| België | Terug | ||||
| Klik in het menu Bestand op Afdrukken om de gegevens af te drukken. | |||||
| 2. Bevolking |
De Belgische bevolking draagt geen duidelijk omlijnde somatische kenmerken. De vermenging van het noordse en het alpiene type is sterk voortgeschreden. Oorspronkelijk stamt de bevolking van het noordelijke landsgedeelte af van Kelten en Germaanse volksstammen (Franken), die behoorden tot het noordse type, terwijl in het zuidelijke landsdeel de nazaten van de neolithische bevolking, behorende tot het alpiene type, zich gedeeltelijk konden handhaven. Daarnaast komen hoofdzakelijk in het noordelijke landsgedeelte plaatselijk vertegenwoordigers van het mediterrane type voor, nl. afstammelingen uit de Spaanse periode (16de–17de eeuw).
| 2.1 Samenstelling en spreiding |
Op 1 januari 2002 telde België 10 275 000 inwoners. Bij de stichting, in 1830, waren er in België (huidige omvang) 3,8 miljoen inwoners en 100 jaar later was dat aantal ruim verdubbeld tot 8,1 miljoen. In de eerste volkstelling na de Tweede Wereldoorlog (1947) werden 8 512 190 inwoners geteld. Tussen deze volkstelling en die van 1961 groeide de bevolking met gemiddeld ongeveer 48 000 eenheden per jaar, tussen de telling van 1961 en 1971 was de groei opgelopen tot gemiddeld 51 000 eenheden per jaar. Daarna vertraagde de groei: tussen de tellingen van 1971 en 1981 groeide de bevolking gemiddeld met 19 770 eenheden per jaar (van 9,651 miljoen in 1971 naar 9,849 miljoen in 1981), tussen 1981 en 1991 met 17 300 eenheden per jaar (van 9,849 miljoen in 1981 naar 10,022 miljoen in 1991. In het daaropvolgende decennium (1991-2001) nam de groei weer toe tot gemiddeld 21 100 inwoners per jaar. Het geboortecijfer (het aantal geboorten per duizend inwoners) schommelde van 1947 tot 1964 (de periode van de ‘babyboom’) rond 17. Daarna daalde het scherp tot een eerste dieptepunt in 1975 (12, 15), waarna een korte heropleving volgde tot 12,66 in 1980. Na 1980 deden zich eerst een daling voor tot 11,57 in 1985, nadien een stijging tot 12,11 in 1988 en vervolgens weer een daling tot tot 11,10 in 2000.
Het netto–reproductiecijfer steeg tussen 1947 en 1964 van 1,089 tot 1,266. Nadien daalde dit onafgebroken: in 1972 kwam het onder de eenheid terecht en in 1985 bedroeg het 0,718. Sedertdien tekent zich een lichte stijging af, tot 0,753 in 1995. Bij de eeuwwisseling lag het cijfer rond 0,730 (deze situatie van langdurige lage vruchtbaarheid wordt ook ‘ontgroening’ genoemd). Een belangrijke verschuiving deed zich voor in de gemiddelde moederschapsleeftijd: rond 1950 was dit ongeveer 29 jaar. Mede door de afname van geboorten van rang 3 en hoger daalde de gemiddelde moederschapsleeftijd tot 27 jaar in 1978. Daarna steeg hij opnieuw (ten gevolge van uitgestelde geboorten) tot 28,5 jaar in 1997. Het sterftecijfer (het aantal overlijdens per duizend inwoners) bedroeg 10,26 in 2000 (tegenover 12,3 in 1970 en 11,5 in 1980). Tussen 1970 en 1980 daalde het kindersterftecijfer (het aantal overleden kinderen jonger dan 1 jaar per duizend geboorten) met 43% (van 21,1 tot 12,1) en tussen 1980 en 1986 nogmaals met 22% (van 12,1 tot 9,4). Het was 7,95 in 1993. In 1999 bedroeg de levensverwachting 80,2 jaar voor vrouwen en 74,8 voor mannen. De veroudering van de bevolking kan o.a. uitgedrukt worden aan de hand van het aandeel van de ouderen (65+) in de totale bevolking, dat tussen 1947 en 1988 van 11 tot 14,4% steeg en in 2000 tot 16,8% was opgelopen. Naast de sterke vruchtbaarheidsdaling sedert 1964 (van 2,56 in 1960 tot 1,55 in 1995) springt vooral ook de sterke afname van de huwelijkscijfers in het oog. Het aantal huwelijken per duizend inwoners daalde van 8,30 in 1950 over 7,80 in 1970 tot 6,10 in 1991 en 4,40 in 2000. Terwijl de gemiddelde huwelijksleeftijd in de jaren 1960 en de eerste helft van de jaren 1970 daalde, deed zich sindsdien een stijging voor. In 2000 bedroeg de huwelijksleeftijd voor mannen 32 jaar en 11 maanden, voor vrouwen 29 jaar en 7 maanden. Het aantal alleenwonenden is tussen de volkstellingen van 1970 en 1991 sterk toegenomen: van 19 naar 28%. De echtscheidingscijfers zijn fel gestegen in de loop van de jaren zeventig en tachtig: van 66,35 per honderdduizend inwoners in 1970 tot 264 in 2000, een van de hoogste cijfers in Europa. Niet minder dan 40,5% van de huwelijken die in 1989 werden afgesloten, waren 10 jaar later ontbonden; in 1960 was dat nog maar 3,8%, in 1970 ruim 10%, in 1990 al 36%
Eind 2002 woonden er 891 980 vreemdelingen in België (8,7% van de totale bevolking). Van de vreemdelingen heeft ca. 63% de nationaliteit van een andere EU-lidstaat. Vooral Italië en Frankrijk zijn sterk vertegenwoordigd met resp. 39% en 18% van de niet-Belgen. Nederland volgt met 13,5%. Bij de niet-Europese vreemdelingen zijn Turken en Marokkanen in de meerderheid. De natuurlijke groei van de Belgische bevolking daalde van 11 per duizend in 1970 tot –0,9 in 1984. De groei van de bevolking van vreemde nationaliteit ligt hoger: 18 per duizend in 1970 en 14,5 per duizend in 1984; in 1985 viel dit groeicijfer terug tot 9 per duizend, maar dat was grotendeels toe te schrijven aan een andere naturalisatieregeling die toen van kracht werd.
De bevolkingsdichtheid van België is 343 personen per vierkante kilometer (2007 schatting), maar er zijn belangrijke regionale verschillen; in het Vlaamse Gewest wonen 448 personen per vierkante kilometer (2005 schatting) tegenover 202 personen per vierkante kilometer (2005 schatting) in het Waals Gewest en 6 287 personen per vierkante kilometer (2005 schatting) in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest.
Bij de telling van 1991 woonde eenvierde van de inwoners van België op 3% van het grondgebied. De 1 024 492 (2006 schatting) inwoners van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest vertegenwoordigen 9,4% van de totale Belgische bevolking, tegen 9,8% in 1981. In de Vlaamse steden Antwerpen, Gent en Brugge is 7,7% van de bevolking geconcentreerd en in de drie Waalse steden Charleroi, Luik en Namen 4,8%.
| 2.2 Taalsituatie |
De aanwezigheid van twee grote taalgemeenschappen (de Nederlandse en de Franse) en, in mindere mate, van de kleinere Duitse taalgemeenschap, ligt aan de oorsprong van de zgn. taalkwestie, een van de grootste problemen van het Belgische openbare leven. Het basisprincipe van het taalgebruik vormt het in 1831 in de Grondwet (het oude art. 23, thans art. 30) ingeschreven beginsel dat het gebruik van de in België gesproken talen vrij is en dat het slechts voor handelingen van het openbaar gezag en voor gerechtszaken bij wet kan worden geregeld. De taalwetgeving, waarvan de Wet van 17 augustus 1873 de aanzet vormde, heeft in een eerste fase het Nederlands als een evenwaardige administratieve, militaire, juridische en onderwijstaal erkend als het Frans, dat bij en tientallen jaren na de oprichting van de Belgische staat in feite de enige officiële taal was. In een tweede fase schreef de taalwetgeving het beginsel van de eentaligheid van het Nederlandse en het Franse taalgebied en van de tweetaligheid van de Brusselse agglomeratie voor (het zgn. territorialiteitsbeginsel, voor het eerst geformuleerd in de Wet van 31 juli 1921). Krachtens dit beginsel is in het Nederlandse en het Franse taalgebied het Nederlands resp. het Frans de enige toegelaten taal in de administratie, het gerecht en het onderwijs. In het Brussels Hoofdstedelijk Gewest staan het Nederlands en het Frans als officiële taal op voet van volledige gelijkheid. In 1963 werd ook het Duitstalige gebied wettelijk erkend en trad de Wet van 8 november 1962, die de taalgrens afbakent, in voege. Bij de grondwetsherziening van 1970 werd het bestaan van vier taalgebieden – het Nederlandse, het Franse en het Duitse taalgebied en het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad – in de Grondwet (het oude art. 3bis, thans art. 4) ingeschreven. Op de eentaligheid van het Nederlandse, Franse en Duitse taalgebied bestaan evenwel uitzonderingen. In een aantal gemeenten van de eerstgenoemde twee gebieden kunnen anderstaligen genieten van zgn. faciliteiten (zie faciliteitengemeenten), in het Duitse taalgebied mag ook het Frans als administratieve en onderwijstaal worden gebruikt.
Met de erkenning van de taalgebieden werd een grondwettelijke basis gegeven aan het territorialiteitsbeginsel, krachtens hetwelk de overheid al haar handelingen in de taal van het taalgebied dient te verrichten. In een reeks arresten heeft de Raad van State uit art. 4 van de Grondwet afgeleid dat de gemeentemandatarissen, ook die van de zgn. faciliteitengemeenten, de taal van het gebied moeten kennen. De wetgever heeft ten aanzien van de rechtstreeks verkozen mandatarissen (de gemeenteraadsleden en in de zes randgemeenten rond Brussel, Voeren en Komen-Waasten ook de OCMW-raadsleden en de schepenen) een onweerlegbaar vermoeden van taalkennis ingevoerd (Wet van 9 augustus 1988).
| 2.3 Religie |
In België wordt de vrijheid van godsdienst grondwettelijk gewaarborgd. Dit betekent niet dat alle godsdiensten over dezelfde voorrechten beschikken. Niet alle godsdienstige groeperingen zijn wettelijk erkend; enkele weigeren dergelijke erkenning, zoals bijv. Jehova's Getuigen en sommige fundamentalistische sekten. De wettelijke erkenning impliceert o.a. de bezoldiging van de bedienaars van de eredienst. Dit is het geval voor de katholieke, protestantse, anglicaanse, joodse en (sinds 1974) islamitische godsdienst. België is, wanneer men althans het doopsel in aanmerking neemt, een overwegend katholiek land. Het aantal katholiek gedoopten bedroeg in 2000 nog 70% van de totale Belgische bevolking. Het aantal protestanten wordt op ruim 60 000 geraamd. Volgens schatting vertoeven er in België ca. 300 000 islamieten en zou het aantal joden ca. 50 000 bedragen. Naast de wettelijk erkende godsdiensten bestaat een orthodoxe gemeenschap, met overwegend Russen en Grieken. Voorts zijn er de zeer missionair ingestelde mormonen, met lokale gemeenschappen o.a. te Antwerpen en Gent en een bisschopszetel te Brussel. De weinig bekende Belgische boeddhisten (enkele duizenden) hebben hun eigen huis te Brussel. De bekendste van deze zgn. godsdiensten in de schaduw zijn Jehova's Getuigen, met ca. 20 000 verkondigers.
In de katholieke kerkelijke organisatie vormt België een kerkprovincie, die (sedert 1967) acht bisdommen omvat: Mechelen-Brussel (aartsbisdom), Antwerpen, Luik, Hasselt, Namen, Gent, Doornik en Brugge. Opvallend bij de katholieken is de discrepantie tussen het aantal gedoopten en het aantal praktiserende katholieken, welk laatste nog maar een goede 10% bedroeg, tegen ca. 50% in 1950. Bij degenen die nog in een zekere mate bij het kerkelijke leven betrokken zijn, onderscheidt men de zgn. progressieve en de conservatieve katholieken. Naast de ca. 10% kerkse katholieken zijn er vermoedelijk 65% onkerkse katholieken en 3 à 5% niet-katholieke christenen, joden, islamieten en leden van kleine godsdienstige groeperingen; ca. 20% van de Belgen is vrijzinnig of godsdienstig onverschillig.
Bij de protestanten vindt de verscheidenheid een uitdrukking in enkele denominaties en sekten. De protestanten zijn in diverse kerkverbanden gegroepeerd, waarvan de belangrijkste zijn: de Protestantse Kerk van België (PKB; 16 000 leden), de Hervormde Kerk van België (HKB; 10 000 leden, overwegend in het Franstalige landsdeel) en de Gereformeerde Kerken in België (GKB; 2000 leden, vooral in het Nederlandstalige landsdeel). Sinds 1978 zijn deze kerken gegroepeerd in de Verenigde Protestantse Kerken van België. De Belgische Evangelische Zending (BEZ) werd sinds 1972 geleidelijk gestructureerd in een Bond van Vrije Evangelische Gemeenten (VEG). De BEZ-VEG is van baptistische signatuur en telt ca. 5000 leden (waarvan minder dan de helft Nederlandstaligen). Andere protestantse groeperingen zijn de Pinkstergemeenten (ca. 5000 leden), de Vergadering van Gelovigen, de Vergadering der Broeders, de Bond van Evangelische Baptistenkerken van België en het Leger des Heils (ieder ca. 1500 leden). Kleinere groeperingen zijn de Vrije Lutherse Kerk en de Mennonieten Zending.
Bij de joden zijn drie geïnstitutionaliseerde vormen van religieuze groepsvorming te onderscheiden: orthodoxen, conservatieven en gereformeerden. In België komen deze drie vormen voor, maar de gereformeerde gemeente L’Union Libérale Israélite de Belgique werd niet erkend door het Centraal Israëlitisch Consistorie (CIC). Hoewel in Antwerpen minder joden wonen dan in Brussel (resp. 13 000 en 18 000) is de joodse gemeenschap van Antwerpen (grotendeels van Poolse afkomst) de bekendste. Dit komt o.a. doordat zij te Antwerpen meer geconcentreerd woont, verder omdat 80% van de joden hier bij een godsdienstige gemeente is aangesloten (tegen slechts 40% elders) en omdat de joodse gemeenschap in Antwerpen sterker haar eigenheid manifesteert. In Antwerpen zijn er twee grote gemeenten: de orthodoxe Machsike Hadass, die nauw verwant is met de ultraorthodoxie van de Chassidiem (een mystiek-charismatische gemeenschap met specifieke klederdracht), welke er in groot getal deel van uitmaakt, en de conservatieve Shomer Hadass. Daarnaast is er ook nog een kleine gemeente van Portugese ritus.
De aanwezigheid van islamieten in België (vnl. Marokkanen en Turken, in mindere mate Tunesiërs en Algerijnen) houdt verband met de immigratie van buitenlandse arbeidskrachten sedert de Tweede Wereldoorlog; zij behoren tot verschillende strekkingen. Het in 1963 opgerichte Centre Islamique et Culturel bezit sedert 1968 rechtspersoonlijkheid. In 1974 werd de islam wettelijk erkend.