Zoekweergave communisme

Je kunt een woord, naam of onderwerp in dit artikel vinden met behulp van de optie van de browser voor het zoeken binnen een pagina. Bij Internet Explorer vind je deze optie in het menu Bewerken.

Er wordt gezocht naar het exacte woord of de exacte zin die je hebt ingetypt. Als er niets wordt gevonden, kun je zoeken naar een trefwoord binnen het onderwerp of de spelling controleren van wat je hebt getypt.

communisme
Introductie

communisme (van het Latijnse woord communis = gemeenschappelijk), maatschappelijk stelsel waarin de productiemiddelen gemeenschappelijk eigendom zijn van de staatsburgers. Bij de verdeling van de voortgebrachte goederen en diensten wordt het beginsel gevolgd dat elk lid van de gemeenschap erover kan beschikken naar behoefte. In politieke zin is communisme ook de beweging die streeft naar een maatschappelijke orde waarin die toestand zal zijn bereikt. In de praktijk is het woord communisme gebruikt voor een aantal politieke stromingen en partijen in de 19de en 20ste eeuw.

Plato ontwierp in zijn Staat een ideale orde op communistische grondslag, maar met scherp gescheiden standen. De eerste christenen stelden zich een gemeenschap der apostelen ten voorbeeld, die ‘alles gemeenschappelijk’ hadden: ‘Aan een ieder werd uitgedeeld naar behoefte’ (Handelingen 4:32, 35). Sinds de renaissance zijn tal van ‘utopieën’ geconstrueerd, waarvoor die van Plato meestal model stond (Thomas More en Tommaso Campanella zijn de bekendste auteurs). Aansluitend bij de gevoels- en gedachtewereld van de eerste christenen zijn in de loop der geschiedenis verschillende bewegingen ontstaan die een gemeenschap van gelovigen naar communistische beginselen wilden inrichten, zoals de meeste kloosterorden, de ‘ketterse’ waldenzen in de middeleeuwen of de wederdopers in de 16de eeuw.

Zowel de ‘utopisch’ sociaal-filosofische als de radicale interpretatie van de christelijke leer heeft direct of indirect het denken van negentiende-eeuwse socialistische of communistische theoretici bevrucht (een waterdichte scheiding tussen communisme en socialisme is dan nog niet te maken). Leverden die stromingen het materiaal voor een communistische ideaalvoorstelling, het marxisme en daarmede ook het 20ste-eeuwse communisme hebben essentiële denkpremissen overgenomen van een aantal Franse maatschappijfilosofen uit de 18de eeuw, Jean-Jacques Rousseau in het bijzonder. Maximilien de Robespierre en Saint-Just achtten zich als dragers en uitvoerders van de ‘algemene wil’ gerechtigd tot de Terreur, tot de ‘despotie der vrijheid’, zoals Marat het uitdrukte, die gemystificeerd werd tot de hoogste vorm van democratie.

1. Het vroege communisme

Het communisme als politieke beweging begint met het babouvisme, de leer van Babeuf, waarin het ideaal van een gemeenschap van gelijken zich tot een integraal communisme concretiseerde. Vooral Babeufs medestander Filippo Michele Buonarroti verbreidde de ideeën van een radicaal communisme, die in de jaren dertig van de 19de eeuw wortel schoten.

De bloeitijd van het vroege communisme is het decennium vóór de revolutie van 1848 (zie revolutiejaar 1848). Het is de tijd waarin de term communisme voor het eerst ingang vond en waarin bepaalde communistische richtingen in Frankrijk zich uitdrukkelijk op het proletariaat gingen beroepen. De opkomende arbeidersklasse (de eerste grote stakingsbeweging in Frankrijk, die van de Lyonse zijdewevers, dateert van 1831) vond in Étienne Cabet een van haar ijverigste pleitbezorgers. Hoewel tegenstander van een gewelddadige revolutie, kwam hij niettemin tot de overtuiging dat op samenwerking van de arbeiders met de meer bevoorrechte klassen niet te rekenen viel. Cabet predikte het ideaal van een straf georganiseerde maatschappij, waarin de vrijheid slechts bestaat in de mogelijkheid ‘datgene te doen wat de wet niet verbiedt en datgene na te laten waartoe de wet niet verplicht’.

De Franse communisten vonden onder de Duitse emigranten in Parijs (handwerkers en intellectuelen) veel aanhang, onder wie de belangrijkste theoreticus Karl Marx. In 1843 naar Parijs gekomen, bekeerde hij zich in enkele maanden tot het communisme.

2. De leer van Karl Marx

Voor Marx is het communisme doel van de geschiedenis. Dit doel wil hij dialectisch uit de historie afleiden. Een wetenschappelijke analyse van het toenmalige kapitalisme is een onderdeel van Marx’ interpretatie van de geschiedenis, en dient onder meer om het geloof in de zekerheid van het communisme te ‘bewijzen’: het kapitalisme schept in het proletariaat zijn eigen doodgravers. Ondanks Marx’ verzekering aan de arbeidersklasse, dat zij de heersende klasse van de toekomst zal zijn en haar ‘dictatuur’ zal vestigen, verwierven zijn theorieën in de twintigste eeuw voornamelijk aanhang, of veroverde het de macht in landen waar het proletariaat gering in aantal was (zie ook marxisme).

Het is duidelijk dat het marxisme, als theorie van de sociaal-economische ontwikkeling opgevat, voor het Rusland van het begin van de 20ste eeuw geen andere conclusie toeliet dan dat dit land een burgerlijk-kapitalistische fase zou moeten doormaken, voordat een proletarische revolutie kon ontstaan. Marx zelf, wiens revolutionaire wil herhaaldelijk in botsing kwam met zijn wetenschappelijke inzichten, heeft echter nog in zijn sterfjaar (1883) uitgesproken dat Rusland wellicht die kapitalistische fase zou kunnen overslaan dankzij het bestaan van de mir, de collectieve dorpsgemeenschap. Met hulp van de geïndustrialiseerde landen van het Westen zou het dan meteen de weg naar het socialisme kunnen betreden.

Van groter belang voor het begrijpen van het moderne communisme vanuit Marx’ opvattingen is de houding die hij tegenover de Duitse revolutie van 1848–1849 innam. De situatie in Duitsland in die jaren valt in menig opzicht te vergelijken met die van Rusland in de tijd dat het programma van Lenin vorm kreeg. In Duitsland vormde de arbeidersklasse een numeriek vrij onbelangrijk element. Daar Marx echter deze klasse als de draagster bij uitstek van de onvermijdelijk geachte socialistische revolutie beschouwde, die zij per definitie moest willen en nastreven, was hij van mening dat zij een zorgvuldig doordachte tactiek moest toepassen.

Marx besefte dat de revolutie die in werkelijkheid plaatsvond, geen andere dan een ‘burgerlijke’ kon zijn, gedragen door de bourgeoisie, de kleine burgerij en de boeren. Maar het proletariaat moest haar helpen slagen met de bedoeling, haar zover mogelijk uit te breiden. De bourgeoisie zou, zodra zij de overwinning had behaald, de revolutie als geëindigd willen beschouwen, en het proletariaat moest dan, samen met de kleine burgerij en de arme boeren, verdergaande eisen stellen.

Marx proclameerde de revolutie in permanentie. Het proletariaat zou zich tegen zijn vijanden van elk middel moeten bedienen, ook van een scherpe terreur. Natuurlijk vereiste een dergelijke tactiek een organisatie van geschoolden. Deze Communistenbond was in feite een groep ‘beroepsrevolutionairen’ onder leiding van intellectuelen, in de eerste plaats Marx zelf. Na de teleurstellingen die Marx en Friedrich Engels over de revolutionaire capaciteiten van het Engelse en het Duitse proletariaat ondervonden, verschoof het accent naar de onvermijdelijkheid van een groeiend proletariaat, zowel in aantal als macht. (Zie ook klassenstrijd).

3. Rusland

In het Rusland van de 19de en het begin van de 20ste eeuw vormde de industriële arbeidersklasse – evenals in Duitsland tot ca. 1860–1870 – een kleine minderheid, die evenwel bijzonder toegankelijk was voor radicale ideeën: het autocratische regime bood weinig kansen aan legale politieke actie of sociale strijd. De opheffing van de lijfeigenschap (1861) en later de Amerikaanse concurrentie op de graanmarkt verzwakten de positie van de grondbezittende adel. Velen werden gedwongen een bestaan te zoeken in een overheidsfunctie. De toeloop naar de universiteiten bevorderde de verbreiding van revolutionaire ideeën, zowel westerse als Russische. Het echec van het ‘nihilisme’ (de moordaanslag op tsaar Alexander II (1881) bijvoorbeeld bracht noch het regime ten val noch de boerenmassa's in beweging) schiep een voedingsbodem voor maatschappijtheorieën met een universele pretentie.

Een deel van de ‘intelligentsia’ voelde zich in deze tijd in toenemende mate aangetrokken door het marxisme. Als radicaalste en gesystematiseerde westerse ideologie appelleerde het aan de behoefte van de jonge intellectuelen aan een ‘wetenschappelijke’ en tevens kritisch-afwijzende verklaring van de politieke en maatschappelijke werkelijkheid om hen heen. Zo werd het marxisme in Rusland, evenals later in vele onderontwikkelde landen, een hulpmiddel van de ontevreden intelligentsia om een onbevredigende en vernederende toestand te interpreteren als een gevolg van dezelfde objectieve ‘wetmatigheid’ die in de toekomst een omslag moest teweeg brengen.

Onder de jonge marxisten omstreeks 1900 nam Vladimir Lenin een bijzondere plaats in. Zijn opvattingen, doortrokken van traditioneel Russisch-revolutionaire denkbeelden en van ideeën over een machtsverovering door een bewuste minderheid, zijn niettemin in hun kern in overeenstemming met de radicaal-revolutionaire elementen in Marx’ leer.

Lenin is de eigenlijke stichter van het moderne communisme geworden door zijn interpretatie van het marxisme en door de geheel andere omstandigheden dan die ener moderne, geïndustrialiseerde maatschappij waarop hij het moest toepassen. Reeds in 1894 zweefde hem het denkbeeld voor ogen van een ‘revolutionair verbond’ van de arbeiders met de boeren. Acht jaar later ontwikkelde hij in Wat te doen? een program voor de organisatie van de partij. Deze moest bestaan uit een kring van ‘beroepsrevolutionairen’ als kader en een hecht verbonden stelsel van – zo nodig illegaal werkende – partijafdelingen.

De betekenis van de partij werd door Lenin groot geacht. Naar zijn mening zouden de arbeiders uit zich zelf nooit verder kunnen komen dan tot een elementair ‘vakverenigingsbewustzijn’. Een geschoolde, zich van de geschiedeniswetten bewuste voorhoede moest de socialistische doelstelling propageren. Lenin stelde dan ook een uiterst straffe discipline als eis. Dat ‘democratisch centralisme’ – later door critici in de eigen gelederen ‘bureaucratisch centralisme’ genoemd – hield in dat eenmaal genomen besluiten stipt dienden te worden uitgevoerd, ook door tegenstanders en bevorderde een absolute machtspositie van de leiding. Deze opvatting over de rol van partijen vloeide voort uit de Russische verhoudingen.

Het onmiddellijke doel van Lenin c.s. was niet een klasse-actie tegen de bourgeoisie, maar de aanval op het heersende staatsapparaat. De inheemse kapitalisten bezaten immers noch de economische hegemonie noch de politieke macht. Vóór de Eerste Wereldoorlog was Lenin van oordeel dat een revolutie in Rusland slechts een ‘burgerlijke’ kon zijn. Evenals Marx in 1848 geloofde hij dat zij door het proletariaat en de boeren tot de uiterste grens moest worden doorgevoerd en wel in de vorm van een ‘revolutionair-democratische dictatuur’, die de overgang van de burgerlijke naar de socialistische fase moest versnellen. Hiertoe was ook noodzakelijk dat een Russische revolutie het sein werd voor een socialistische omwenteling in de industrieel ontwikkelde landen van Europa.

Lenin verliet tijdens de Eerste Wereldoorlog het standpunt van Marx, dat het socialisme in alle ontwikkelde landen tegelijk moest zegevieren. Hij formuleerde zijn theorie van het monopoliekapitalisme (het ‘laatste stadium’ van het kapitalisme), waarin de ‘zwakste schakel’ het eerst moest bezwijken, zonder dat dit tot de ondergang van het stelsel in de gehele wereld behoefde te leiden. Toen in de jaren na de Oktoberrevolutie (1917; zie Russische Revolutie), die de communisten aan de macht bracht, de hoop op een zelfde ontwikkeling in andere landen (vooral Duitsland) in rook opging, kon die theorie gebruikt worden om de bestaansmogelijkheid van het ‘socialisme in één land’ te bewijzen.

4. Vervorming van het communisme

In het revolutiejaar 1917 kende Lenin weliswaar aan de sovjets (‘raden’) van arbeiders en soldaten grote betekenis toe als instrumenten voor de overwinning, maar niet als kernen van een nieuwe maatschappelijke orde. De eerste sovjets waren in 1905 als organen van de arbeiders in de bedrijven ontstaan, onder invloed van mensjevistische denkbeelden (zie mensjevisme). In 1917, na de ‘burgerlijke’ Februarirevolutie, vormden zij zich opnieuw. Door lokale, regionale en landelijke vereniging kregen zij het karakter van een staat in de staat. Vooral in Petrograd en Moskou streden de verschillende socialistische partijen fel om het overwicht in de sovjets, waarbij de bolsjeviki (Lenins richting; zie bolsjevisme) het althans in deze steden wonnen van de mensjeviki en de sociaal-revolutionairen, die de kern van de regering vormden.

4.1 Uitschakeling Sovjets

De sovjets werden als hefboom gebruikt om die regering ten val te brengen, maar na de overwinning keerde Lenin zich tegen de ‘raden’ als kiemcellen van een gedecentraliseerde sociale democratie. Reeds in juni 1918 waren de fabriekssovjets feitelijk van hun macht beroofd, doordat de directies niet langer gekozen, maar door de regering benoemd werden. Lev Trotski voerde in het leger een drastische disciplinering door, die aan alle democratische illusies een einde maakte.

Het langst handhaafde zich de eigenlijke sovjettraditie onder de matrozen van de Oostzeevloot en de arbeiders op de marinewerven van Kronstadt. In maart 1921 kwamen zij in opstand tegen de dictatuur van de Communistische Partij en haar leiding. De Kronstadter opstandelingen, die vrije verkiezingen voor de sovjets eisten alsmede vrijheid van propaganda voor andere socialistische partijen, waren tegen de georganiseerde macht van het regime niet opgewassen.Na hun nederlaag werden ze geliquideerd of gevangen gezet (een aantal ontsnapte over het ijs naar Finland).

Sinds 1921 waren de sovjets schijnparlementen, verlengstukken van het door de partij opgebouwde en beheerste machtsapparaat. Het eveneens in maart 1921 gehouden 10de Partijcongres bezegelde tevens de ondergang van de voordien actieve linkse oppositie (de ‘Democratische Centralisten’, de ‘Arbeidersoppositie’ en andere groepen).

De ontwikkeling van een totalitaire staat voltrok zich nog tijdens Lenins leven. De reeds voor zijn dood in 1924 ontbrande strijd om de opvolging was, hoezeer daarin ideologische wapens werden ingezet, veeleer een gevecht om wie het apparaat zou beheersen dan een strijd om beginselen. De secretaris-generaal van de partij, Josif Stalin, die tot dan toe verhoudingsgewijs weinig op de voorgrond getreden was, nam de sterkste positie in en won, mede dankzij het handig tegen elkaar uitspelen van coterieën binnen de partij, die van etiketten ‘links’ en ‘rechts’ werden voorzien. Trotski werd in 1926 uit de partij gestoten en weldra verbannen. De meeste medewerkers van Lenin kwamen tijdens de grote ‘zuiveringen’ van 1936–1938 aan hun einde, doorgaans na een schijnproces waarin zij ter dood werden veroordeeld (o.a. Boecharin, Radek, Zinovjev, Kamenev). Met hulp van zijn politieke politie ruimde Stalin duizenden werkelijke en vermeende tegenstanders uit de weg.

5. Het stalinisme

Met de vestiging van een machtsapparaat dat tot alle geledingen van de samenleving doordrong, versterkte Stalin het totalitaire karakter van het marxisme-leninisme (stalinisme). Vóór de Tweede Wereldoorlog had hij het sovjet-patriottisme geproclameerd. Het communistische regime slaagde erin de Sovjet-Unie in snel tempo en ten koste van enorme offers te ontwikkelen tot een industriële en militaire mogendheid. Een andere drijfkracht was de voorgeschreven ‘kritiek en zelfkritiek’. In de praktijk was dat een vernederende plicht tot periodieke zelfbeschuldiging, waarvan slechts Stalins gunstelingen waren vrijgesteld. Een novum was de opvatting – later met nadruk in de Volksrepubliek China gehuldigd – dat naarmate de ‘socialistische opbouw’ vorderde, de ‘waakzaamheid’ ten aanzien van onbetrouwbare elementen vergroot en het machtsapparaat dienovereenkomstig versterkt moest worden.

Marx en Engels (en zeker tot 1918 ook Lenin) hadden altijd de mening verkondigd dat het communisme zich zou kenmerken door het ‘afsterven van de staat’, de inkrimping en ten slotte verdwijning van de regeringsmachinerie als heerschappij van de ene klasse over de andere. Stalin proclameerde in het land, waar volgens hem de tegenstellingen tussen de klassen hun antagonistisch karakter hadden verloren, de verscherpte klassenstrijd. Als motief kon hij behalve het bestaan van ‘resten’ van de ‘bourgeoisie’, de ‘kapitalistische omsingeling’ van de Sovjet-Unie aanvoeren. In mei 1945 prees Stalin het Groot-Russische volk als het ‘heldhaftigste’ van alle naties die de Sovjet-Unie vormen. De strijd tegen het ‘kosmopolitisme’ werd vooral door Andrej Zjdanov in de jaren 1946–1948 gevoerd. De ‘partijdigheid’ van filosofie, wetenschap en kunst werd tot dogma verheven.

6. De sovjetstaat
6.1 Collectivisatie van de landbouw

De Russische vijfjarenplannen konden slechts worden uitgevoerd ten koste van een onderwerping van de boeren, die onder het mom van een rationelere bedrijfsvoering gedwongen werden tot collectivisatie van de landbouw. Deze gedwongen afstand van grondbezit bracht boeren bijeen in collectieve boerderijen (kolchozen en sovchozen) en maakte het mogelijk goedkope werkkrachten te verkrijgen en de middelen samen te brengen die nodig waren voor de industrialisatie.

6.2 Nieuwe klasse

Jarenlang heerste in het land dat zelf pretendeerde ‘het meest democratische ter wereld’ te zijn, de politieke politie over een miljoenenleger van arbeidsslaven. Maar ook de ‘vrije’ arbeiders waren onderworpen aan een draconische arbeidswetgeving, die hen onder meer verplichtte officieel toestemming te vragen voor een verandering van van werkkring. De leiding van de nieuwe industriële en landbouwbedrijven kwam in handen van specialisten, die in verhouding tot de gewone man weliswaar grote risico's liepen in ongenade te vallen, maar tevens materieel begunstigd werden. De afstand in inkomens en feitelijke voorrechten van de ‘nieuwe klasse’, waartoe ook partij- en staatsfunctionarissen alsmede een aantal kunstenaars en wetenschapsbeoefenaren behoorden, en die van de grote massa werd onder Stalin steeds groter en bleef nadien bestaan.

6.3 Collectieve leiding

Na Stalins dood (1953) werd het beginsel van de ‘collectieve leiding’ geproclameerd. Een van de collectieve leiders, Lavrenti Beria, werd echter reeds in juli 1953 gearresteerd en weldra ter dood gebracht. Georgi Malenkov scheen de leiding te hebben, tot deze in 1955 ten val kwam, op de beschuldiging van ‘ fouten’. Van 1955 tot 1964 nam Nikita Chroesjtsjov de eerste plaats in, enkele malen bedreigd door paleisrevoltes.

Chroesjtsjov heeft nauwelijks de pretentie gehad het communisme theoretisch te verrijken. Hoewel ook hij in het algemeen een straffe lijn volgde en zich bemoeide met kunsten en wetenschappen, trad hij niet in het voetspoor van Stalin, die tijdens zijn leven als ‘geniale leider en leraar’ was vereerd. Chroesjtsjov keerde integendeel tot een Lenin-cultus terug, nadat hij in een geheime rede op de laatste dag van het 20ste Partijcongres (25 febr. 1956) de ‘persoonsverheerlijking’ van Stalin en een deel van diens misdaden had veroordeeld. Hij prees nog altijd de strijd van Stalin tegen het trotskisme, maar wees er tevens op dat zijn voorganger ‘duizenden’ goede bolsjeviki had verbannen of uit de weg had laten ruimen.

Chroesjtsjovs nogal wilde projecten (cultivering van woestijnland zonder voldoende voorbereiding) hebben ertoe bijgedragen dat men hem opzij schoof. Zijn opvolgers, Leonid Brezjnev als secretaris generaal van de communistische partij en Alexej Kosygin als premier, waren bescheidener in hun verklaringen over het invoeren van een volledig communisme ( ‘ieder krijgt naar behoefte’) en het voorbijstreven van de Verenigde Staten. Ruimtevaart, militaire macht en economische groei namen de plaats in van de oude leuzen van een ‘maatschappij van vrije en gelijke producenten’ (Marx) of ‘alle macht aan de raden’ (Lenin).

6.4 Technocratie

Het sovjetregime onder leiding van Brezjnev kreeg een steeds sterker technocratisch karakter. De persoonsverheerlijking en de daarmee gepaard gaande politisering van het dagelijks leven verdwenen en er kwam een politiek stelsel dat werd bemand door de apparatsjiks,partijleden die sleutelposities in de industrie en de agrarische sector innamen. Het gevolg was dat er een steeds verder uitdijende staatsbureaucratie ontstond die in de loop van de jaren zeventig en het begin van de jaren tachtig topzwaar en volkomen inefficiënt werd. In de privésfeer werd men steeds cynischer en wantrouwender ten opzichte van alles wat met politiek te maken had.

7. Communisme buiten de Sovjet-Unie

De communistische beweging in de wereld buiten de Sovjet-Unie stond op een enkele uitzondering na in steeds toenemende mate onder Moskouse leiding. Lenin knoopte, toen hij na de Oktoberrevolutie de naam ‘communistisch’ voor zijn partij koos, bewust aan bij een traditie van de jaren 1848–1871. In die tijd werd de term communisme wel gebruikt om de radicaal-revolutionaire richting te onderscheiden van de ‘kleinburgerlijke’ sociaal-democratie of het socialisme.

7.1 Russische hegemonie

In maart 1919 vond in Moskou het oprichtingscongres van de Derde of Communistische Internationale plaats (zie Internationale, Komintern), waarbij zich de Franse en Noorse sociaal-democratische partijen aansloten. Het tweede congres stelde in 1920 de 21 voorwaarden vast voor toetreding tot de Komintern. De aangesloten partijen moesten bereid zijn, niet alleen tegen de ‘rechtse’ sociaal-democraten te strijden, maar ook tegen de vooral in Duitsland en Oostenrijk sterke ‘centristische’ en pacifistische richtingen in het socialisme. Daarnaast moesten zij zich door infiltratie (‘cellenbouw’) trachten meester te maken van de vakverenigingen. Bovendien dienden zij zich toe te leggen op het winnen van de sympathie van de boeren. Een andere eis was dat zij zich aan de zijde van de koloniale volkeren schaarden in hun strijd tegen het ‘imperialisme’. Kenmerkend was de bepaling dat periodieke zuiveringen gehouden moesten worden om ‘kleinburgerlijke’ elementen te verwijderen.

De 21 voorwaarden weerspiegelden de Russische situatie en de wens, de Komintern als hulptroepen voor de Russische communisten te gebruiken. Wie bezwaar maakte tegen de ijzeren discipline, zoals een deel van de Duitse ‘Onafhankelijken’, werd afgestoten.

7.2 Kritiek

Van marxistische zijde werd de leninistische partijopvatting gekritiseerd. Reeds in 1918 had Rosa Luxemburg in een commentaar op de Russische praktijk betoogd dat het proletariaat geen terreur behoefde om zijn doeleinden te verwerkelijken.

Terwijl in Rusland de arbeidersklasse zwak was en de gedachte aan de dictatuur van een straf georganiseerde partij er voor de hand lag, konden marxisten in het Westen geloven aan de mogelijkheid van een spontane massabeweging, die de revolutie zou voltrekken en op eigen kracht de nieuwe maatschappij opbouwen. Onder de socialistisch gezinde arbeiders in Europa, op wie de gebeurtenissen in Rusland een grote indruk maakten, bleven de vanouds ‘georganiseerde’, meestal geschoolde arbeiders (door Lenin ‘arbeidersaristocratie’ genoemd) de sociaal-democratie in meerderheid trouw (bijv. in Duitsland), terwijl de onderste lagen meer openstonden voor de communistische propaganda.

Tot 1921 was de koers van de Komintern gericht op het steunen en uitlokken van revolutionaire bewegingen in Europa.

In Hongarije vormde Béla Kun in 1919 een ‘radenregering’, die in hetzelfde jaar ten val gebracht werd. In Italië namen stakingen en bedrijfsbezettingen een revolutionair karakter aan, maar de scheiding tussen communisten en socialisten droeg in 1922 bij tot de overwinning van het fascisme. In Duitsland werd na de ondergang van de Beierse ‘radenrepubliek’ en het neerslaan van opstanden in Berlijn en elders (1919) in maart 1921 een poging ondernomen, door middel van een door Komintern-agenten geleide putsch de macht te veroveren. Volkomen kansloze gewapende acties maakten vooral in Saksen en Thüringen tal van slachtoffers. Het fiasco van de ‘maartactie’ heeft bijgedragen tot een koersverandering. De communistische partijen buiten de Sovjet-Unie werden meer en meer werktuigen van het Volkscommissariaat van Buitenlandse Zaken te Moskou (zie radencommunisme).

7.3 Verhouding met sociaal-democratie

Jarenlang richtten de communisten zich vooral tegen de ‘sociaal-fascisten’ genoemde sociaal-democraten, die zij als ‘handlangers van de bourgeoisie’ beschouwden. Toen in 1933 Adolf Hitler aan de macht was gekomen, heerste in Moskou de verwachting dat nu de ondergang van het ‘kapitalisme’ moest komen en dat het regime van de nationaal-socialisten de laatste fase van een ten ondergang gedoemde maatschappijvorm was. Weldra was de hoop vervlogen dat een communistische revolutie de nazi's uit het zadel zou tillen. In 1934 vond een scherpe koerswijziging plaats: met de ‘Volksfrontpolitiek’ beoogden de communisten een samengaan van alle ‘anti-fascistische’ krachten (zie ook Volksfront).

Vooral tijdens het begin van de Spaanse Burgeroorlog werd de nieuwe lijn gevolgd (1936 en 1937). De communistische partijen boekten aanzienlijke successen. Niet slechts arbeiders, maar ook tal van intellectuelen sloten zich erbij aan. In de democratische landen schenen de communisten betrouwbare medestrijders in de strijd tegen het totalitarisme van rechts.

Het Molotov-Ribbentrop-pact van augustus 1939 en de tegen de democratieën gerichte houding van de communisten tot aan de Duitse overval op de Sovjet-Unie (juni 1941) hebben slechts tijdelijk de communistische partijen verzwakt. In de tweede helft van de Tweede Wereldoorlog speelden zij een belangrijke rol in de verzetsbewegingen.

7.4 Nationale communistische bewegingen

Na de Tweede Wereldoorlog vestigden zich in sommige landen communistische regimes min of meer op eigen kracht.

Dit is het geval geweest in Joegoslavië, Albanië, China (het maoïsme), (Noord-)Vietnam en Cuba, waar onder Fidel Castro een eigen vorm van communisme ontstond, die in de jaren zeventig en tachtig naar Afrika zou worden ‘geëxporteerd’. In de overige landen waar het communisme de macht greep, gebeurde dit vooral dankzij Russische militaire en politiële interventie. De communistische macht moest zich ook een aantal malen gewapenderhand verdedigen tegen opstanden (DDR, 1953; Polen, 1956; Tsjechoslowakije, 1948, 1968; Hongarije, 1956).

In 1948 kwam het tot een breuk tussen Moskou en Joegoslavië; Josip Tito en de zijnen wilden onder de politieke druk en economische uitbuiting van de Sovjet-Unie vandaan.

Het ontstaan van breuken is vergemakkelijkt door Chroesjtsjovs ‘geheime’ rede van 1956, die een aantasting van het geloof in de onfeilbaarheid van de leermeesters en daarmede ook van de leer inhield. Voor de meeste landen in Oost-Europa bleek de hoop op een gematigder koers vooralsnog ijdel. Roemenië zag weliswaar kans onder Gheorghe Gheorghiu-Dej en Nicolae Ceauşescu ten opzichte van Moskou een zelfstandige koers te varen in de buitenlandse politiek, maar binnenlands bestond een ongemeen harde repressie.

7.5 West- en Zuideuropese communistische partijen

De communistische partijen in het Westen konden zich gemakkelijker losmaken van de leiding van Moskou. De mogelijkheid hiertoe werd na Chroesjtsjov groter, zeker sinds de tegenstelling tussen China en de Sovjet-Unie openlijk aan het licht kwam (1961). Hierdoor werd de overheersende positie van de Sovjet-Unie minder vanzelfsprekend en de eenheid van de communistische ideologie gebroken. Albanië koos in 1961 de zijde van China.

Van een werkelijke liberalisering was pas sprake in de jaren zeventig. TEen belangrijke stap op weg naar spreiding van de macht was de topconferentie in Oost-Berlijn in 1976, waaraan communistische partijen uit zowel Oost- als West-Europa deelnamen. Dit topberaad erkende het recht van iedere communistische partij op ‘een eigen weg naar het socialisme’ en verving de geijkte formule van het proletarisch internationalisme door een vagere omschrijving over onderlinge solidariteit. In de praktijk betekende dit dat Moskou aan de communistische partijen in het Westen de vrijheid van een eigen koers bood. Om zich te onderscheiden van de overige varianten van het communisme gebruikten de westerse partijen het begrip eurocommunisme.

Op een conferentie te Madrid in maart 1977 namen de leiders van de Spaanse, Italiaanse en Franse communistische partijen de mogelijkheid van een democratische weg naar het socialisme in de Eurocommunistische leer op, waarmee zij duidelijk stelling namen tegen de theorie van het Russische communisme en hun zelfstandigheid verwoordden. Een ander eigen theoretisch punt van het Eurocommunisme is de afzwering van de dictatuur van het proletariaat.

7.6 Dissidenten

De liberaliseringstendensen in het Westen gingen vergezeld van parallelle ontwikkelingen in de Oost-Europese landen. Dissidenten traden met hun kritiek op het systeem meer op de voorgrond, hoewel zij nog altijd het slachtoffer waren van vervolging en gevangenneming (zie bijvoorbeeld Charta ‘77). Zij hadden een steun de rug met de slotakte van Helsinki, de overeenkomst van de Conferentie van Veiligheid en Samenwerking in Europa, waaraan onder meer de communistische landen in Europa (behalve Albanië) deelnamen. Zij verplichtten zich daarin aan een zekere mate van mensenrechten, persoonlijke vrijheid en vrijheid van informatie.

8. Het verval

In de jaren tachtig begon het verval van het communisme als politiek systeem. Dit heeft twee belangrijke oorzaken: de economische en sociale crisis in de communistische wereld en de desoriëntatie waaraan de communistische partijen in de niet-communistische landen ten prooi vielen nadat zij zich hadden losgemaakt van de moederbeweging.

8.1 De communistische grootmachten

De belangrijkste oorzaak leek de economische en sociale crisis van de Sovjet-Unie te zijn. De topzware staatsbureaucratie werkte een inefficiënte productie en een corrupte politieke elite in de hand. Bovendien slibde langzamerhand het bestuursapparaat dicht, zodat aan de top een onoplosbare impasse ontstond tussen conflicterende groepjes zeer oude politieke leiders (gerontocratie).

Na zijn aantreden,, in 1985, introduceerde de wat jongere Michail Gorbatsjov een nieuwe Sovjet-ideologie, gebaseerd op perestrojka en glasnost. Met de perestrojka (= hervorming) streefde hij een modernisering van economie na, met de glasnost (= openheid) een liberalisering van de politiek en het openbreken van het bestuur.

Al snel kregen de hervormingen en de grotere openheid een eigen dynamiek. Ten eerste bleek hoe erg de Sovjet-economie eraan toe was. Ten tweede kregen een deel van het partijapparaat en groepen uit de bevolking dankzij de grotere openheid de ruimte voor het ventileren van hun politieke aspiraties. Daardoor nam de druk toe om het bestuur van het land te democratiseren. Tegelijkertijd bood deze democratisering, die voor een deel ook een grotere autonomie van de afzonderlijke republieken impliceerde, de basis voor de opkomst van sterke nationalistische bewegingen.

In de zuidelijke sovjetrepublieken ontketenden deze bewegingen aan het eind van de jaren tachtig in volksopstanden die de Sovjetheersers in bloed probeerden te smoren. Zij moesten in 1991 wel de onafhankelijkheid van de Baltische staten erkennen. Ook in de Russische Federatie, de grootste sovjetrepubliek, namen onder leiding van de radicale hervormer Boris Nikolajevitsj Jeltsin de nationalistische aspiraties toe. Tegelijkertijd staken fascistische en xenofobe bewegingen, die tot dan toe officieel niet bestonden, weer de kop op, zoals de eng-nationalistische en antisemitische Pamjatbeweging.

De ontwikkelingen resulteerden in het uiteenvallen van de Sovjet-Unie aan het eind van 1991, nadat een machtsstrijd tussen Jeltsin en Gorbatsjov ten gunste van de eerste was beslecht. Een aantal van de zestien ex-sovjetrepublieken vormde een samenwerkingsverband onder de naam Gemenebest van Onafhankelijke Staten (GOS), te weten de Russische Federatie, de Oekraïne, Wit-Rusland, Armenië, Azerbeidzjan, Moldavië, Kazachstan, Kirgizië, Tadzjikistan, Turkmenistan en Oezbekistan.

Nog tijdens het bestaan van de Sovjet-Unie besloot de Opperste Sovjet tot privatisering van de staatsbedrijven en invoering van een aantal vrije-marktprincipes, waarmee de grondslagen van de planeconomie, de kern van de communistische economische theorie, werden aangetast. De Opperste Sovjet nam verder afstand van het marxisme-leninisme als leidende ideologie, schafte het monopolie van de communistische partij af en beëndigde de bevoorrechte positie van de kaderleden. Wel bleek al snel dat het oude partijkader moeilijk te vervangen was en dat met name in de Aziatische republieken voormalige communistische functionarissen sleutelposities bleven bekleden.

Met de afschaffing van het marxisme-leninisme kon ook een aantal grondrechten, die formeel in de grondwet altijd al een plaats hadden, opnieuw worden geformuleerd. Er ontstonden nieuwe politieke partijen en groeperingen, de censuur bij pers, radio en televisie werd afgeschaft (overigens tegen de wil van het Volkscongres) en de vrijheid van godsdienst wekte nieuwe belangstelling voor met name de orthodoxe Kerk, terwijl andere religieuze groeperingen en sekten, vaak van buitenlandse origine, een grote toeloop kenden.

In de andere communistische grootmacht, de Volksrepubliek China, was al sinds Nixons ‘ping-pongdiplomatie’ van het begin van de jaren zeventig sprake van een geleidelijke economische liberalisering. Privé-ondernemerschap werd in de jaren tachtig op beperkte schaal toegestaan. Aan het eind van de jaren tachtig bleek echter dat dit niet gepaard ging met politieke liberalisering. Toen in mei en juni 1989 een grote groep studenten het Plein van de Hemelse Vrede in Peking bezet hield om democratiseringen af te dwingen, beantwoordde het regime deze actie met bloedige repressie. Het sloot de grenzen gedurende enige tijd hermetisch af, waarna het de economische liberalisering weer voortzette. China is tezamen met Noord-Korea, Laos, Vietnam en Cuba één van de weinige landen die het communisme als regime nog altijd weten te handhaven.

8.2 De satellietstaten

Anders ging het in de satellietstaten van de Sovjet-Unie, waar vanaf de tweede helft van de jaren tachtig, en met een tempoversnelling in 1989, de overgang van een communistische naar een democratische orde en een vrijemarkteconomie zijn beslag kreeg. Voorop in deze ontwikkeling ging Polen. Al vanaf de jaren zestig, met hoogtepunten in 1970 en 1976, vonden daar met enige regelmaat stakingsacties plaats van industriearbeiders. In 1980 brak een staking uit op de Leninwerf in Gdansk, geleid door Lech Wałesa, die uitmondde in de oprichting van de eerste onafhankelijke vakbond, Solidariteit. De Poolse leider Wojciech Jaruzelski kondigde als reactie hierop de staat van beleg af. Solidariteit werd verboden, maar door pressie van de katholieke Kerk, de van oorsprong Poolse paus Johannes Paulus II en vooral door aanhoudende druk van stakingen, hief het bewind aan het eind van de jaren tachtig het verbod weer op.

Na het opheffen van de noodtoestand begonnen in 1988 ronde-tafelgesprekken tussen de communistische leiders en de oppositie, uitmondend in een compromis waarbij een coalitieregering werd gevormd. In 1990 hief de communistische partij zich op en in hetzelfde jaar werd Wałesa tot president gekozen als opvolger van Jaruzelski.

Een vrijwel geweldloze revolutie vond ook plaats in Hongarije, Tsjechoslowakije, Bulgarije en de Duitse Democratische Republiek. In de laatste maanden van 1989 volgden de gebeurtenissen elkaar in hoog tempo op. Na langdurige en massale demonstraties werden in het ene land na het andere gesprekken tussen de communistische regeringen en de oppositie geopend, waarbij dissidenten een vooraanstaande rol speelden. Dit resulteerde niet alleen in democratische verkiezingen en de invoering van een liberale economische orde, maar ook in de opheffing van de beperkingen voor het verkeer met de westerse landen, gesymboliseerd door de opening van de Berlijnse Muur op 9 november 1989, gevolgd door de hereniging van de twee Duitslanden op 3 oktober 1990.

Door het wegvallen van de Sovjet-Russische bescherming en druk kwamen in Tsjechoslowakije de tegenstellingen tussen Slowakije en de rest van het land tot uiting. De eerste naoorlogse democratisch gekozen president van Tsjechoslowakije, de schrijver Václav Havel, kon niet voorkomen dat met ingang van 1 januari 1993 de staat uiteenviel in de republieken Tsjechië en Slowakije.

Minder geweldloos verliep de omwenteling in Roemenië, waar in december 1989 een volksopstand bloedig werd neergeslagen, maar de strijdkrachten zich later solidair verklaarden met de opstandelingen. Dat leidde uiteindelijk tot de val van het regime-Ceauşescu en de executie van president Ceauşescu en zijn vrouw Elena.

In 1990 kwam ook een omwenteling in Albanië op gang, gevolgd door de eerste vrije verkiezingen in maart 1991.

De centrale, door Serviërs gedomineerde communistische partij in Joegoslavië raakte het overwicht kwijt toen in Slovenië en Kroatië nationalisten het verval van het communisme gebruikten om de macht te krijgen. De sinds de dood van Tito steeds duidelijker aan de dag tredende tegenstellingen tussen de diverse volkeren in Joegoslavië leidden tot het zelfstandig worden van Slovenië, Kroatië en Macedonië. De Serviërs slaagden er daarbij in een groot deel van Kroatië en grote delen van het door hen niet als een zelfstandig land beschouwde Bosnië-Hercegovina te bezetten. De (Bosnische) Kroaten bezetten een ander deel, zodat er voor de moslims een klein deel overbleef, waarna een federatie tussen Bosnische Kroaten en moslims werd gesmeed.

Een belangrijke oorzaak van de snelheid waarmee een en ander plaatsvond was, behalve de toenemende onbestuurbaarheid van de voormalige satellietstaten, vooral de weigering van de Sovjet-Unie onder het bewind van Gorbatsjov om nog langer de verantwoordelijkheid te nemen voor het lot van de politieke bondgenoten in Oost-Europa. Anders dan in Hongarije (1956) of Praag (1968) stuurde de Sovjet-Unie geen tanks. Hieruit blijkt ook in hoe sterke mate de communistische regimes afhankelijk waren van militaire steun van de Sovjet-Unie. In de loop van 1990 begon de Sovjet-Unie haar troepen uit Tsjechoslowakije, Hongarije, Polen en de voormalige DDR terug te trekken. In februari 1991 werd in Boedapest besloten het Warschaupact te ontbinden.

De Raad voor Wederzijdse Economische Bijstand, COMECON, de in 1949 opgerichte organisatie ter bevordering van economische samenwerking van communistische staten, werd op 21 juni 1991 in Boedapest opgeheven.

Na de eerste euforie over de val van het communisme volgde de pijn van de overgang naar de markteconomie. In een aantal landen kwamen de oud-communisten onder een andere naam (tijdelijk) terug op het pluche. Hoewel Polen, Tsjechië, Hongarije en Slovenië zich redelijk ontwikkelden, waren er aan het begin van de 21ste eeuw in Midden- en Oost-Europa, evenals in de voormalige sovjetrepublieken, nog veel maatschappelijke problemen. De koopkracht daalde aanvankelijk enorm, en de gezondheidszorg, het onderwijs en de oudedagsvoorziening bleken zich moeilijk aan te passen aan de vrijemarkteconomie.

8.3 De westerse staten

Vanaf het moment dat de communistische partijen de banden met de Sovjet-Unie losmaakten, in de loop van de jaren zeventig, raakten de communistische bewegingen in de westerse staten afgesneden van de financiële en ideologische rugdekking van het Kremlin. Ook bleek dat het communisme als ideologie voor het voeren van politieke strijd in de westerse verzorgingsstaten zijn beste tijd had gehad. De communistische partijen raakten daardoor in een ernstige crisis. Zij vielen veelal uiteen. Er resteerden doorgaans een kleine splintergroep die trouw bleef aan de marxistisch-leninistische dogma's, naast grotere groepen die aansluiting zochten bij de nieuwe sociale bewegingen, zoals de milieubeweging, de vredesbeweging of de vrouwenbeweging. Het communistische ideeëngoed, dat uitgaat van het primaat van de klassenstrijd, ten opzichte waarvan alle andere politieke vraagstukken slechts een secundair belang zouden hebben, raakte op de achtergrond. Het bestaansrecht van een aparte communistische partij verdween daardoor.

In Nederland resulteerde deze ontwikkeling voor de CPN (Communistische Partij van Nederland) in het verlies van de laatste Kamerzetel bij de verkiezingen van 1986 en, drie jaar later, in de fusie met de andere radicaal linkse partijen PPR, PSP en EVP in Groen Links. In Frankrijk liep de communistische partij onder leiding van de orthodoxe communist Marchais steeds verder leeg, terwijl de lange tijd zeer sterke Italiaanse communistische partij zich onder invloed van de gebeurtenissen in Oost-Europa omzette in een sociaal-democratische partij.