| communisme | Terug | ||||
| Klik in het menu Bestand op Afdrukken om de gegevens af te drukken. | |||||
| 2. De leer van Karl Marx |
Voor Marx is het communisme doel van de geschiedenis. Dit doel wil hij dialectisch uit de historie afleiden. Een wetenschappelijke analyse van het toenmalige kapitalisme is een onderdeel van Marx’ interpretatie van de geschiedenis, en dient onder meer om het geloof in de zekerheid van het communisme te ‘bewijzen’: het kapitalisme schept in het proletariaat zijn eigen doodgravers. Ondanks Marx’ verzekering aan de arbeidersklasse, dat zij de heersende klasse van de toekomst zal zijn en haar ‘dictatuur’ zal vestigen, verwierven zijn theorieën in de twintigste eeuw voornamelijk aanhang, of veroverde het de macht in landen waar het proletariaat gering in aantal was (zie ook marxisme).
Het is duidelijk dat het marxisme, als theorie van de sociaal-economische ontwikkeling opgevat, voor het Rusland van het begin van de 20ste eeuw geen andere conclusie toeliet dan dat dit land een burgerlijk-kapitalistische fase zou moeten doormaken, voordat een proletarische revolutie kon ontstaan. Marx zelf, wiens revolutionaire wil herhaaldelijk in botsing kwam met zijn wetenschappelijke inzichten, heeft echter nog in zijn sterfjaar (1883) uitgesproken dat Rusland wellicht die kapitalistische fase zou kunnen overslaan dankzij het bestaan van de mir, de collectieve dorpsgemeenschap. Met hulp van de geïndustrialiseerde landen van het Westen zou het dan meteen de weg naar het socialisme kunnen betreden.
Van groter belang voor het begrijpen van het moderne communisme vanuit Marx’ opvattingen is de houding die hij tegenover de Duitse revolutie van 1848–1849 innam. De situatie in Duitsland in die jaren valt in menig opzicht te vergelijken met die van Rusland in de tijd dat het programma van Lenin vorm kreeg. In Duitsland vormde de arbeidersklasse een numeriek vrij onbelangrijk element. Daar Marx echter deze klasse als de draagster bij uitstek van de onvermijdelijk geachte socialistische revolutie beschouwde, die zij per definitie moest willen en nastreven, was hij van mening dat zij een zorgvuldig doordachte tactiek moest toepassen.
Marx besefte dat de revolutie die in werkelijkheid plaatsvond, geen andere dan een ‘burgerlijke’ kon zijn, gedragen door de bourgeoisie, de kleine burgerij en de boeren. Maar het proletariaat moest haar helpen slagen met de bedoeling, haar zover mogelijk uit te breiden. De bourgeoisie zou, zodra zij de overwinning had behaald, de revolutie als geëindigd willen beschouwen, en het proletariaat moest dan, samen met de kleine burgerij en de arme boeren, verdergaande eisen stellen.
Marx proclameerde de revolutie in permanentie. Het proletariaat zou zich tegen zijn vijanden van elk middel moeten bedienen, ook van een scherpe terreur. Natuurlijk vereiste een dergelijke tactiek een organisatie van geschoolden. Deze Communistenbond was in feite een groep ‘beroepsrevolutionairen’ onder leiding van intellectuelen, in de eerste plaats Marx zelf. Na de teleurstellingen die Marx en Friedrich Engels over de revolutionaire capaciteiten van het Engelse en het Duitse proletariaat ondervonden, verschoof het accent naar de onvermijdelijkheid van een groeiend proletariaat, zowel in aantal als macht. (Zie ook klassenstrijd).