Zoekweergave cantate

Je kunt een woord, naam of onderwerp in dit artikel vinden met behulp van de optie van de browser voor het zoeken binnen een pagina. Bij Internet Explorer vind je deze optie in het menu Bewerken.

Er wordt gezocht naar het exacte woord of de exacte zin die je hebt ingetypt. Als er niets wordt gevonden, kun je zoeken naar een trefwoord binnen het onderwerp of de spelling controleren van wat je hebt getypt.

cantate

cantate (Ital.: cantata = lett.: zangstuk; v. cantare = zingen), vocale, door instrumenten begeleide kamermuziek op een dramatische of een lyrische tekst. De term werd voor het eerst gebruikt door Alessandro Grandi (Cantate et arie a voce sola, 1620, deel II, 1626). De Italiaanse cantate bereikte haar hoogtepunt bij de componisten van de Napolitaanse School, waarbij Händel aansloot en die een duidelijke scheiding maakte tussen recitatief en aria en waarbij het arioso verdween.

De wereldlijke cantate (Ital.: cantata da camera) had dramatische, satirische of amoureuze teksten en was voor verschillende bezettingen geschreven: de solocantate bevatte doorgaans twee aria's, gescheiden door recitatieven, terwijl de tweestemmige cantate meestal uit vier aria's of twee aria's en een duet bestond.

Grotere cantates sloten meestal met een koor. Tot deze laatste groep behoort de geestelijke cantate of kerkcantate (cantata da chiesa). De Franse wereldlijke cantate beleefde een korte bloeitijd tussen 1715 en 1725. De belangrijkste componisten waren J.B. Morin (Cantates françaises à une et deux [trois] voix mêlées de symphonies, 7 dln.) en André Campra. In Duitsland bereikte de protestantse kerkcantate haar hoogtepunt in het werk van J.S. Bach, die in de begeleiding vaak belangrijke partijen voor solo-instrumenten (zgn. obligate instrumenten) voorschreef. In de tweede helft van de 18de eeuw trad een periode van verval in. Zo werd bij Haydn de instrumentale begeleiding teruggebracht tot één instrument (cantate Arianna voor sopraan en piano). In de 19de eeuw schreven o.a. Beethoven, Mendelssohn, Brahms, Debussy, Johan Wagenaar en Peter Benoit cantates, maar toch geraakte dit genre steeds meer op de achtergrond. In de 20ste eeuw beleeft de cantate in de protestantse kerkmuziek een opbloei, o.a. door composities van Pepping en Distler, terwijl de wereldlijke cantate vooral nog voortleeft als muzikaal op een laag peil staand gelegenheidswerk, hoewel componisten als Britten en Honegger in dit genre opmerkelijke werken schreven.