 1894 zweefde hem het denkbeeld voor ogen van een ‘revolutionair verbond’ van de arbeiders met de boeren. Acht jaar later ontwikkelde hij in Wat te doen? een program voor de organisatie van de partij. Deze moest bestaan uit een kring van ‘beroepsrevolutionairen’ als kader en een hecht verbonden stelsel van – zo nodig illegaal werkende – partijafdelingen.
De betekenis van de partij werd door Lenin groot geacht. Naar zijn mening zouden de arbeiders uit zich zelf nooit verder kunnen komen dan tot een elementair ‘vakverenigingsbewustzijn’. Een geschoolde, zich van de geschiedeniswetten bewuste voorhoede moest de socialistische doelstelling propageren. Lenin stelde dan ook een uiterst straffe discipline als eis. Dat ‘democratisch centralisme’ – later door critici in de eigen gelederen ‘bureaucratisch centralisme’ genoemd – hield in dat eenmaal genomen besluiten stipt dienden te worden uitgevoerd, ook door tegenstanders en bevorderde een absolute machtspositie van de leiding. Deze opvatting over de rol van partijen vloeide voort uit de Russische verhoudingen.
Het onmiddellijke doel van Lenin c.s. was niet een klasse-actie tegen de bourgeoisie, maar de aanval op het heersende staatsapparaat. De inheemse kapitalisten bezaten immers noch de economische hegemonie noch de politieke macht. Vóór de Eerste Wereldoorlog was Lenin van oordeel dat een revolutie in Rusland slechts een ‘burgerlijke’ kon zijn. Evenals Marx in 1848 geloofde hij dat zij door het proletariaat en de boeren tot de uiterste grens moest worden doorgevoerd en wel in de vorm van een ‘revolutionair-democratische dictatuur’, die de overgang van de burgerlijke naar de socialistische fase moest versnellen. Hiertoe was ook noodzakelijk dat een Russische revolutie het sein werd voor een socialistische omwenteling in de industrieel ontwikkelde landen van Europa.
Lenin verliet tijdens de Eerste Wereldoorlog het standpunt van Marx, dat het socialisme in alle ontwikkelde landen tegelijk moest zegevieren. Hij formuleerde zijn theorie van het monopoliekapitalisme (het ‘laatste stadium’ van het kapitalisme), waarin de ‘zwakste schakel’ het eerst moest bezwijken, zonder dat dit tot de ondergang van het stelsel in de gehele wereld behoefde te leiden. Toen in de jaren na de Oktoberrevolutie (1917; zie Russische Revolutie), die de communisten aan de macht bracht, de hoop op een zelfde ontwikkeling in andere landen (vooral Duitsland) in rook opging, kon die theorie gebruikt worden om de bestaansmogelijkheid van het ‘socialisme in één land’ te bewijzen.