| Zoekweergave | Benoit, Peter | Terug |
Benoit, Peter (Harelbeke 17 aug. 1834 – Antwerpen 8 maart 1901), Belgisch componist, pedagoog en dirigent, voorstander van de Vlaams-nationale muziekcultuur, voltooide zijn studies onder Fétis, behaalde de Prijs van Rome (1857) en werkte een jaar als dirigent aan de Bouffes-Parisiens in Parijs. Hij rustte niet alvorens de muziekschool te Antwerpen, waarvan hij in 1867 de leiding kreeg, tot Koninklijk Vlaams Conservatorium werd verheven (1898). Zijn (vooruitstrevend) Algemeen Leerplan (1900), dat de algemene culturele ontwikkeling van de conservatoriumleerlingen beoogt en een onderscheid maakt tussen creatieve en uitvoerende kunstenaars, vond pas vanaf 1970 in de Belgische conservatoria (gedeeltelijk) toepassing. Benoit postuleerde als componist en pedagoog het gebruik van de moedertaal en het belang van het volkslied als spiegel van de muzikale eigenschappen van een volk. Hoewel soms sentimenteel en hoogdravend (mede door de opgeschroefde teksten van o.a. E. Hiel), bereikte hij in de frescostijl die hem eigen is, ogenblikken van epische kracht, zoals in de Rubenscantate (1877) en het oratorium De Oorlog (1873). Benoits invloed is groot geweest. Het Peter Benoit-Fonds te Antwerpen, gesticht in 1902, gaf een groot gedeelte van de werken uit.
WERK: (behalve de genoemde): Instrumentale muziek: symfonische gedichten in concertotrant voor piano (1864) en voor fluit (1866); balladen, fantasieën en mazurka's voor piano. – Oratoria: Lucifer (1865, het enige geestelijke oratorium), De Schelde (1868), De Rijn (1889). – Cantates: De Leie (1875), De Wereld in (1878, kindercantate), De muze der geschiedenis (1880), Treur- en triomfzang of Conscience herdacht (1886). – Toneelmuziek: Charlotte Corday (1867), De Pacificatie van Gent (1876). – Geestelijke muziek: Kerstmis, Hoogmis, Te Deum, Requiemmis (1860–1863), Drama Christi (1871), Quadrilogie religieuse. – Liederen: o.m. de cyclus ‘Liefdedrama’ met orkest (1872).