Bruckner, Anton
Klik in het menu Bestand op Afdrukken om de gegevens af te drukken.
Bruckner, Anton
2. Werk

Typerend voor Bruckner is de tegenstelling tussen zijn onzekerheid die hem ertoe bracht zijn werk te (laten) reviseren, en zijn besef van zijn genialiteit, dat hem ertoe deed besluiten om de originele versies van zijn symfonieën in zijn testament onder te brengen. Pas in 1931 (oprichting van de Internationale Bruckner Gesellschaft) werd een begin gemaakt met de editie van de definitieve partituren.

Bruckner is een van de merkwaardigste figuren uit de muziekgeschiedenis. Ongeletterd, buiten de politieke en geestelijke stromingen van zijn tijd levend, is hij een volstrekt anachronistische verschijning. Zijn werken zijn van een monumentale opbouw en een verheven zeggingskracht. Zijn symfonieën geven uitdrukking aan zijn innerlijke tweespalt tussen zinnelijk natuurkind en vroom gelovige, die de dimensies aanneemt van een kosmisch drama. Compositietechnisch gezien gebruikte Bruckner moderne middelen. In harmonisch opzicht door het compromisloze gebruik van chromatiek, ongebruikelijke toonsoortwisselingen, modale akkoordprogressies en ostinato's. Revolutionair was de blokvormige structuur. Hij gebruikte de symfonische vorm niet meer als een dynamisch ontwikkelingsproces. In Bruckners muziek staat elk moment op zichzelf; er zijn hoogstens associatieve relaties. Typerend is de veelvuldige herhaling van een zelfde motief over een zelfde harmonie aan het einde van een deel. Evenals bij Wagner verlopen de muzikale processen traag, waardoor de composities een lange tijdsduur kunnen hebben. Met Wagner deelde Bruckner ook een voorliefde voor de combinatie van het zwaargewicht van de koperblazers met een intens cantabile van de strijkers. Zijn orkest is echter, in tegenstelling tot dat van Wagner, klein. Bruckners invloed bleef beperkt; alleen Gustav Mahler heeft enkele stilistische kenmerken van hem overgenomen.

WERK: Instrumentaal: de Studiesymfonie (in f, 1863), de zgn. nulde symfonie (in d, 1863–1864, omgewerkt in 1869), 8 genummerde symfonieën: 1ste symf. in c (1866, omgewerkt tot 1891), 2de symf. in c (1872, omgewerkt tot 1876), 3de symf. in d (1873, omgewerkt tot 1889), 4de symf. in Es (1874, omgewerkt tot 1880), 5de symf. in Bes (1875, omgewerkt 1876), 6de symf. in A (1881), 7de symf. in E (1883), 8ste symf. in c (1884–1889), 9de symf. in d (onvoltooid, begonnen 1887); kleinere orkestwerken, o.a. Ouverture in g, marsen, dansen; kamermuziek: strijkkwartet (1862) en -kwintet (1879, omgewerkt in 1884); fragmenten van pianosonates. – Vocaal: Mis nr. 1 in d (voor koor, soli en ork., 1864, omgewerkt in 1882), Mis nr. 2 in e (8-stemmig koor en blaasork., 1866, omgewerkt in 1882), Mis nr. 3 in f (koor, soli, ork., 1868, omgewerkt in 1876 en 1881), Te Deum (1881–1884); kleinere kerkelijke werken en vele geestelijke en wereldlijke werken voor mannenkoor a cappella en met orkest.

UITG: Ges. Briefe, d. F. Gräflinger (1924); Ges. Briefe, Neue Folge, d. M. Auer (1924); L. Nowak (red.), Krit. Gesamt-Ausg. (1951 vv.).