| Chopin, Frédéric François | Terug | ||||
| Klik in het menu Bestand op Afdrukken om de gegevens af te drukken. | |||||
| 2. Werk |
Chopins werken zijn geschreven voor het exclusieve milieu van de Parijse salon. De basis van zijn compositietechniek is de improvisatie, die zich steeds meer verdiepte en verinnerlijkte. Van een stilistische evolutie is nauwelijks sprake. Wel is de weerspiegeling van zijn activiteiten waarneembaar. Tijdens zijn carrière als pianovirtuoos schreef hij briljante concertstukken, zoals de Don Juan-variaties en de beide pianoconcerten. Zijn pedagogische activiteiten gaven aanleiding tot de vele kleinere werken als de mazurka's, etudes, preludes, nocturnes en walsen. Composities als de balladen, de scherzi, de barcarolle en de sonates waren bedoeld voor hemzelf en een select gezelschap van intimi. De delicate pianoklank was in zijn tijd origineel. Ook zijn toucher moet uiterst sensibel en licht zijn geweest. De elegantie en helderheid van zijn stijl is terug te leiden tot Field, Clementi en Hummel, die op hun beurt werden beïnvloed door Mozart. Chopins rubato is dan ook eerder te beschouwen als het strenge rubato van Mozart (met metrisch strak volgehouden linkerhand) dan het vrije rubato van Liszt.
De textuur in zijn composities wordt gevormd door lange, gewichtloze, chromatische melodieën die zijn ingebed in een grote variëteit aan begeleidingen, veelal voorzien van een verborgen contrapunt. Deze melodievorming is van grote invloed geweest op Bellini en Wagner. Op het gebied van de harmoniek is Chopin een van de belangrijkste vernieuwers van de 19de eeuw geweest. In zijn toepassing van dissonanten, chromatiek, modaliteit, en in het – met name in langzame inleidingen – vermijden van een duidelijke hoofdtoonsoort, ging hij soms zo ver dat de harmoniek haar spanningsvolle functionele werking prijsgaf voor een meer kleurende betekenis. Tot Chopins belangrijkste vernieuwingen behoren de passages met een statische, harmonische beweging, waarin een enkel akkoord of een serie van twee of drie akkoorden met een hypnotiserende monotonie worden herhaald. Ook in zijn vormstructuren sloeg Chopin nieuwe wegen in. In zijn sonates gebruikte hij de traditionele sonatevorm zo vrij, dat gedurende lange tijd de mening heeft bestaan dat Chopin als meester van de kleine (dans)vormen, de grote vorm niet beheerste. De ballade als instrumentaal karakterstuk is wellicht Chopins vinding, evenals het pathetische, niet-humoristische scherzo, dat bij hem een verhevigde impromptu is. De etude werd een expressiestuk van virtuoos karakter, naar de vorm verwant aan Clementi en heeft o.a. bij Liszt, Rachmaninov en Skrjabin navolging gevonden, evenals bij Debussy. In tegenstelling tot andere romantici als Robert Schumann en Liszt stond Chopin afwijzend tegenover duidelijke literaire of biografische associaties. Wel bevat zijn muziek sporen van nationalisme.
WERK: Voor piano en orkest: 2 concerten (in e opus 11, in f opus 21), Krakowiak (opus 14). Don Juan-variaties (opus 2), Polonaise (in Es, opus 22; voorafgegaan door een Andante Spianato), Grande fantaisie sur des airs nationaux polonais (opus 13). – Pianotrio (in g opus 8). – Voor cello en piano: Grand duo concertant (in E), Introduction et polonaise brillante (in C opus 3), cellosonate (in g opus 65). – Voor piano: 3 sonates (in c opus 4, in bes opus 35, in b opus 58), 12 polonaises, polonaise-fantasie (opus 61), 27 etudes (opus 10 en 25; voorts 3 gepubliceerd ‘pour la méthode des méthodes de Moscheles et Fétis’), 26 preludes (opus 28, opus 45 in cis; de 26ste in As eerst gepubl. in 1918), 19 nocturnes, 15 walsen, 3 impromptu's, fantaisie-impromptu (opus 66), 4 scherzi, 4 balladen, ca. 56 mazurka's, 3 rondo's, 3 écossaises, Bolero (opus 19), Tarantella (opus 43), Barcarolle (opus 60), Berceuse (opus 57), Allégro de concert (opus 46), Fantaisie (opus 49), enige variatiewrk., treurmars (in c opus 72), rondo (in C opus 73, voor 2 piano's). – Vocaal: 17 Poolse liederen.
UITG: Selected correspondence of F. Chopin, d. A. Hedley (red.) (1962).