| Belgische architectuur en beeldende kunst | Terug | ||||
| Klik in het menu Bestand op Afdrukken om de gegevens af te drukken. | |||||
| 3. Schilderkunst |
Traditioneel onderscheidt men in de schilderkunst in België, die van oudsher bekend is onder de naam Vlaamse kunst, twee grote eeuwen: de 15de eeuw, als de Eeuw van Van Eyck, en de 17de eeuw, als de Eeuw van Rubens. Bruegel geniet daarbij als buitenbeentje van de 16de eeuw een even grote reputatie. De oudst bewaarde fresco's (kathedraal van Doornik, refter van de St.-Baafsabdij, Gent) dateren uit de 12de eeuw. De gotische schilderkunst bracht in Vlaanderen en Brabant, evenals in Frankrijk en Italië, verfijnde, hoofse voorstellingen, echter aansluitend bij de internationale stijl. In die sfeer ontwikkelde zich een bloeiende miniatuurkunst die tot in de 16de eeuw werk van zeer hoge kwaliteit zou leveren (zie miniatuur [beeldende kunst] 1). Pas ca. 1400 kreeg de Vlaamse schilderkunst een meer eigen karakter, o.a. bij de Ieperling Melchior Broederlam, en evolueerde zij naar een groter realisme en een grotere kleurenrijkdom. De 15de eeuw werd de eerste bloeiperiode van de Vlaamse schilderkunst. Tot de Vlaamse Primitieven behoorden o.a. de gebroeders Hubert en Jan van Eyck, die resp. vooral te Gent en te Brugge werkzaam waren. Jan van Eyck wist o.m. de olieverfschildertechniek op een revolutionaire wijze tot verfijning te brengen, wat hem de reputatie van uitvinder van deze techniek bezorgde. Zijn enige volgeling, de uitstekende kolorist Petrus Christus, was eveneens te Brugge werkzaam. De officiële schilder van de stad Brussel in de eerste helft van de 15de eeuw was Rogier Rogier van der Weyden, afkomstig uit Doornik en leerling van Robert Campin. Hij kende heel wat navolging. Naast Brugge en Brussel was Leuven een belangrijk centrum, waar de van Haarlem afkomstige Dieric Bouts opdrachten voor de stad vervulde. Te Gent was Joos van Wassenhove werkzaam en na hem vnl. Hugo van der Goes, die vernieuwing bracht door zeer realistische volkstypes in zijn godsdienstige taferelen te plaatsen. In de tweede helft van de eeuw waren de belangrijkste schilders Hans Memling en Gerard David, welke laatste reeds renaissance-elementen in zijn werk vermengde.
| 3.1 Italianisme |
Daar de invloed van de Italiaanse renaissance bij de overgang van de 15de naar de 16de eeuw de Vlaamse kunst slechts aan de oppervlakte beroerde en deze in de grond nog traditioneel bleef, ontstond een dualistische, hybridische stijl. Antwerpen, dat als handelsmetropool de plaats van Brugge ingenomen had, werd ook het artistieke centrum van de Nederlanden. In deze sfeer zijn de Antwerpse maniëristen te situeren, die vnl. voor export schilderden. Hun stijl is laat-gotisch, hybridisch met renaissance-ornamenten vermengd. De Italiaanse renaissance-idealen burgerden zich slechts trapsgewijs per generatie in, aanvankelijk enkel naar de vorm en pas later ook op het kunsttheoretische vlak. Te Antwerpen was de vooraanstaande figuur rond de eeuwwisseling Quinten Matsys, wiens voorbeeld werd gevolgd door de landschapschilders Joachim Patinir Joachim en Herri met de Bles, beiden uit de Maasvallei afkomstig. Ook Lucas Gassel sluit aan bij die groep. Te Brugge was de renaissancestijl nog enigszins vermengd met de geest van de Vlaamse Primitieven, o.a. in de werken van Jan Provoost, Ambrosius Benson en Adriaen Isenbrant. De grote baanbrekers van het italianisme waren Jan Gossaert, die na zijn Italiëreis zijn beschermheer Filips van Bourgondië o.m. naar Utrecht volgde, Barend van Orley te Brussel en Lambert Lombard te Luik. Te Brugge vertegenwoordigde Lanceloot Blondeel de nieuwe richting. Met Pieter Coecke van Aelst, die te Antwerpen werkzaam was, werd een verdere stap gezet in de integratie van de Italiaanse renaissance. Met de generatie die zich rond de helft van de 16de eeuw ontpopte, werd het maniërisme geïntegreerd. De belangrijkste vertegenwoordiger was de Antwerpenaar Frans Floris de Vriendt, wiens kunst, geïnspireerd op Italiaanse voorbeelden, lange tijd toonaangevend was; hij was tevens een groot portrettist, evenals zijn tijdgenoot Antonio Moro. In Brugge vertegenwoordigde Pieter Pourbus deze generatie, waartoe ook Pieter Bruegel de Oudere behoort. Deze was werkzaam in Antwerpen en Brussel en neemt een bijzondere plaats in met de wijze waarop hij zijn genreschilderkunst tot een ongeëvenaard niveau van universele kunst wist te verheffen. De daaropvolgende generatie, met Antwerpen als centrum, wordt beheerst door leerlingen en volgelingen van Floris: de vroeg gestorven Frans I Pourbus, Crispijn van den Broeck, Jacob de Backer en vooral Maarten de Vos. In een maniëristische trant werkten ook Hendrik de Clerck en de schilders van de familie Francken: Ambrosius, Hiëronymus en Frans I. Op het einde van de 16de eeuw beoefenden Otto Cornelisz. van Veen en Adam van Noort, de Antwerpse leermeesters van Rubens, een academisch maniërisme, waarmee Rubens zou breken. In de loop van de 16de eeuw had ook de genrekunst haar eigen bestaansrecht verworven.
Rond de eeuwwisseling en in het begin van de 17de eeuw bloeiden de portretkunst (zie portret) met Frans Pourbus de Jonge, de kabinetschilderkunst met de zonen van Pieter Bruegel de Oudere, Pieter II en Jan Bruegel, de landschapschilderkunst met Gillis van Coninxloo, Paulus Bril en Joos de Momper en de genreschilderkunst (zie genrestuk) met Frans Francken de Jonge en Sebastiaan Vrancx.
In de 17de eeuw trad de Vlaamse schilderkunst in haar tweede bloeiperiode. Abraham Janssens vestigde zijn roem met een monumentale, bij Caravaggio aanleunende stijl.
| 3.2 Vlaamse barok |
De geniale schepper van de Vlaamse barokschilderkunst was Peter Paul Rubens, die erin slaagde een zeer persoonlijke interpretatie te geven van de Europese barok; hij bracht hoofdzakelijk een heroïsche, levensblije en zinnelijke kunst. Antoon van Dyck, zijn begaafdste leerling, had een aangeboren zin voor elegantie en verfijning en was een uitmuntend portrettist. Jacob Jordaens, de andere grote volgeling van Rubens, was volkser en realistischer; na zijn meester was hij degene die de oorspronkelijkste en rijkste fantasie vertoonde. Naast deze drie meesters zijn te vermelden: Gaspar de Crayer, Theodoor van Loon, Gerard Seghers, Theodoor Rombouts, Abraham van Diepenbeeck, Theodoor van Thulden, Erasmus Quellinus, Jan van den Hoecke, Frans Wouters en Theodoor Boeyermans, bijna allen leerlingen en medewerkers van Rubens. Een bloeiende kunstmarkt gaf tevens bestaansmogelijkheid aan tal van kleinere meesters of specialisten in hun genre.
Het bewogen barokke landschap werd vnl. beoefend door Jan Wildens, Lucas van Uden, Alexander Keirinckx, Lodewijk de Vadder en Jacques d'Arthois; Jan Siberechts was een zeer belangrijk landschapschilder in de tweede helft van de 17de eeuw. De 17de eeuw heeft voortreffelijke stillevenschilders (zie stilleven) voortgebracht: Paul de Vos, Jan Fijt, Pieter Boel en vooral Frans Snijders; Daniel Seghers muntte uit in het schilderen van bloemstukken. De portretkunst vond nog in Cornelis de Vos een uitzonderlijk vertegenwoordiger.
Voorts zijn te noemen de geniale Adriaen Brouwer, die evenals Bruegel de genreschilderkunst beoefende als een schilderkunst van hogere rang, en David II Teniers, die eveneens internationale faam verwierf met zijn pittoreske genretaferelen.
| 3.3 De 18de eeuw |
De 18de eeuw bracht geen schilders van formaat voort. Grote composities werden minder gewild; de enigen die in dit genre werk van enig belang verrichtten, waren Balthasar Beschey en vooral zijn leerling Pieter-Jozef Verhaeghen, die voor kloosters en kerken werkte. De genreschilderkunst werd in de Tenierstraditie voortgezet en met succes beoefend door Jan-Jozef I Horemans en zijn zoon Jan-Jozef II Horemans, in de tweede helft van de 18de eeuw door Jan-Anton Garemijn te Brugge, de Van Rijschoots te Gent en Leonard Defrance te Luik.
Zeer in de mode was de decoratieve grisaille schilderkunst. Intussen hadden in de verscheidene steden de academies voor beeldende kunsten (waarvan de stichting soms teruggaat tot de 17de eeuw) als instelling vaste vorm gekregen. Naast de stijlvormen die teruggingen op de Franse modekunst zou het neoclassicisme ook stilaan veld winnen (bijv. met A.C. Lens). Een aparte plaats neemt de activiteit van deze schilders in, die in het kader van hun academische vorming in Italië en meer bepaald te Rome werkten of er verbleven, o.a. Jan F. van Bloemen, H.F. van Lint.
| 3.4 Classisme, impressionisme, realisme, expressionisme en symbolisme |
In het begin van de 19de eeuw heerste het classicisme, vertegenwoordigd door o.a. François-Joseph Navez, J.D. Odevaere en Jozef Paelinck. Na 1830 brak de romantiek door met Gustave Wappers en zijn tijdgenoten Nicaise de Keyser, Ernest Slingeneyer, Edouard de Bièfve, Louis Gallait en Antoine-Joseph Wiertz, die wegens het geheimzinnige en dikwijls macabere karakter van zijn werk eigenlijk als een afzonderlijke figuur kan worden beschouwd. Henri Leys is belangrijk wegens zijn historische taferelen in neoklassieke stijl en als voorloper van het realisme (vooral in zijn portretten). De belangrijkste realistische schilders waren de dierenschilders Joseph Stevens, Alfred Verwee en Karel Verlat, de landschapschilders Hippolyte Boulenger, Franz Courtens en Louis Artan de Saint Martin, en sociaal gerichte kunstenaars als Charles de Groux en Constantin Meunier. Jan Stobbaerts is van betekenis als schilder van naturalistische stalinterieurs. Het realisme bereikte zijn hoogtepunt met de sfeervolle, intieme interieurs van Henri de Braekeleer. Op het einde van de 19de eeuw werd het impressionisme naar het Franse voorbeeld gevolgd door Georges Buysse, Emiel Claus, Theo van Rysselberghe en Auguste Oleffe. In de overgang van impressionisme naar expressionisme verscheen James Ensor als een schilder van Europese betekenis. Daarnaast waren Willem Degouve de Nuncques, Jan Delville, Léon Frédéric en vooral Fernand Khnopff van belang als wegbereiders van het symbolisme in België.
Schilders als Henri Evenepoel en Jacob Smits waren betekenisvol voor de evolutie omstreeks de eeuwwisseling, omdat zij de invloed van het Franse impressionisme op persoonlijke wijze wisten te verwerken.
| 3.5 Latemse school |
Omstreeks 1900 ontstond in het dorp Sint-Martens-Latem een kunstenaarskolonie (de zgn. Latemse School). Van een eerste groep Latemse kunstenaars was de symbolist Gustave van de Woestijne de belangrijkste figuur. Tussen 1905 en 1910 vormde zich een tweede groep (met o.a. Albert Servaes, Frits van den Berghe, Gustaaf de Smet, Constant Permeke), die de grondslag legde voor het Vlaams expressionisme. Verwant aan deze strekking waren: Léon Spilliaert, Edgar Tytgat, Jean Brusselmans, Hippoliet Daeye en Floris Jespers. Kort na de Eerste Wereldoorlog ontstond de niet-figuratieve schilderkunst met Georges Vantongerloo, Joseph Lacasse, Jozef Peeters, Victor Servranckx, Felix de Boeck en Paul Joostens (zie abstracte kunst). Naast het expressionisme trad tussen de twee wereldoorlogen het animisme op met o.a. Albert van Dyck. Het Franse surrealisme vond in België een opmerkelijke weerklank met kunstenaars als René Magritte, Paul Delvaux en Eduard Mesens. In 1945 werd de groep Jeune peinture Belge (Jonge Belgische Schilderkunst) opgericht, met o.a. Anne Bonnet, Marc Mendelson, Antoine Mortier, Luc Peire, René Guiette, Gaston Bertrand en Louis van Lint. Vanaf 1948 manifesteerden Pierre Alechinsky en Christian Dotremont zich als de belangrijkste Belgische vertegenwoordigers van Cobra. Engelbert van Anderlecht en Serge Vandercam beoefenden omstreeks 1955 de ‘peinture partagée’.