communisme
Klik in het menu Bestand op Afdrukken om de gegevens af te drukken.
communisme
7. Communisme buiten de Sovjet-Unie

De communistische beweging in de wereld buiten de Sovjet-Unie stond op een enkele uitzondering na in steeds toenemende mate onder Moskouse leiding. Lenin knoopte, toen hij na de Oktoberrevolutie de naam ‘communistisch’ voor zijn partij koos, bewust aan bij een traditie van de jaren 1848–1871. In die tijd werd de term communisme wel gebruikt om de radicaal-revolutionaire richting te onderscheiden van de ‘kleinburgerlijke’ sociaal-democratie of het socialisme.

7.1 Russische hegemonie

In maart 1919 vond in Moskou het oprichtingscongres van de Derde of Communistische Internationale plaats (zie Internationale, Komintern), waarbij zich de Franse en Noorse sociaal-democratische partijen aansloten. Het tweede congres stelde in 1920 de 21 voorwaarden vast voor toetreding tot de Komintern. De aangesloten partijen moesten bereid zijn, niet alleen tegen de ‘rechtse’ sociaal-democraten te strijden, maar ook tegen de vooral in Duitsland en Oostenrijk sterke ‘centristische’ en pacifistische richtingen in het socialisme. Daarnaast moesten zij zich door infiltratie (‘cellenbouw’) trachten meester te maken van de vakverenigingen. Bovendien dienden zij zich toe te leggen op het winnen van de sympathie van de boeren. Een andere eis was dat zij zich aan de zijde van de koloniale volkeren schaarden in hun strijd tegen het ‘imperialisme’. Kenmerkend was de bepaling dat periodieke zuiveringen gehouden moesten worden om ‘kleinburgerlijke’ elementen te verwijderen.

De 21 voorwaarden weerspiegelden de Russische situatie en de wens, de Komintern als hulptroepen voor de Russische communisten te gebruiken. Wie bezwaar maakte tegen de ijzeren discipline, zoals een deel van de Duitse ‘Onafhankelijken’, werd afgestoten.

7.2 Kritiek

Van marxistische zijde werd de leninistische partijopvatting gekritiseerd. Reeds in 1918 had Rosa Luxemburg in een commentaar op de Russische praktijk betoogd dat het proletariaat geen terreur behoefde om zijn doeleinden te verwerkelijken.

Terwijl in Rusland de arbeidersklasse zwak was en de gedachte aan de dictatuur van een straf georganiseerde partij er voor de hand lag, konden marxisten in het Westen geloven aan de mogelijkheid van een spontane massabeweging, die de revolutie zou voltrekken en op eigen kracht de nieuwe maatschappij opbouwen. Onder de socialistisch gezinde arbeiders in Europa, op wie de gebeurtenissen in Rusland een grote indruk maakten, bleven de vanouds ‘georganiseerde’, meestal geschoolde arbeiders (door Lenin ‘arbeidersaristocratie’ genoemd) de sociaal-democratie in meerderheid trouw (bijv. in Duitsland), terwijl de onderste lagen meer openstonden voor de communistische propaganda.

Tot 1921 was de koers van de Komintern gericht op het steunen en uitlokken van revolutionaire bewegingen in Europa.

In Hongarije vormde Béla Kun in 1919 een ‘radenregering’, die in hetzelfde jaar ten val gebracht werd. In Italië namen stakingen en bedrijfsbezettingen een revolutionair karakter aan, maar de scheiding tussen communisten en socialisten droeg in 1922 bij tot de overwinning van het fascisme. In Duitsland werd na de ondergang van de Beierse ‘radenrepubliek’ en het neerslaan van opstanden in Berlijn en elders (1919) in maart 1921 een poging ondernomen, door middel van een door Komintern-agenten geleide putsch de macht te veroveren. Volkomen kansloze gewapende acties maakten vooral in Saksen en Thüringen tal van slachtoffers. Het fiasco van de ‘maartactie’ heeft bijgedragen tot een koersverandering. De communistische partijen buiten de Sovjet-Unie werden meer en meer werktuigen van het Volkscommissariaat van Buitenlandse Zaken te Moskou (zie radencommunisme).

7.3 Verhouding met sociaal-democratie

Jarenlang richtten de communisten zich vooral tegen de ‘sociaal-fascisten’ genoemde sociaal-democraten, die zij als ‘handlangers van de bourgeoisie’ beschouwden. Toen in 1933 Adolf Hitler aan de macht was gekomen, heerste in Moskou de verwachting dat nu de ondergang van het ‘kapitalisme’ moest komen en dat het regime van de nationaal-socialisten de laatste fase van een ten ondergang gedoemde maatschappijvorm was. Weldra was de hoop vervlogen dat een communistische revolutie de nazi's uit het zadel zou tillen. In 1934 vond een scherpe koerswijziging plaats: met de ‘Volksfrontpolitiek’ beoogden de communisten een samengaan van alle ‘anti-fascistische’ krachten (zie ook Volksfront).

Vooral tijdens het begin van de Spaanse Burgeroorlog werd de nieuwe lijn gevolgd (1936 en 1937). De communistische partijen boekten aanzienlijke successen. Niet slechts arbeiders, maar ook tal van intellectuelen sloten zich erbij aan. In de democratische landen schenen de communisten betrouwbare medestrijders in de strijd tegen het totalitarisme van rechts.

Het Molotov-Ribbentrop-pact van augustus 1939 en de tegen de democratieën gerichte houding van de communisten tot aan de Duitse overval op de Sovjet-Unie (juni 1941) hebben slechts tijdelijk de communistische partijen verzwakt. In de tweede helft van de Tweede Wereldoorlog speelden zij een belangrijke rol in de verzetsbewegingen.

7.4 Nationale communistische bewegingen

Na de Tweede Wereldoorlog vestigden zich in sommige landen communistische regimes min of meer op eigen kracht.

Dit is het geval geweest in Joegoslavië, Albanië, China (het maoïsme), (Noord-)Vietnam en Cuba, waar onder Fidel Castro een eigen vorm van communisme ontstond, die in de jaren zeventig en tachtig naar Afrika zou worden ‘geëxporteerd’. In de overige landen waar het communisme de macht greep, gebeurde dit vooral dankzij Russische militaire en politiële interventie. De communistische macht moest zich ook een aantal malen gewapenderhand verdedigen tegen opstanden (DDR, 1953; Polen, 1956; Tsjechoslowakije, 1948, 1968; Hongarije, 1956).

In 1948 kwam het tot een breuk tussen Moskou en Joegoslavië; Josip Tito en de zijnen wilden onder de politieke druk en economische uitbuiting van de Sovjet-Unie vandaan.

Het ontstaan van breuken is vergemakkelijkt door Chroesjtsjovs ‘geheime’ rede van 1956, die een aantasting van het geloof in de onfeilbaarheid van de leermeesters en daarmede ook van de leer inhield. Voor de meeste landen in Oost-Europa bleek de hoop op een gematigder koers vooralsnog ijdel. Roemenië zag weliswaar kans onder Gheorghe Gheorghiu-Dej en Nicolae Ceauşescu ten opzichte van Moskou een zelfstandige koers te varen in de buitenlandse politiek, maar binnenlands bestond een ongemeen harde repressie.

7.5 West- en Zuideuropese communistische partijen

De communistische partijen in het Westen konden zich gemakkelijker losmaken van de leiding van Moskou. De mogelijkheid hiertoe werd na Chroesjtsjov groter, zeker sinds de tegenstelling tussen China en de Sovjet-Unie openlijk aan het licht kwam (1961). Hierdoor werd de overheersende positie van de Sovjet-Unie minder vanzelfsprekend en de eenheid van de communistische ideologie gebroken. Albanië koos in 1961 de zijde van China.

Van een werkelijke liberalisering was pas sprake in de jaren zeventig. TEen belangrijke stap op weg naar spreiding van de macht was de topconferentie in Oost-Berlijn in 1976, waaraan communistische partijen uit zowel Oost- als West-Europa deelnamen. Dit topberaad erkende het recht van iedere communistische partij op ‘een eigen weg naar het socialisme’ en verving de geijkte formule van het proletarisch internationalisme door een vagere omschrijving over onderlinge solidariteit. In de praktijk betekende dit dat Moskou aan de communistische partijen in het Westen de vrijheid van een eigen koers bood. Om zich te onderscheiden van de overige varianten van het communisme gebruikten de westerse partijen het begrip eurocommunisme.

Op een conferentie te Madrid in maart 1977 namen de leiders van de Spaanse, Italiaanse en Franse communistische partijen de mogelijkheid van een democratische weg naar het socialisme in de Eurocommunistische leer op, waarmee zij duidelijk stelling namen tegen de theorie van het Russische communisme en hun zelfstandigheid verwoordden. Een ander eigen theoretisch punt van het Eurocommunisme is de afzwering van de dictatuur van het proletariaat.

7.6 Dissidenten

De liberaliseringstendensen in het Westen gingen vergezeld van parallelle ontwikkelingen in de Oost-Europese landen. Dissidenten traden met hun kritiek op het systeem meer op de voorgrond, hoewel zij nog altijd het slachtoffer waren van vervolging en gevangenneming (zie bijvoorbeeld Charta ‘77). Zij hadden een steun de rug met de slotakte van Helsinki, de overeenkomst van de Conferentie van Veiligheid en Samenwerking in Europa, waaraan onder meer de communistische landen in Europa (behalve Albanië) deelnamen. Zij verplichtten zich daarin aan een zekere mate van mensenrechten, persoonlijke vrijheid en vrijheid van informatie.