Belgische architectuur en beeldende kunst
Klik in het menu Bestand op Afdrukken om de gegevens af te drukken.
Belgische architectuur en beeldende kunst
1. Architectuur

Uit de eerste eeuwen van de voor-romaanse periode (ca. 450–1000) is weinig bewaard gebleven. Voorbeelden van (zelden aangewende) steenbouwtechniek uit die tijd zijn: de Merovingische kerk van Aarlen (begin 6de eeuw), bestaande uit een rechthoekige beuk (18,10 m op 9,80 m) en een verlengd halfrond koor, en het abdijcomplex van Nijvel, met zijn drie kerken uit de 7de eeuw. Daarnaast werden, vooral in het noorden, waar steen schaars was, nog vele kerken in hout opgetrokken (o.a. te Grobbendonk, Roksem, Neder-Heembeek). Met de Karolingen (9de–10de eeuw) kende de Romeinse steenbouwtechniek een opmerkelijke heropleving; soms kregen de kerken een basilicaal grondplan of een crypte (Nijvel, Celles, Fosse, Landen en Ocquier). Het centrale plan van de Dom te Aken werd nagevolgd te Brugge, Muizen en Luik. In de burgerlijke bouwkunst dient de vesting Chèvremont te Vaux-sous-Chèvremont, bij Luik, te worden vermeld.

1.1 Romaanse bouwkunst

In de romaanse bouwkunst (1000–1200) van het Maasland (Maasromaans) werkte de Karolingische traditie verder door. De abdijkerk van Nijvel, waarbij de abdijkerk van Sint-Truiden nauw aansluit, heeft twee transepten en een westbouw. De grotere kerken bezitten een kruisbeuk (Borgloon, Kumtich, Celles, Hastière, Mousty); de kleinere zijn transeptloos (Bertem, Vossem, Oudergem, Waha, St.-Pieterskerk te Sint-Truiden). De westtoren is regel. Eind 12de, begin 13de eeuw kwamen enkele monumentale westbouwen tot stand (Ste-Gertrude te Nijvel, St-Barthélemy en St-Jacques te Luik, St.-Germanus te Tienen, Aldeneik); uitzonderlijk is de ronde grafkapel met crypte van de St.-Pieterskerk te Leuven. Twee kloosterpanden bleven behouden: Tongeren en Nijvel. In het Scheldegebied was de kruiskerk met middentoren het gebruikelijke type. In tegenstelling tot het Maasland zijn er weinig crypten, daarentegen verscheidene tribunes. Het belangrijkste gebouw is de kathedraal van Doornik; verscheidene elementen (buitenloopgang, tribunes, vieringstoren) zijn typisch geworden voor het Schelderomaans. Tot de burgerlijke bouwkunst behoren huizen te Gent en te Doornik en het oorspronkelijke St.-Janshospitaal te Brugge; tot de militaire bouwkunst het Gravensteen te Gent, de Tour de Burbant te Aat, de eerste stadsomheining te Leuven en te Brussel.

1.2 Gotische stijl

De vroegste kerken in gotische stijl (1200–1525) werden door de cisterciënzers gebouwd: ca. 1180 Orval, later Villers, Aulne, de Duinenabdij. Kort daarop werd de vierledige opstand van de Doornikse kathedraal in vroeg-gotische stijl omgezet in de St.-Donatiaankerk te Brugge, in de St.-Leonarduskerk te Zoutleeuw en in de St.-Niklaaskerk te Gent, de eerste kerk in Scheldegotiek. De bouw van het koor van de kathedraal van Doornik (midden 13de eeuw) bracht de klassieke gotiek binnen en beïnvloedde de koren van de St.-Niklaaskerk te Gent, de O.-L.-Vrouwkerk en de St.-Salvatorskerk te Brugge. De hallenkerk, omstreeks dezelfde tijd te Damme tot stand gekomen, bleef typisch voor het kustgebied. De voornaamste regionale school is echter de Brabantse, ontstaan in de 14de eeuw. Tot de vroegste voorbeelden behoren de koren van de St.-Romboutskerk te Mechelen en de O.-L.-Vrouwkathedraal te Antwerpen; tot de fraaiste O.-L.-Vrouw te Halle, St.-Pieter te Leuven, St.-Gummarus te Lier en Ste-Waudru te Bergen. Het architectengeslacht Keldermans speelde een voorname rol bij de ontwikkeling van de Brabantse gotiek.

De oorspronkelijkste scheppingen van de gotiek behoren tot de burgerlijke bouwkunst. Hallen en belforten (13de–14de eeuw), schepenhuizen en stadhuizen (13de–16de eeuw) getuigen van de macht van de steden. Talrijke steden (o.a. Brugge) bezitten nog gotische huizen; kastelen komen eveneens nog vrij veel voor, hospitalen en stadsversterkingen minder.

1.3 Renaissancestijl

Elementen van de renaissancestijl (1520–1600, zie renaissance) werden het eerst bij laat-gotische gebouwen toegepast (prinsbisschoppelijk paleis te Luik), maar reeds in 1515 bij de intocht van Karel V te Brugge waren triomfbogen in de nieuwe stijl opgebouwd. In dezelfde stad werd in 1528 begonnen met de bouw van de Schouw van 't Vrije en in 1534 met de Burgerlijke Griffie (nog met gotische elementen). Omstreeks het midden van de 16de eeuw kwam de zuivere renaissancestijl, waarvan Cornelis Floris de Vriendt de vertegenwoordiger is, met o.a. het stadhuis te Antwerpen. In die geest zijn ook het Bisschoppenhof te Oudenaarde en de Lakenhal te Doornik opgetrokken. In het Landhuis te Veurne is de meer versierde stijl van Vredeman de Vries nawijsbaar.

1.4 Barok

In het begin van de 17de eeuw bracht W. Cobergher de barok binnen (kerk der Ongeschoeide Karmelieten te Brussel, Scherpenheuvel, Bergen van Barmhartigheid te Gent en te Doornik). Het schema van Franckaerts Jezuïetenkerk te Brussel inspireerde broeder Huyssens voor St.-Walburga te Brugge en St-Loup te Namen. Huyssens en Aguillon bouwden de St.-Carolus-Borromaeuskerk te Antwerpen (met binnengalerijen). Uit de tweede helft van de 17de eeuw zijn te vermelden: St.-Michiel te Leuven (Hesius), O.-L.-Vrouw van Hanswijk te Mechelen (Faydherbe) en de abdijkerken van Ninove, Averbode en Grimbergen.

1.5 Classicisme

Uit de tweede helft van de 18de eeuw dateren de classicistische kathedraal van Namen, St.-Jacob-op-den-Koudenberg te Brussel en de abdijkerk van Vlierbeek (deze laatste van Dewez, die ook het kasteel van Seneffe bouwde) (zie classicisme). De burgerlijke bouwkunst bleef tamelijk traditioneel (Palais Curtius te Luik, gildehuizen te Brussel en te Antwerpen). Bekende architecten omstreeks het midden van de 18de eeuw, die in een naar het rococo neigende classicistische stijl werkten, waren J.P. van Baurscheit de Jonge (koninklijk paleis en huis Osterrieth te Antwerpen, stadhuis te Lier) en D. 't Kindt (Corps de Garde en Hotel Oombergen, beide te Gent). Classicistisch is het paleis van Karel van Lotharingen te Brussel (J. Faulte) en de wat jongere heropbouw van de Brusselse bovenstad (B. Guimard).

In het begin van de 19de eeuw vond het neoclassicisme, de stijl van het postrevolutionaire Franse rationalisme, toepassing in verscheidene openbare gebouwen, vooral theaters, zoals de Koninklijke Muntschouwburg te Brussel (1817–1819; verbouwd in 1986) door L. Damesme, het Théâtre Royal Français (later, tot 1980, Koninklijke Nederlandse Schouwburg) te Antwerpen (1829–1834) door P. Bourla, het theater van Luik (1826–1830) door A. Dukers en dat van Doornik (1824) door B. Renard. Deze laatste ontwierp vermoedelijk ook het opmerkelijke industriedorp Le Grand Hornu (1820–1832) in opdracht van de ‘verlichte’ industrieel H. De Gorge. Te Brussel bouwde H. Partoes een aantal rusthuizen, waarvan slechts het belangrijkste, het Hospice Pachéco (1824–1826), bewaard is gebleven. Het grootste neoclassicistische complex is de Universiteit te Gent (1818–1826) door L. Roelandt.

1.6 Eclecticisme

Na de Julirevolutie, waardoor de bourgeoisie haar macht versterkte, geraakte deze sobere stijl in diskrediet en ving de ontwikkeling aan van het eclecticisme, een ‘rijker’ samenstel van stijlen dat het burgerlijke leven luister moest bijzetten. Dit is reeds merkbaar in het volgende werk van Roelandt, het Justitiepaleis (1835) en de Opera (1840) van Gent, die hij uitvoerde in neorenaissance. In dezelfde stijl bouwde ook J.P. Cluysenaar de Cité te Antwerpen (1843; afgebroken) en de fraaie St.-Hubertusgalerijen te Brussel (1846). De eclectici beperkten zich niet tot de diverse stadia van de renaissance, maar grepen spoedig terug naar zowat alle stijlen uit het verleden, waarvan ze in een verder stadium de meest geschikte elementen selecteerden om er nieuwe ensembles mee op te bouwen, vaak beantwoordend aan nieuwe programma's. Dit wordt o.m. geïllustreerd door de verdere ontwikkeling van Cluysenaar, die zijn verschillende gebouwen (kerken, theaters, spoorwegstations, landhuizen, enz.) steeds in andere stijlcombinaties wist in te kleden. Het gebruik van neostijlen werd met allerlei betekenissen verbonden. In het algemeen associeerden deze stijlen de opgang van de bourgeoisie met de bloeitijdperken van de westerse geschiedenis. Zo voerde J. Schadde de Nieuwe Handelsbeurs van Antwerpen uit in neo-Venetiaanse gotiek (1869–1872). Sommige stijlen werden geëigend geacht voor bepaalde functies: zo werden de gevangenissen vaak uitgevoerd in Tudorstijl (vanwege zijn gestrengheid), officiële gebouwen volgens een variant van de renaissance (bijv. de Brusselse Beurs; 1873 voltooid door L.P. Suys) en de kerken in een van de middeleeuwse stijlen. Opmerkelijke voorbeelden hiervan zijn: de Koninklijke St.-Mariakerk te Schaarbeek (1845; neo-Byzantijns), door L. Van Overstraeten, de St.-Bonifaciuskerk te Elsene (1847–1857, neogotisch), door J.J. Dumont, en de St.-Joriskerk te Antwerpen (1847–1852; neogotisch), door L.P. Suys. De neogotiek vond een vurig verdediger in J.B. de Béthune, die o.a. de abdij van Maredsous ontwierp, de Sint-Lukasscholen oprichtte en een belangrijke rol speelde in de ideologische strijd tussen de aanhangers van neogotiek en neorenaissance, die deze stijlen voorstonden als de uitdrukking van een christelijk resp. laïcistisch wereldbeeld. De confessionele en de officiële scholen die naar aanleiding van de Schoolstrijd van de jaren 1870 tot stand kwamen, worden duidelijk door deze tegenstelling getekend. Wanneer het eclecticisme terugging naar vormen uit het eigen verleden, werd er meestal een nationalistische betekenis aan gehecht. Dit geldt bijv. voor de neo-Vlaamse renaissance van H. Beyaert in de Nationale Bank te Antwerpen (1875–1879), en van J. van IJsendijck in het Stadhuis van Schaarbeek (1885–1887) en het Zuidstation van Antwerpen (1896–1898; afgebroken).

Een van de imposantste gebouwen van de 19de eeuw is het Brusselse Justitiepaleis (1866–1883), waarin Joseph Philippe Poelaert zowat geheel het antieke vormenarsenaal aanwendde om het staatsgezag met een soort van absolute monumentaliteit te bekrachtigen. Het meest verfijnde eclecticisme vertoont het neoklassieke gebouw van de Koninklijke Musea voor Schone Kunsten van België te Brussel (1875–1880) van A. Balat, die ook de koninklijke serres te Laken (1874–1893) ontwierp. Samen met het gave slachthuis van Anderlecht (1889), door E. Tirou, behoren ze tot de meest geslaagde ingenieursconstructies. Een opmerkelijke synthese van ingenieursconstructie en eclecticisme treft men aan in het Centraal Station van Antwerpen, gebouwd tussen 1895 en 1905 door L. de la Censerie. Het eclecticisme kende zijn meest uitbundige celebratie op residentiële schaal, met name in de Cogels-Osybuurt te Berchem, die door architecten als J. Bascour, E. Stordiau en E. Dieltiens als een staalkaart van neostijlen werd opgebouwd.

1.7 Art nouveau

Als reactie tegen het eclecticisme ontwikkelden Victor Horta, P. Hankar en Henry Clemens van de Velde in de jaren 1890 de art nouveau. Zij verwierpen de 19de-eeuwse mengvormen, die zij als uitgeholde formules beschouwden, en vooral Horta creëerde met de bouw van een aantal hôtels (o.a. Tassel, Solvay) en het Volkshuis te Brussel (1896–1899; 1965 afgebroken) een geheel nieuwe en als dusdanig internationaal erkende stijl, die teruggrijpt naar de vormen van de natuur, en met een ruimteopvatting die verwijst naar een nieuwe dynamische relatiestructuur. In het begin van de 20ste eeuw kende de art nouveau nog veel navolging in de meeste Belgische steden, maar daar deze stijl steunde op het verfijnde werk van ambachtslieden, dat naargelang maatschappelijke hervormingen tot stand kwamen steeds minder betaalbaar werd, moest hij ca. 1910 plaatsruimen voor een eenvoudiger en realistischer stijl: het romantisch rationalisme van Antoine Pompe, F. Bodson en F. Bochoms.

1.8 Romantisch rationalisme, expressionisme en functionalisme

Deze overgangsstijl, die het midden houdt tussen Berlage en het expressionisme en die werd ingezet door Pompes orthopedische kliniek te Sint-Gillis (1910), werd na de Eerste Wereldoorlog opgevolgd door het milde expressionisme van L. François en J.J. Eggericx te Brussel, E. Van Steenbergen, J. Huygh, F. van Reeth en P. Smekens te Antwerpen. Huib(recht) Hoste, V. Bourgeois en L.H. de Koninck, die aanvankelijk ook in deze stijl werkten, ontwikkelden zich in het begin van de jaren twintig tot protagonisten van het functionalisme. Hoste, die tijdens de oorlog contacten had met de Stijlgroep, bouwde de arbeiderswijken Klein Rusland te Zelzate (1921–1923) en Kapelleveld te Woluwe (1923–1926). Bourgeois ontwierp de Cité moderne te Sint-Agatha-Berchem (1922–1925), waarbij de nieuwe stijl nauw met het socialisme werd geassocieerd. Dit was minder expliciet in de individuele woningen die L.H. de Koninck te Ukkel bouwde, hoewel hij vooral in zijn woning Lenglet (1926) het functionalisme in België tot de meest zuivere expressie heeft gebracht. De maatschappelijke intenties blijken het duidelijkst uit het visionaire project van de Antwerpenaar L. Schillemans voor een utopische, communistische type-stad van 30 miljoen inwoners (1928–1930). Anderzijds werden de meest opmerkelijke tuinwijken, Le Logis en Floréal te Watermaal-Bosvoorde (1921–1928), niet uitgevoerd in het functionalistisch idioom, maar naar het model van de Engelse Garden City, met verbeelding geïnterpreteerd door Louis Martin van der Swaelmen en J.J. Eggericx. In de jaren dertig vond het functionalisme nieuwe vertegenwoordigers in G. Eysselinck, M. Leborgne en L. Stijnen, resp. werkzaam te Gent, Charleroi en Antwerpen. De stijl kreeg meteen een meer voornaam, burgerlijk accent, vooral in het werk van Stijnen, die behalve de Elsdonckappartementen te Wilrijk (1933–1934) ook het casino te Knokke ontwierp (1928–1929; later verbouwd). Eysselinck wist in zijn belangrijkste werk, de Post van Oostende (1939–1948), het functionalisme te laden met een indrukwekkende monumentaliteit. Een vergelijkbare intentie blijkt uit het werk van de latere Henry Clemens van de Velde, die naast diverse woningen, de Universiteitsbibliotheek van Gent ontwierp (1936–1940). Te Antwerpen realiseerden o.a. E. van Steenbergen, G. Brosens en H. Hoste op de vrijgekomen gronden van de Wereldtentoonstelling van 1930 een aantal opmerkelijke residentiële ensembles. Anderzijds bouwde A. Francken aan het Stuyvenbergplein en aan de Geelhandlaan volkswoningbouwcomplexen naar Nederlands model. Anders dan in Nederland echter, waar de moderne architectuur spoedig algemeen ingang vond, behield ze in het liberale België een marginaal karakter.

1.9 Na de Tweede Wereldoorlog

Vlak na de Tweede Wereldoorlog werden de wederopbouw en de uitbouw van het woningbestand in hoofdzaak uitgevoerd door het privéinitiatief, dat hiertoe van overheidswege gestimuleerd werd: een planloos beleid dat gaandeweg tot een grondige transformatie van het landschap leidde. Slechts een klein aantal architecten kwam ertoe bewust architectuur te bedrijven en een eigentijdse stijl te ontwikkelen: o.a. Renaat Antoon Braem, R. Bastin, J. Dupuis, A. Bontridder, P. Callebout, A. Jacqmain en J.P. Blondel. Braem was (met Maeremans en Maes) de ontwerper van het Kiel te Antwerpen (1950–1954) en van de Cité modèle te Brussel (1950–1954; met Coolens, L’Equerre, Structures, Panis en Van Doosselaere) en (met De Mol en Moerkerke) van de wijk St.-Maartensdal te Leuven (1957). De Plaine de Droixhe te Luik (1956–1969) werd ontworpen door de groep EGAU. Ook te vermelden is de EGKS-woning van W. Vandermeeren en L. Palm, een prototype van een uiterst goedkope geprefabriceerde woning, die echter weinig toepassing vond. Voorbeelden van religieuze architectuur zijn de diverse kerken en kapellen van Bastin en het Clarissenklooster te Oostende (1957) van P. Felix. In de jaren zestig trad Marc Dessauvage op de voorgrond als de bouwer van een aantal ‘geseculariseerde’ kerken. Door de Wereldtentoonstelling 1958 veranderde de houding van het publiek en de overheid ten opzichte van de moderne architectuur. Ontdaan van haar oorspronkelijke intenties werd de architectuur echter veelal beschouwd als een nieuwe vorm van representatie en in de steden werd ze vaak een middel tot legitimatie van drastische en grootschalige ingrepen. De architecten die in de jaren zestig en zeventig op de voorgrond traden, waren o.a. André Jacqmain, Charles Vandenhove, L. Kroll, J. Tanghe, M. Dessauvage, G. Baines, P. Schellekens, B. van Reeth, W. Serneels, M. Culot, P. van Aerschot. Tot de meest opvallende realisaties van deze periode behoort een aantal universitaire ensembles: de restauratie van het Groot Begijnhof te Leuven door R. Lemaire (1964–1971), de universitaire campus Sart Tilman bij Luik (1960), gecoördineerd door O. Strebelle en met diverse bouwwerken van Bastin, Jacqmain, Vandenhove e.a., de medische campus van de Université Catholique de Louvain te Sint-Lambrechts-Woluwe met de ‘anarchistische’ woonstructuur van Lucien Kroll en de universitaire ‘new town’ Louvain-la-Neuve, waarbij werd beoogd vanuit de gedifferentieerde inbreng van een aantal bekende Franstalige Belgische architecten, gecoördineerd door R. Lemaire, een nieuw stadsweefsel op te bouwen.

1.10 Postmodernisme

Eind jaren zeventig, begin jaren tachtig, onderging de architectuur door de opgang van een postmoderne beweging een grote verandering. Zo werden de banden met de geschiedenis weer opgenomen en kwam zowel de Italiaanse renaissance als het modernisme uit de jaren dertig opnieuw in de belangstelling. In België lag de nadruk vooral op de privéwoningbouw, representatief zijn o.m. het Hôtel Torrentius te Luik (1979) door Charles Vandenhove, de woning De Wachter te 's-Gravenwezel (1983–1985) door J. Crepain, de woning Van Pelt te Zoersel (1985–1987) en de woning Van Roosmalen te Antwerpen (1985–1988) door de werkgroep A.W.G. In de sector van de sociale woningbouw zijn het renovatieproject ‘Hors-Château’ (1978) door Ch. Vandenhove en het complex ‘Le Bernalmont’ (1980) door P. Arnould (beide te Luik) te vermelden. In Vlaanderen kregen de wedstrijden uitgeschreven door het ministerie van Huisvesting weinig respons. Het architecturaal bewustzijn groeide vooral door enkele privéinitiatieven, zoals de wedstrijden voor de filialen en gewestelijke zetels van de spaarbank BAC. In het Luikse werd terzelfder tijd een eigen architectuurtaal ontwikkeld, waarbij naast het werk van B. Albert, J. Séquaris en J. Berhaut-Streel, het Universitair Medisch Centrum te Sart Tilman (1962–1987) door Ch. Vandenhove en de Banque de Société Générale te Verviers (1981–1983) door E.J. Fettweiss tot de grotere realisaties behoren. Controversieel en veelbesproken omwille van de vormgeving zijn de twee complexen door het atelier ‘Grand Hornu’: de sociale woningen te Hornu (1977–1984) en het Institut psychiatrique te Wasmes (1981–1984). Tijdens deze periode werd het aantal studenten en afgestudeerden aan de instituten groter en kreeg ook de interieure ruimte meer aandacht. Efemere architecturen zoals winkels, galerieën en tentoonstellingsconcepten, voornamelijk in grote steden, bepaalden mee het beeld van de jaren tachtig. Deze ontwikkeling liep parallel met de recente ontwikkelingen in de beeldende kunst en in de mode. De integratie van de beeldende kunst in de architectuur is opvallend in het Koninklijk Salon van de Muntschouwburg te Brussel (1985–1986) en in de interventies in de woning Mys te Oudenaarde (1985–1988) door P. Robbrecht en H. Daem. De laatsten verbouwden aan het eind van het millennium voor het bedrijf Katoen Natie een aantal pakhuizen tot een groot, modern kantoor, waarbij de nieuwe elementen als trappenhuis en hoofdentree zijn verzelfstandigd door ze in maatvoering en materiaal sterk te laten afwijken van de oude pakhuizen. Een nouveauté is de in 2000 door Wim Cuyvers in Gits gebouwde glazen stolp die een vrijstaand woonhuis, in houtskeletbouw uitgevoerd, omsluit.