| Zoekweergave | Boulez, Pierre | Terug |
Boulez, Pierre (Montbrison, Loire, 26 maart 1925), Frans componist en dirigent, studeerde exacte wetenschappen en sinds 1943 muziek bij Olivier Messiaen, voorts bij A. Vaurabourg, R. Leibowitz en Arthur Honegger. In 1946 werd hij muzikaal leider van de Compagnie M. Renaud-J.L. Barrault, in het kader waarvan hij Le Domaine Musical, een concertserie voor moderne muziek, oprichtte (1953). Hij doceerde bij de Darmstädter Ferienkurse, voorts te Basel en Tanglewood, was achtereenvolgens in Baden-Baden naast Rosbaud dirigent van het omroeporkest van de Südwestfunk, chef-dirigent van het BBC Symphony Orchestra (Londen, 1971–1974), en, als opvolger van L. Bernstein, van het New York Philharmonic Orchestra (1971–1978). In 1974 werd hij benoemd tot directeur van het ‘Institut de Recherche et de Coordination Acoustique-Musique’ (IRCAM) te Parijs, dat hem ter beschikking werd gesteld door de Franse regering en dat zich in korte tijd ontwikkelde tot het belangrijkste onderzoekcentrum voor nieuwe muziek ter wereld. Sinds de jaren zeventig is Boulez' productiviteit als componist aanzienlijk teruggelopen. De belangrijkste vrucht van vele jaren onderzoek bij het IRCAM is Répons, voor ensemble en elektronica. De laatste decennia is hij vnl. actief als dirigent. Hij maakte gezaghebbende opnamen van de muziek van o.a. Mahler en Webern.
Uitgaande van de twaalftoontechniek en van de vergaande implicaties daarvan voor de muzikale structuur in het werk van Webern, kwam Boulez al vrij vroeg in zijn loopbaan als componist tot een vorm van muziek waarin metrum, thema en verwerking plaats hebben moeten maken voor een integrale intervalstructuur, waarin het seriële aspect, de uit bepaalde reeksen van toonhoogten, toon- en rustlengten, dynamische schakeringen en timbres afleidbare wetmatigheden, een grote plaats inneemt. Hierin is het opvallend dat Boulez deze muziek definitief van haar expressionistische wortels heeft bevrijd en heeft geleid in een meer Latijnse richting die op Claude Achille Debussy is terug te voeren. Boulez' aristocratische en concessieloze muzikale en esthetische opvattingen – die hij, gedreven door een onbuigzame overtuiging, verdedigde – deden hem de personificatie van de seriële muziek in de jaren vijftig worden. Hij maakte trefzeker en met een verbluffende klankzin, gebruik van geraffineerde structuren. Hij paste aleatorische technieken toe (zie aleatoriek) zonder ooit tot de vergaande vrijheden te komen die door de Amerikaanse componisten werden toegepast. Bij Boulez zijn deze ten hoogste een flexibel onderdeel van een strenge orde. Zo is de adem van de zangeres in gedeelten van Pli selon pli doorslaggevend voor de duur van een frase. Boulez herziet zijn werken vaak en brengt soms zelfstandige composities onder in grotere werken. Bepaalde composities bestaan in verschillende versies, andere wachten op hun uitwerking.
WERK: Orkest: Figures, doubles, prismes (1958–1964, herz. 1968); Eclat (1964–1965; herz. 1971 tot Eclats/Multiples); Domaines (1968–1969; klar. en 21 instr. in 6 groepen); Rituel (1973); Notations I–IV (1978); Répons (1981–1984; 1ste en 2de versie: ork. met computer; 3de versie: ork.); Mémoriale (1985; fluit en ork.). – Piano: Trois psalmodies (1945); Notations (1946; bew. voor ork. 1978); Sonates I–III (1946; 1947–1948; 1955–1957); Structures (2 dln., 1952; 1956–1961; 2 piano's). – Kamermuziek: Sonatina (1964; fluit en piano); Strophes (1957; fluit); Domaines (1961–1968; klarinet); Pour le Dr. Kalmus (1969; 5. instr.); Messagesquisse (1977, 7 cello's); Dérivé (1984; 6 instr.); Mémoriale (...explosante-fixe... originel) (1985; fluit en instr. ensemble); Initiale (1987; koperseptet); Sur inciser (1995-1998; piano, 3 harpen, vibrafoons, marimba); Anthèmes II (1997; viool, elektronica). – Variabele bezetting: Explosante/fixe (1972). – Vocaal: Le soleil des eaux (1948; cantate, herz. 1957); Le visage nuptial (1950, sopr., tenor, bas, kamerork.); Le marteau sans maître (1953–1955; alt en 6 instr.; herz. 1957); Pli selon pli, portrait de Mallarmé (1958–1962; sopr. en ork.); ‘Cummings ist der Dichter’ (1970; koor/16 stemmen en 23 instrumenten). – Geschriften: Penser la musique aujourd'hui (1964); Relevés d'apprenti (1966; Eng. vert. Notes of an apprenticeship (1969); Werkstatt–Texte (1972); Anhaltspunkte (1975); J. Nattiez (red.), Points de repère (1981; heruitg. 1985).