Belgische muziek
Klik in het menu Bestand op Afdrukken om de gegevens af te drukken.
Belgische muziek
Introductie

Belgische muziek

1. Tot aan de 19de eeuw

De bijdrage van de Lage Landen tot het Gregoriaanse repertoire beperkt zich tot enkele lokale officies; niettemin waren er voorname theoretici als Jacobus van Luik (14de eeuw). Ook bloeide in aristocratische en sommige burgerlijke milieus de kunst van de Franse trouvères (o.a. Conon de Béthune, Gillebert de Berneville, Adam de la Halle). De oudste polyfone documenten – motetten uit de 14de eeuw – hebben nog geen eigen klank. Des te verrassender is de gaafheid van de 15de-eeuwse scheppingskracht, vrucht wellicht van een bloeiende kerkkoorpraktijk en degelijk onderricht aan de vele kathedraalscholen (het eerst te Luik, 1290). Overal, in het bijzonder in Italië, werd een beroep gedaan op musici uit de Lage Landen en tot ver in de 16de eeuw zullen de uitzwermende ‘Belgae’ of ‘Fiamminghi’ door hun leer en hun kunst de toon aangeven.

Ingeleid door de Luikenaar Ciconia (eind 14de eeuw), kwamen tijdens de 15de en 16de eeuw, de zgn. gouden eeuwen van de Nederlandse polyfonie, vijf generaties (de Nederlandse Scholen genoemd) aan het woord. De contrapuntische en harmonische techniek van hun missen, motetten en chansons gaat van de intieme en spiritualistische laat-gotiek tot de weelderige expressie van de laat-renaissance: Eerste School van 1430 tot ca. 1460: de ‘Bourgondische’ generatie van Dufay en Binchois; Tweede School tot ca. 1490: die van Ockeghem, Agricola en Busnois; Derde School tot ca. 1520: de tijd van de geniale Josquin des Prez met naast zich Obrecht, De la Rue, Isaac en Brumel; Vierde School tot ca. 1550: de volgelingen van Josquin: Willaert, Gombert, Cypriaan de Rore en Clemens non Papa. Intussen verloren de Nederlanden hun alleenheerschappij, maar niet hun meesterschap: de Vijfde School, aangevoerd door Lassus en de Monte, verwezenlijkte een grootse synthese van noordelijke en zuidelijke stijltendensen.

Na Lassus’ dood in 1593 verdwenen de ‘Belgae’ spoedig van het toneel. De polyfonie zelf werd overal verdrongen door de Italiaanse monodische stijl, waarin nieuwe vormen als opera, oratorio, sonate en concerto tot bloei kwamen. Hier zijn figuren als Dumont de Thier eerder zeldzaam. Het musicologische onderzoek leidde echter tot een herwaarderen van kleinere barokmeesters als Cornet, A. van den Kerckhoven en C. Hacquaert. Onder het Oostenrijks bewind won het muziekleven overal aan intensiteit, vooral te Brussel in St.-Goedele, aan het hof en in de Muntschouwburg. Weer kwamen componisten op met meer dan lokale faam, vooral in het instrumentale genre: Van Maldere, J.B. Louillet, H.-J. de Croes en Gossec. Verdienstelijke kerkmuziek schreven Ch.-J. van Helmont, P.-H. Bréhy en J.-H. Fiocco. De glorie van die tijd is de operacomponist Grétry.