Zoekweergave Berlioz, Hector

Je kunt een woord, naam of onderwerp in dit artikel vinden met behulp van de optie van de browser voor het zoeken binnen een pagina. Bij Internet Explorer vind je deze optie in het menu Bewerken.

Er wordt gezocht naar het exacte woord of de exacte zin die je hebt ingetypt. Als er niets wordt gevonden, kun je zoeken naar een trefwoord binnen het onderwerp of de spelling controleren van wat je hebt getypt.

Berlioz, Hector
Introductie

Berlioz, Hector, voluit: Louis Hector Berlioz (La Côte-St-André 11 dec. 1803 – Parijs 8 maart 1869), Frans componist en dirigent, een van de belangrijkste vertegenwoordigers van de Franse romantiek. Hij kreeg tijdens zijn leven in Frankrijk nauwelijks erkenning.

1. Leven

Berlioz begon op 13- of 14-jarige leeftijd te componeren nadat hij zonder piano de Traité de l'harmonie van Rameau had bestudeerd. Aanvankelijk zou hij evenals zijn vader medicus worden, maar onder de indruk van de opera's van Christoph Willibald (von) Gluck, werd hij leerling aan het conservatorium in Parijs, van o.m. Anton Reicha. Invloeden van literaire (Goethe, Shakespeare) en persoonlijke aard (liefde voor de actrice Harriet Smithson) leidden tot zeer persoonlijke muzikale concepties, zoals in de befaamde Symphonie fantastique (Épisode de la vie d’un artiste, 1830), waarin een ‘leidmotief’ wordt toegepast, dat Berlioz idée fixe noemt en dat in verschillende transformaties de diverse delen verbindt.

In 1830 kreeg hij de Prix de Rome, verbleef ca. twee jaar in Italië en huwde na zijn terugkeer in Parijs Harriet Smithson; de verbintenis zou in 1844 worden verbroken. De jaren dertig waren weinig succesvol. Berlioz' muziek werd beschouwd als excentriek en incorrect. Desondanks groeide het aantal composities. In 1834 ontstond Harold en Italie (naar Byron), een symfonisch werk met een altviool als ‘leidinstrument’, in 1837 voltooide hij de opera Benvenuto Cellini en het Requiem (Grande Messe des morts), voor een ongewoon grote bezetting, en in 1839 componeerde hij de op Shakespeare gebaseerde dramatische symfonie Roméo et Juliette, hiertoe aangespoord door een gift van 20 000 francs van Niccolò Paganini. In deze tijd ontwikkelde Berlioz zich tot een van Frankrijks beste dirigenten en werd hij, om in zijn levensonderhoud te voorzien, criticus, een beroep dat hij verafschuwde, maar waarin hij excelleerde. In 1841 werd zijn oeuvre uitgebreid met Les nuits d'été, zes liederen met pianobegeleiding op gedichten van Gautier, die later werden georkestreerd.

In 1843 publiceerde hij zijn beroemd geworden studie in orkestratie, de Grand traité d'instrumentation et d'orchestration modernes (bewerking door Richard Strauss, 1905). Gedurende de volgende twintig jaar maakte Berlioz vele succesvolle concertreizen naar het buitenland. In 1854 huwde hij de zangeres Marie Recio. Hij componeerde nog een aantal grote en belangrijke werken, zoals de concertopera La Damnation de Faust (1846), het oratorium L'enfance du Christ (1850–1854) en de opera Les Troyens (1856–1858) met een duur van vijf uur, die door Berlioz op verzoek van het Théâtre-Lyrique, dat de première bracht, in twee delen is gesplitst.

2. Werk

Berlioz' stijl behoort tot de meest originele van de 19de eeuw. Zijn lange, contrapuntisch verweven melodieën hebben onregelmatige fraselengtes en bevatten veel chromatiek. Superieur is zijn uiterst fantasievolle orkestratie. Berlioz had grote belangstelling voor nieuwe instrumenten als de saxofoon en de basklarinet. Ook experimenteerde hij met de ruimtelijke opstelling van groepen instrumenten. Muziek was voor hem onverbrekelijk verbonden met literatuur. Hij brak met de traditionele vormen en hanteerde een vrije vorm die veelal werd bepaald door programmatische ideeën.

WERK: (behalve de genoemde): Instrumentaal: ouvertures: Waverley (1828), Les Francs-juges (1826), Le roi Lear (1831), Rob Roy (1831), Le carnaval romain (1844) en Le Corsaire (1844); voorts: Rêverie et caprice (1841, viool en ork.). – Vocaal: Huit scènes de Faust (1829); Grande symphonie (1829); Lélio. Monodrame lyrique (1831); Symphonie funèbre et triomphale (1840); Te Deum (1849); Béatrice et Bénédict (komische opera, 1860–1862); cantates; liederen. – Geschriften: Voyage musical en Allemagne et en Italie (1847); Les soirées de l’orchestre (1852; nw. uitg. 1968; Eng. vert. 1956, 21973); Les grotesques de la musique (1859; nw. uitg. 1969); A travers chants (1862; nw. uitg. 1971); Mémoires (1870; Ned. vert.: H. Berlioz. Mijn leven, 2 dln., 1987).

UITG: H. Berlioz, A selection from his letters, d. H. Searle (1966). – Correspondance générale, d. P. Citron (2 dln., 1972, 1975).