België
Klik in het menu Bestand op Afdrukken om de gegevens af te drukken.
België
4. Economie

De economische ontwikkeling kende in België sinds 1960 een belangrijke groeifase tot 1974, gevolgd door een recessieperiode met een inkrimping van het reële bruto nationaal product (1975 en 1981) of een trage groei. Tussen 1960 en 1974 bedroeg de gemiddelde groei 4,9% tegenover 1,7% in de periode 1974–1988. In de tweede helft van de jaren zeventig groeide het reële bruto binnenlands product nog met 2,1% tegenover maar 1,4% in de jaren tachtig. In de jaren 1990 werd een gemiddelde groei van 2% genoteerd, met in de eerste helft lagere cijfers (en zelfs een negatieve groei van –1,4% in 1993) dan in de tweede helft van het decennium (tot 3,6% in 1997). In 2000 groeide de economie zelfs met 4%. De groei van de Belgische economie bleef echter in 2002 steken op 0,7%, nog minder dan de bescheiden 0,8% van het jaar daarvoor. Het was meteen het laagste cijfer in tien jaar. Oorzaak waren de terugval in bedrijfsinvesteringen en de export. Ook de consumenten wilden niet echt mee. Door de onzekere internationale situatie kozen velen het zekere voor het onzekere. De economische toestand werd sedert 1974 bovendien gekenmerkt door een hoge inflatiegraad (die vanaf 1982 terugliep en in 1986 nog slechts 1,3% bedroeg), een hoge werkloosheidsgraad, een verslechterende toestand van de openbare financiën en een schommelend saldo op de betalingsbalans. Belangrijk was ook de progressieve stijging van de overheidsconsumptie tussen 1960 en 1981. Onder invloed van de moeilijkheden in de openbare financiën werd het groeiritme van de overheidssector sedert 1981 afgeremd. Zowel qua tewerkstelling als qua toegevoegde waarde hebben de sectoren landbouw, bosbouw en visserij, de extractieve nijverheid en de be- en verwerkende nijverheid duidelijk aan belang verloren ten voordele van de dienstverlenende activiteiten. Een belangrijke groei werd o.m. geboekt in de financiële sector.

Regionaal bekeken is de welvaartstijging sinds 1975 nog ongelijker verdeeld dan tussen 1960 en 1974. Gemeten naar omzet hebben de Vlaamse stedelijke gebieden of stadsgewesten (stad of gemeente als centrum van economisch draagvlak) een bedrijfseconomische dynamiek die vijfmaal groter is dan in Wallonië; inzake creatie van toegevoegde waarde en investeringen is deze viermaal groter. Het gewest Brussel behoudt zijn sterke positie. Dit fenomeen is niet toe te schrijven aan enig overheidsingrijpen. In Vlaanderen zijn de grote trekkers Antwerpen, Gent en de Vlaamse rand rond Brussel. In Wallonië zijn de grote verliezers Luik en Charleroi. De stadsgewesten Hasselt–Genk en Mechelen presteren beter dan in de jaren tachtig. De kleinere Vlaamse centra (Oostende, Brugge, Leuven, Aalst, Turnhout) gaan licht achteruit. De driehoek Antwerpen–Genk–Brussel begon zich te ontwikkelen tot één grote bedrijfseconomische regio en het vraagt heel wat planning om die niet te laten dichtslibben.

4.1 Arbeidsmarkt

De totale Belgische beroepsbevolking bedraagt 4 537 267 (2006 reëel) personen. Sedert 1961 steeg de beroepsbevolking met bijna 700 000 eenheden. Dit is uitsluitend te danken aan de toename van de beroepsactiviteit van vrouwen. In 1991 oefende 35,4% van de vrouwen een beroep uit, tegen 20% bij het begin van de jaren zestig. Bij de mannen daalde de activiteitsgraad in dezelfde periode van 57,4% naar 49,5%. De werkgelegenheidscoëfficiënt bedroeg voor geheel België 79,46%; voor het Vlaams Gewest was die 75,75%, voor het Waals Gewest 66,16% en voor het Brussels Hoofdstedelijk Gewest 153,12%.

Kenmerkend voor de Belgische arbeidsmarkt zijn ook de belangrijke verschuivingen per sector. Volgens de drie-sectorenanalyse van C. Clark (thans uitgebreid tot vier) wordt de evolutie in een groeiende maatschappij gekenmerkt door een overgang van de primaire (landbouw) naar de secundaire (industrie) en naar de tertiaire sector (diensten). Sinds een paar decennia werd hieraan de quartaire sector toegevoegd. Deze bevat grosso modo de niet-commerciële dienstverlening.

Op de Belgische arbeidsmarkt verloren de primaire (landbouw, visvangst, mijnbouw) en de secundaire sector (industrie) duidelijk aan belang ten voordele van de dienstverlenende activiteiten (met inbegrip van de niet-commerciële of quartaire sector).

Ramingen van het ministerie van Tewerkstelling en Arbeid tonen aan dat tussen 1974 en 1983 bijna 200 000 binnenlandse arbeidsplaatsen in België verloren gingen. Sedertdien deed zich een lichte heropleving voor, maar in 1987 omvatte de binnenlandse tewerkstelling nog 122 000 arbeidsplaatsen minder dan in 1974. Voor de privé sector was dit verlies nog groter, maar daarentegen groeide de tewerkstelling in de overheidssector. Tussen 1987 en 2000 groeide de werkgelegenheid weer met ca. 250 000 arbeidsplaatsen. Dit was het saldo van uiteenlopende bewegingen: voor meer dan de helft door de ontwikkeling van de werkgelegenheid en voor een ander deel door arbeidsherverdeling (vooral uitbreiding van deeltijdwerk). De Belgische arbeidsmarkt wordt daarenboven gekenmerkt door een groeiend aandeel van de loon- en weddetrekkenden in de totale beroepsbevolking. In 1961 vertegenwoordigden de categorieën zelfstandigen en helpers 23% van de beroepsbevolking, in 1999 was dit nog slechts 15%, en dit ondanks een bijna verdubbeling van het aantal in vrije beroepen werkzame personen (in 1995 120 695).

Belangrijk zijn ook de geografische verschuivingen. Het Vlaams Gewest heeft de sterkste expansie gekend en werd ook minder getroffen door de economische recessie. De provincies met een belangrijke werkgelegenheid in de zware nijverheid (Henegouwen en Luik) hebben de grootste moeilijkheden gekend. Ook traden verschuivingen op in de verhouding tussen het aantal arbeiders en bedienden. In 1995 waren er 1 123 096 arbeiders (-12,4%), 1 008 979 bedienden (+ 20,1%) en 1 008 935 personen in overheidsdienst (+16,4%).

Hoewel de werkloosheid in België al sedert 1964 toenam, verergerde de situatie vooral sinds 1974. In 1974 telde België 104 720 volledig werklozen. Tien jaar later was dit gestegen tot 512 400. Pas sinds 1985 trad een lichte verbetering op. In percentage van de tegen werkloosheid verzekerden steeg de werkloosheidsgraad van 5,9% in 1960 tot 19,5% in 1987. In de tweede helft van de jaren tachtig ging het beter met de economie en daalde de werkloosheid geleidelijk naar 350 000 in 1990. Ondanks vele banenplannen die door federale en gewestelijke overheid werden gelanceerd, ging het aantal werklozen echter weer stijgen tot ruim 500 000. In 2000 was (definitie Internationale Arbeidsorganisatie) 7% van de beroepsbevolking werkloos. In 2002 steeg de werkloosheid opnieuw met 11% ten gevolge van de internationale economische crisis. Meer dan 6600 bedrijven zetten hun activiteiten stop. Door de sluitingen en saneringen kwam het aantal werklozen op 389.000, 11,7% van de beroepsbevolking. Als rekening wordt gehouden met de niet-uitkeringsgerechtigde werkzoekenden en hen die werden opgevangen door diverse maatregelen van werkloosheidsbestrijding, bedroeg het totale aantal personen met een (aanvullende of volledige) werkloosheidsuitkering bijna een miljoen. De werkloosheid bij de vrouwen bedroeg ongeveer het dubbele van die bij de mannen. Bovendien is de werkloosheid in België vooral een structureel probleem. Sedert de jaren tachtig bedroeg het aantal personen dat ten minste twee jaar werkloos was, meer dan de helft van het totaal van de volledig werklozen; vooral jongere arbeidskrachten hadden het moeilijk om een baan te vinden.

4.2 Land- en tuinbouw

De betekenis van de land- en tuinbouw is sterk geslonken. In 1991 waren in deze sector 31 544 personen tewerkgesteld. Door mechanisering, inkrimping van de cultuurgrond en inkomensdruk heeft de land- en tuinbouw een belangrijk verlies aan arbeidsplaatsen gekend. Bovendien wordt deze sector gekenmerkt door schaalvergroting en specialisering. Tussen 1970 en 1987 is het aantal landbouwbedrijven nagenoeg gehalveerd, terwijl de gemiddelde oppervlakte per bedrijf met bijna 75% steeg. In 1991 telde België nog 78 516 bedrijven met een gemiddelde oppervlakte van 14,6 ha. Meer dan 95% van de Belgische cultuurgrond wordt gebruikt voor akkerbouw, weiden en grasland. Niettegenstaande de daling van het aantal bedrijven is de veestapel toegenomen, hoofdzakelijk door de sterke toename van de varkensfokkerij (ruim 7 miljoen stuks), die vooral in West-Vlaanderen en de Noorderkempen is gelokaliseerd. De dioxinecrisis van 1999 trof de landbouw (en de gehele voedingssector) zwaar: de productie daalde met ca. 1,4%.

Sedert 1980 is de tuinbouw in open grond sterker toegenomen dan deze onder glas. Groenten nemen ongeveer de helft van de oppervlakte onder beschutting in beslag en de bloementeelt bijna 30%.

4.3 Bosbouw

Volgens de land- en bosbouwtelling van 1970 bedroeg de beboste oppervlakte in België 617 000 ha. De provincies Luxemburg (34%), Namen (20%) en Luik (17%) nemen bijna drievierde daarvan voor hun rekening. Ca. 2950 personen waren in deze sector werkzaam. De jaarlijkse houtproductie schommelt rond 1 miljoen m3, waarvan tweederde naaldhout.

4.4 Visserij

Alleen de zeevisserij bezit commerciële betekenis: garnalenvangst langs de kust, oesterkweek te Oostende en Nieuwpoort en visserij in de Noordzee, de IJslandse en Newfoundlandse wateren.

In de jaren zestig stagneerde de Belgische visvangst op bijna 50 000 t per jaar. Sindsdien is de visvangst achteruitgegaan; in 1986 en 1987 bedroeg de geloste hoeveelheid nog amper 30 000 ton, in 1993 nog slechts 22 119 ton, een en ander onder invloed van de Europese visquota. Onder invloed van de inflatie is de waarde evenwel sterk gestegen. De belangrijkste van de aangevoerde vissoorten zijn schol, kabeljauw en tong. In waarde uitgedrukt komt tong op de eerste plaats. Zeebrugge is zowel in volume als in waarde de eerste vissershaven.

4.5 Mijnbouw

De steenkoolwinning heeft in België alle betekenis verloren. Het Zuiderbekken werd tussen 1968 en 1984 geleidelijk gesloten en in het Noorderbekken (Kempen) werd de productie in de oostelijke mijnen in 1988 stopgezet; de volledige sluiting had plaats in 1992. In 1988 bedroeg de Belgische steenkoolproductie nog 2,6 miljoen t tegenover 11,4 miljoen t in 1970. De achteruitgang in de Belgische steenkoolproductie is niet alleen toe te schrijven aan de verandering in de energiebalans (concurrentie van aardolie, -gas en nucleaire energie), maar vooral aan de ongunstige exploitatievoorwaarden. De dure subsidiepolitiek van de overheid diende geleidelijk ingekrompen en heeft de sociale nadelen van de afbouw van de tewerkstelling in de mijngebieden weliswaar kunnen lenigen zonder evenwel voldoende omschakelingsactiviteiten uit te bouwen.

De ertsontginning (ijzer, zink, lood en koper), die nochtans aan de basis lag van het ontstaan van de Belgische metaalindustrie, heeft haar betekenis geheel verloren. In 1976 bedroeg de eigen ijzerertswinning (in Belgisch Lotharingen) slechts 94 000 t (0,5% van het totale Belgische ertsverbruik). De winning van gesteenten is heel wat belangrijker dan de ontginning van ertsen. Porfier, een eruptief gesteente, wordt gewonnen te Quenast en Bierk; kwartsiet uit het Cambrium te Dongelberg en harde zandsteen uit het Devoon o.a. te Comblain-au-Pont, Esneux en Sprimont. In een brede strook van Alle tot Martelange wordt uit het Devoon, zoals eveneens te Vielsalm uit het Cambrium, harde leisteen voor dakbedekking ontgonnen. De ruim ontsloten kalksteenlagen van het Devoon en het Carboon leveren: a. arduin of blauwe hardsteen, o.a. te Ecaussinnes, Zinnik en Sprimont; b. verschillende marmersoorten, nl. ‘bleu belge’, o.a. te Bioul, Anhée, Bouffioulx en Merlemont, zwart marmer o.a. te Bossière, Mazy, Dinant en Basècles, rood marmer te Phillippeville, Frasnes, Rochefort, enz., grijs marmer o.a. te Villers-Poterie, Gougnies; c. kalksteen voor kalkovens en cementfabrieken o.a. te Doornik, Ecaussinnes, Zinnik, Antoing, Lustin, Hoei en Couvin. Krijt, vnl. verwerkt in de kalkovens en de cementnijverheid, wordt gewonnen o.a. te Harmignies, Obourg, Thieu, Wezet, Orp-le-Grand en Haccourt; zoals ook kalkfosfaat, waarvan de ontginning (o.a. te Bergen) aanleiding heeft gegeven tot het ontstaan der superfosfatenindustrie. Klei en leem voor steenbakkerijen en pannenfabrieken worden op vele plaatsen uit de Tertiaire en Kwartaire afzettingen gedolven, nl. in de polders (Nieuwpoort), langs de Rupel en de Schelde (o.a. te Boom, Rupelmonde en Temse), in het Waasland (bijv. te Sint-Niklaas), langs het Kanaal Dessel-Turnhout-Schoten (o.a. te Ravels en te Beerse) en bij Kortrijk; klei, geschikt voor aardewerk en vuurvast materiaal, wordt uit Secundaire en Tertiaire lagen gewonnen, o.a. te Andenne en te Baudour. Zand voor het bouwbedrijf komt in ruime mate voor. Het witzand van Mol (Kwartair) dient speciaal vermeld als grondstof voor de glasnijverheid. De tertiaire lagen te Mélin (een deelgemeente van Gelderaken) in het gehucht Gobertange, leveren, zoals in de late Middeleeuwen, nog steeds de gewaardeerde gobertange–witte zandsteen.

4.6 Grondstoffenvoorziening

Behalve voor minerale niet-metaalhoudende producten is België inzake grondstoffenvoorziening vrijwel volledig aangewezen op het buitenland. Volgens de typeclassificatie van de internationale handel (TCIH) vertegenwoordigen de niet-energetische grondstoffen ongeveer 9% van de waarde van de totale Belgische invoer. De belangrijkste grondstoffeninvoer is die van ertsen, aardolie en chemische producten.

4.7 Energievoorziening

De netto-elektriciteitsproductie bedroeg in 1993 67 108 Gwu. Tussen 1973 en 1994 had een aardverschuiving plaats in de gebruikte brandstoffen voor elektriciteitsproductie. In 1973 was dat voor steenkool 13%, olie 52%, aardgas 32,2%, kernenergie 0,2% en water 1,6%; de toestand in 1994 was resp. 25,2%, 2%, 15,3%, 55,3% en 1,7%. In december 1988 besliste de regering dat de bouw van een bijkomende kerncentrale niet opportuun was; België telde op dat moment zeven nucleaire centrales: vier in Doel en drie in Tihange.

De grootste afnemers van de ingevoerde steenkool zijn de cokesfabrieken, de elektrische centrales en de industrie. Aardgas deed zijn intrede op de Belgische markt in 1966. In 1993 liep de aardgasverkoop op tot 435 GJ (Gigajoule). Aan de industrie werd 294 miljoen GJ verkocht. België betrekt zijn aardgas (1993) voor 35% uit Nederland, 22% uit Noorwegen, 33% uit Algerije en 10% uit andere landen. In totaal wordt jaarlijks 500 miljoen GJ ingevoerd. Het verbruik van de huishoudelijke sector bedroeg 141 miljoen GJ, waarvan 95% voor verwarming. In meer dan 2 miljoen woningen werd aardgas gebruikt; ongeveer 1,43 miljoen woningen werden met aardgas verwarmd. In Zeebrugge werd in 1987 een terminal voor de aanvoer van vloeibaar gemaakt aardgas (LNG) uit Algerije in gebruik genomen. Door akkoorden met Noorwegen over de Zeepipe-leiding en de exploitatie van het Troll-veld zou Zeebrugge in de loop van de jaren negentig uitgroeien tot een draaischijf van het Europese aardgastransport. In de oliesector werd de Belgische raffinage-industrie in het begin van de jaren tachtig getroffen door de rationalisatie die na de tweede oliecrisis noodzakelijk was geworden. In 1987 bedroeg de totale distillatiecapaciteit van de Belgische raffinaderijen nog 35,270 miljoen t, tegenover 55,554 miljoen t in 1979. Die capaciteit werd voor 78,1% benut. De productie van afgewerkte olieproducten bedroeg in 1993 27 774 miljoen ton. De Belgische invoer was afkomstig uit de Noordzee (22,1%), Saoedi-Arabië (12,1%), Libië (11%), Iran (11%) en de voormalige Sovjet-Unie (10,9%). Het leeuwendeel van het verbruik had betrekking op gasoil (38%), residuele stookolie (23,8%) en autobenzines (20%).

4.8 Industrie

Bij het begin van de 19de eeuw lag het zwaartepunt van de industriële bedrijvigheid nog in het Nederlandstalige landsgedeelte: textielnijverheid. De Industriële Revolutie en de ontginning van de steenkoolbekkens van Wallonië brachten een verschuiving mede in de richting van het zuiden en de streek van Luik. Sinds de eeuwwisseling en vooral na de Tweede Wereldoorlog ontwikkelde de industrie zich weer sneller in de noordelijke provincies. Onder de factoren die de naoorlogse verschuiving in de hand werkten, dienen vooral vermeld: de ontginning van het Kempisch steenkoolbekken, de wijzigingen in de energiebalans, de betere demografische verhoudingen in het Vlaamse gewest, de verkeersgeografische ligging en de vestiging van filialen van buitenlandse ondernemingen, mede in de hand gewerkt door een actief overheidsingrijpen. Vooral in Henegouwen, lange tijd een van de meest dynamische provincies op het gebied van de nijverheid, deden zich grote omschakelingsproblemen voor. Teneinde de industriële investeringen te bevorderen, werd in 1959 een zgn. wetgeving op de economische expansie in het leven geroepen (Wetten van 17 en 18 juli 1959). De eerste wet voorzag in algemene overheidstussenkomst, hoofdzakelijk in de interestlast van voor investeringsdoeleinden bestemde leningen en toekenning van een staatswaarborg betreffende de terugbetaling van door parastatale of privékredietinstellingen verstrekte leningen. De tweede wet maakte een meer selectieve interventie mogelijk. Hiertoe werden bij K.B. van 27 november 1959 vijftien ontwikkelingszones aangewezen. Deze wetgeving werd vernieuwd door de Wet op de economische expansie van 24 december 1970. Om de economische omschakeling en de ontwikkeling van de steenkoolmijngebieden en van bepaalde andere met ernstige en dringende problemen geconfronteerde gewesten te beoordelen en te versnellen, werd besloten tijdelijk tot verhoogde, selectieve overheidssteun over te gaan (Wet van 14 juli 1966). In 1991 stelde de industrie inclusief de bouwsector nog 24,8% van de beroepsbevolking tewerk; de bijdrage tot het bruto nationaal product bedroeg amper 30%. In een kwart eeuw verloor deze sector 20 procentpunt van de tewerkstelling en 7% van zijn aandeel in de bruto toegevoegde waarde. In 1999 kreeg de voedingssector een klap door de dioxinecrisis.

4.9 Handel

De binnenlandse handel kende sedert 1960 een verdere inkrimping van het aantal kleinhandelszaken zonder personeel. Volgens de volkstelling van 1991 waren nog 577 865 (of 15,8%) personen tewerkgesteld in de handel. Tussen 1971 en 1980 verminderde het aantal handelsvestigingen met bijna 15 000. Opmerkelijk is de toename van het aantal handelszaken tussen 1980 en 1988. Het aantal vestigingen in groot- en kleinhandel steeg van 173 817 naar 196 877. Hiervan werkten ca. 143 400 vestigingen zonder personeel.

De buitenlandse handel van België moet worden beschouwd in het licht van de Belgisch-Luxemburgse Economische Unie (BLEU). De Belgische economie is een open economie, waarin de welvaart zeer afhankelijk is van de buitenlandse handel. Binnen de EG-landen heeft België, na Luxemburg, de grootste afhankelijkheidscoëfficiënt. In 1987 bedroeg de waarde van de invoer van goederen en diensten 35,8% van de beschikbare middelen. De afhankelijkheidscoëfficiënt van de uitvoer bedroeg 37,3%. Sedert de jaren zestig kende de buitenlandse handel een belangrijke expansie en in 1985 overtrof de uitvoer van goederen voor het eerst de 3000 miljard frank. In de eerste negen maanden van 1998 bedroeg de invoer 4416 miljard frank (+6,9% tegenover 1997) en de uitvoer 4878 miljard frank (+7,2%). In 1999 eiste de dioxinecrisis zijn tol; de waarde van de uitvoer van landbouw- en voedingsproducten daalde met 32,6 miljard frank tot 510 miljard frank. Lange tijd was Nederland de belangrijkste afnemer van Belgische producten. Sinds de jaren zeventig komt dit land na Duitsland en Frankrijk. Daarna komen het Verenigd Konigkrijk en Italië. De in- en uitvoer hebben voor 68% betrekking op de landen van de Europese Unie. De Belgische uitvoer is zeer ongelijk verdeeld over de regio's: Vlaanderen neemt daarvan 67%, het Brussels Hoofdstedelijk Gewest 19% en Wallonië slechts 14% voor zijn rekening. In de regionale omzet van de regio's is de uitvoer voor Vlaanderen 42%, voor Brussel 38% en Wallonië 30%.

4.10 Bankwezen

Zie voor de geschiedenis en de recente ontwikkelingen van het bankwezen bank [economie].

4.11 Verkeer

De grote bevolkingsdichtheid, de intense en groeiende industriële en commerciële bedrijvigheid, de ontwikkeling naar een meer eengemaakt Europa en de verkeersgeografische ligging van België hebben de ontwikkeling van de verkeerssector sterk bevorderd. Ca. 6,4% van de actieve bevolking is in deze sector werkzaam. Het rechtstreeks en onrechtstreeks aandeel van deze sector in het bnp bedraagt ca. 20%. De maatschappelijke en ruimtelijke gevolgen van de toegenomen mobiliteit van de individuen overstijgen in grote mate het loutere vervoergebeuren.

Het personenvervoer werd reeds vroeg sterk bevorderd door het uitbouwen van het spoorweg- en buurtspoorwegnet, in de periode 1835–1914. Daar beide netten in enkele decennia vrijwel volledig waren aangelegd (in 1860 beschikte het land over 5000 km spoorlijnen, en het buurtspoornet, dat vooral vanaf ca. 1875 tot stand kwam, bereikte tegen de Eerste Wereldoorlog eenzelfde lengte), had het spoor een aanzienlijke invloed op de ruimtelijke spreiding van woon- en werkgelegenheden. Het gebruik van het openbaar vervoer kende rond 1960 een hoogtepunt. De aanzienlijke mobiliteitstoename nadien is echter volledig voor rekening van het groeiend aantal personenwagens. De auto verzekert begin jaren negentig ca. 85% van het gemotoriseerde personenvervoer en de vrachtwagen ca. 60% van het vervoer te land. Sedert het midden van de jaren tachtig beheerst het toenemend optreden van moeilijk weg te werken verkeersknelpunten (vooral filevorming op de invalswegen van grote agglomeraties) steeds meer de aandacht.

Het spoorwegnet van de Nationale Maatschappij van Belgische Spoorwegen had eind 1988 nog een lengte van 3554 km, waarvan 2240 km geëlektrificeerd. De grondige hervorming van het spooraanbod in 1984, met de invoering van het IC-IR-plan (intercity- en interregioverbindingen) heeft het vervoer over langere afstand geconsolideerd en de productiekosten afgeremd. Het spoorwegpersoneel werd tussen 1982 en 1988 met 30% verminderd, onder druk van de afnemende overheidstussenkomsten voor investeringen en exploitatie. Het herstructureringsplan Doelstelling 2005 bevat een besparing van tien miljard frank op personeelskosten o.m. door vermindering van het personeelsbestand van 41 500 naar 35 000 werknemers in 2005.

Het stedelijk openbaar vervoer werd sinds 1954 (Brussel) en 1962 (Antwerpen, Luik, Charleroi, Gent en Verviers) geëxploiteerd door Maatschappijen voor Intercommunaal Vervoer, tot 1988 gesubsidieerd door de staat en vanaf 1989 door het betrokken gewest. In de periode 1963–1988 werden enorme bedragen besteed om de grote agglomeraties, vooral Brussel, Antwerpen en Charleroi, met een metro- of premetronet uit te rusten. In 1991 werd de Vlaamse Vervoermaatschappij De Lijn opgericht, die instaat voor het stads– en streekvervoer in het Vlaams Gewest; het is een autonoom Vlaams overheidsbedrijf met jaarlijkse dotatie van het Vlaams Gewest. In het Waalse Gewest werd met de oprichting van de TEC (Transport en commun) een gelijkaardig initiatief genomen. in Brussel bleef de MIVB bestaan. Alleen Brussel beschikt over een echte metro (32,8 km; 1992: 92 miljoen reizigers).

Het streekvervoer (voor Vlaanderen eveneens ondergebracht bij De Lijn) voldeed steeds minder aan een wezenlijke behoefte: het aantal reizigers daalde van 306 miljoen in 1980 naar 244 miljoen in 1988 en tot 242 miljoen in 1990, ondanks het gelijkblijvend scholierenvervoer (33,4% van het totale streekvervoer in 1993). De kwalitatieve achteruitgang van de dienstverlening, de verkeersmoeilijkheden in de binnensteden, de sterke tariefverhogingen (bij het hele openbaar vervoer, vooral in de periode 1982–1985) en de verminderde overheidsbijdragen waren de grootste oorzaken van deze terugloop.

Tegenover het stagnerend openbaar vervoer stond de enorme expansie van het autoverkeer, enigszins afgeremd in de periode 1980–1985, maar zeer intens vóór- en nadien. Het personenwagenbezit steeg van 2,6 miljoen in 1975 en 3,5 miljoen in 1988 tot 4,1 miljoen in 1993. Op de autowegen was er in de periode 1980–1985 een stijging van het verkeer met 13,2%, op de rijkswegen met 2,7%. Maar in 1988 was er al een verkeersaangroei van 28% ten opzichte van 1985 op de autowegen en van 15% op de gewone wegen, vooral door de daling van de brandstofprijzen sindsdien. Begin 1993 had het autowegennet een lengte van 1658 km (1980: 1203,1 km). De aanleg daarvan gebeurde vooral in de periode 1970–1985. Het rijkswegennet was 12 718 km lang, het net van provinciewegen 1353 km. België heeft het dichtste wegennet van de Europese Unie per honderd vierkante km: nl. 462 km, en naast Hongkong, Macao en Singapore ook ter wereld. Ook voor de autowegen behoudt België de eerste plaats; net voor Nederland: 55 km per 1000 km2.

Het luchtverkeer was bijzonder expansief, o.m. door de democratisering van het passagiersverkeer, vooral bij de toeristische vluchten. Tussen 1970 en 1988 werd het passagiersaantal op Zaventem (sedert 1987 Brussels Airport Zaventem) meer dan verdubbeld, van 2,9 naar 7,1 miljoen, met vooral een sterke toename vanaf 1984. In 1996 was het passagiersaantal 12,5 miljoen en in 1997 nam het nog toe met 17,6%. Het vrachtvervoer volgde er dezelfde trend (van 115 tot 427 duizend ton). De regionale luchthavens deelden echter niet in die expansieve trend.

Het goederenvervoer werd sterk beïnvloed door de expansie van de havenbedrijvigheid en de industriële mutaties die niet zozeer het massavervoer dan wel het gediversifieerd internationaal vervoer over de weg in de hand werkten. De vormen van gecombineerd vervoer kwamen sterk tot ontwikkeling, terwijl het vervoer ook meer en meer als schakel in een geïntegreerde productieketen werd benaderd.

In 1988 werd Antwerpen opnieuw de tweede Europese zeehaven. In 1996 was de totale overslag 106 miljoen ton. Gent bereikte al in 1988 met 24 miljoen ton zijn potentiële mogelijkheden. De enorme inspanningen tot uitbouw van Zeebrugge als diepzeehaven bewerkten ook de expansie ervan: in 1988 werd voor het eerst 20 miljoen ton gehaald; in 1996 was dit opgelopen tot 28,2 miljoen ton. Het binnenlandse goederenvervoer over de weg (34 miljard kmt in 1991) geschiedt voor 12,7 miljard ton voor eigen rekening (door o.m. producent of groothandel) en voor 21,4 miljard ton voor rekening van derden. Het internationale wegvervoer kende een enorme groei: van 13 miljard ton in 1988 tot 20,6 miljard ton in 1991.

Het vervoer over de binnenwateren is geconfronteerd met een overcapaciteit op Europees vlak en veroudering van de vloot van vooral kleinere schepen waarvan het grootste deel eigendom is van schippers met één schip. De binnenvaart in België is eerder dalend (95 miljoen ton en 5,2 miljard ton in 1987; 88,9 miljoen ton en 5,1 miljard ton in 1992). Eind 1993 waren er nog 1604 schepen (tegen 1995 in 1987) met een laadvermogen van 1 474 979 ton. Het Belgische binnenvaartnet is 1506 km lang, waarvan 406 km bevaarbaar is voor schepen van 1350 t en meer.

Het goederenvervoer per spoor is, gezien over een langere periode, net als de binnenvaart in volume eerder constant gebleven, hoewel het sterk de invloed ondervond van de economische situatie van de sectoren kolen en staal. De sector onderging in de jaren tachtig een grondige sanering in het aanbod, met een sterke vermindering van het rollend materieel en het aantal bedieningspunten. In 1992 bereikte dit vervoer 8073 miljoen tonkm.

Het vervoer per pijpleiding, met Antwerpen als centrum, beschikte eind 1987 over een net van 264 km met een capaciteit van 36 miljoen t. Het vervoer bleef sedert 1982 rond 20 miljoen t schommelen.

4.12 Toerisme

Door de gestegen welvaart en de toenemende vrije tijd kende sedert 1950 ook het toerisme een groeiend belang. Dit blijkt o.m. uit de sterk stijgende belangstelling voor recreatiedomeinen van velerlei aard (eendagstoerisme), maar ook uit het aantal overnachtingen in België, dat echter sedert de jaren zeventig gestabiliseerd is rond 30 miljoen per jaar. Het aandeel van de zeekust hierin is gedaald van ruim 60% in 1970 tot 48% in 1987 en 26,6% in 1993; alle andere posten stegen. De belangrijkste toeristische gebieden in België zijn: de kust: 26,6%; kunsthistorische steden (Antwerpen, Brugge, Brussel, Doornik, Gent, Leuven, Luik, Mechelen en Tongeren): 20,8%; Maas en Ardennen: 22,5%; Kempen 18%; andere toeristische gemeenten 12,2%. Wel blijft het toerisme als internationaal reisverkeer een deficitaire post op de betalingsbalans van de BLEU: -79 miljard frank in 1993.