| Zoekweergave | België | Terug |
| Introductie |
België (Frans: Belgique; Duits: Belgien; Engels: Belgium), federaal koninkrijk in West-Europa, 30 528 vierkante kilometer (1998 reëel), met 10 392 226 (2007 schatting)inwoners; 343 personen per vierkante kilometer (2007 schatting). De hoofdstad is Brussel. Tot België behoort ook een aantal (ca. 30) in de Nederlandse provincie Noord-Brabant gelegen kleine gebieden (exclaves, waarbinnen twee Nederlandse enclaves behorend tot de gemeente Baarle-Nassau liggen), die tezamen de gemeente Baarle-Hertog vormen. In België geldt Midden-Europese tijd (MET). De munteenheid is (sinds 1 januari 2002) de euro ( = 40,3399 Belgische frank). De internetlandcode (TLD) is be. Nationale feestdag is 21 juli, (troonsbestijging van Koning Leopold I, 1831). Het volkslied is La Brabançonne.
De oorsprong van de benaming van het staatkundige begrip België is te vinden in de naam Belgae, een groep Keltische stammen die het gebied bewoonden dat onder de Romeinse keizer Augustus als de provincie Belgica zou worden ingericht. Na de Romeinse overheersing geraakte de naam in onbruik tot aan de humanisten (tweede helft 15de eeuw), die echter de namen Belgium en Belgae zowel op het huidige Nederland als op het huidige België als op de beide tezamen toepasten. Zo werd bijv. met de benaming Belgium Foederatum de Republiek der Verenigde Nederlanden aangeduid. Toen tijdens de Brabantse Omwenteling de Zuidelijke Nederlanden tot een onafhankelijke staat werden uitgeroepen, kreeg deze de naam États Belgiques Unis. De benaming Belgen werd voortaan bijna uitsluitend gebruikt met betrekking tot bewoners van het grondgebied dat later België zou vormen en met het ontstaan van de staat België (1830) kregen de namen België en Belgen voorgoed hun beperkte zin.
| 1. Landschap, klimaat en natuur |
| 1.1 Landschap |
Het landschap van België vertoont een rijke verscheidenheid. Belgisch Lotharingen, in het zuiden, behoort tot het cuestalandschap van het Bekken van Parijs. In de zachthellende Juralagen komen drie weerstandbiedende formaties voor. Vooral de noordelijkste en zuidelijkste zijn tot typische cuesta's ontwikkeld met een naar het noorden gericht front, steil afdalend naar de subsequente depressies van Semois en Ton-Vire. De Ardennen worden beheerst door een plateaulandschap, gevormd tijdens het Tertiair, met diepe verwering onder subtropische klimaten. De verscheidenheid wordt veroorzaakt door de diepe, lintvormige insnijding van de rivierdalen gedurende het Kwartair. In de Hoge Ardennen, ten noorden van de Ourthe, overschrijdt de hoogte de 600 m; zij culmineert in brede, moerassige koepels: Plateau van Hoge Venen (694 m), Plateau van Büllingen (692 m) en Plateau des Tailles (652 m). Hier tussenin werden tijdens het Tertiair in de zachtere gesteenten brede depressies uitgeboetseerd, waardoor een bergachtig aanzicht ontstond. De latere dalinsnijding verhoogt aanzienlijk de reliëfenergie. Talrijke reliëfdetails wijzen op de rigoureuze, arctische klimaatsomstandigheden die tijdens de laatste twee ijstijden heersten. In de Lage Ardennen, ten zuiden van de Ourthe, is het eenvormige plateau beter bewaard gebleven ten gevolge van geringere opheffing en kleinere verschillen in de weerstandgesteenten (Saint-Hubert 589 m, Croix-Scaille 505 m). De Condroz is een laagplateau (tot 343 m hoog) met het aspect van een gegolfde plaat. De Tertiaire schiervlakte snijdt de plooien af, waardoor afwisselende banden zandsteen, kalksteen en schalie dagzomen. De zandstenen vormen appalachische, langgerekte kammen, terwijl de kalkgesteenten door verwering lager liggen. Samen met de insnijding van de valleien tijdens het Kwartair werden de schalies door vorstwerking uitgeruimd tot depressies (Fagne-Famenne) en vond intense grotvorming plaats in de kalkgesteenten.
Ten noorden van dit gebied liggen de Leemstreken van Midden-België. De oorspronkelijke neogene kustvlakte werd door opheffing scheefgesteld en door de riviererosie versneden, naar verhouding van de afstand tot de zee. In Haspengouw bleef het plateau het best bewaard, in het Dijlebekken ging de versnippering verder, maar zij werd geremd door de grofkorrelige zanden van de ondergrond. Tussen Zenne en Schelde werd het plateau gereduceerd tot een heuvellandschap waarin slechts de Vlaamse Ardennen met een weerstandbiedende ijzerzandsteenkap van het oorspronkelijke vlak overblijven. Ten westen van de Schelde ging de verlaging nog intensiever door, waardoor enkele getuigeheuvels, zoals de Kemmelberg (156 m hoog), des te imposanter aandoen. Aan dit reliëf werd de laatste hand gelegd door de eolische afzetting van löss tijdens de Würm-ijstijd. Doordat de löss bijeenwaaide en bijeenspoelde in dalen en depressies, had hij een nivellerende invloed. Zijn dikte overtreft niet zelden de 20 m waardoor de plateaus nog vlakker, de heuvelflanken nog zachtglooiender werden.
Vanaf de Demer-Rupel-Schelde domineert de zandige laagvlakte. Slechts enkele verhevenheden laten het werk van de erosie vermoeden; zij bleven gespaard in zuivere kleien (Oedelem-Zomergem, Waas-Boom) of in ijzerhoudende zandstenen (Beersel-Hageland). Een uitzondering vormt het Kempens plateau, waar de dikke grindlagen van de oude Maaspuinkegel de verdere erosie volledig verhinderden. Elders werd het vlakke karakter versterkt door de aanvoer van eolische dekzanden tijdens de Würm-IJstijd, die door sneeuwsmeltwater werden uitgespreid en zelfs de diepe Vlaamse vallei uitwisten.
Na de laatste ijstijd veroorzaakte de Flandrische transgressie de inundatie van de kustvlakte en de vorming van de duingordel. In verscheidene historische fasen voltrok zich de opbouw van de poldervlakte langs de zee en het Schelde-estuarium.
| 1.2 Rivieren |
Afgezien van de Sauer en de Oise, behoort het rivierstelsel in België tot de bekkens van IJzer, Schelde en Maas. Ten zuiden van Samber en Maas ontstonden de rivieren tijdens het Paleogeen met een hoofdrichting van zuid naar noord. Door de opwelving van de Ardennen verloor de Maas in Frankrijk zijn voornaamste bijrivieren door aftapping ten voordele van Rijn en Seine. Naast de oorspronkelijke consequente rivieren ontstonden in de Ardennen en Condroz subsequente takken ten gevolge van aanpassing aan de geologische structuur, zoals de Semois. De Beneden-Samber en de Maas van Namen tot Luik moeten worden opgevat als een combinatie van een subsequente en een synclinale rivier in zachte lagen van het verder inklinkende Bekken van Namen. Pas in het Midden-Kwartair ontstond de Maastak van Luik naar Maaseik, door overvloeien in de noordelijke vlakte, waarbij het terrassenlandschap van Limburg werd opgebouwd, de puinwaaier van het actuele Kempens plateau zich openspreidde en een directe verbinding met het Rijnbekken tot stand kwam. Later sneed de Maas zich definitief in, oostwaarts van de puinkegel. Ten noorden van Samber en Maas ontstond tijdens het Neogeen en het Vroeg-Kwartair een naar het noordoosten gericht parallel rivierstelsel van IJzer, Leie, Schelde, Dender, Zenne, Dijle en Gete. Deze consequente rivierrichting liep volgens de maximale helling naar de terugtrekkende Tertiaire zeeën. Door erosie in het Tertiaire klei-zandsubstraat werden diepe valleien uitgeschuurd en deels opnieuw opgevuld met riviergrinten, waardoor een terrassenreeks werd geboetseerd. Vooral gedurende het Midden-Kwartair ontwikkelde zich een subsequent noordwest-zuidoost gericht zijtakkenpatroon door aanpassing aan de geologische structuur (Schelde stroomafwaarts Gent; Rupel). De globale afwatering van Leie-Schelde, intussen versterkt door aftapping van de rivieren uit Midden-België, liep gedurende de Riss-ijstijd via de Vlaamse Vallei over Gent-Eeklo-Vlissingen tot diep in de bijna droogliggende Noordzee. Ook het IJzerbekken sloot hier op aan. Gelijktijdig ontwikkelde zich het dominerend oostwest gericht rivierstelsel van de beide Neten en de Demer. De Hene werd synclinaal aangelegd in het Bekken van Bergen, terwijl de subsequente Méhaigne en de Jeker de bovenlopen van het Getestelsel naar de Maas afleidden. De rijzende zeespiegel van het Eemien overspoelde de huidige kustvlakte en de Vlaamse Vallei, waardoor de rivieren in aanzienlijke mate werden verkort. Met de hernieuwde daling van het zeeniveau tijdens de Würm-ijstijd viel de Noordzee opnieuw nagenoeg droog en werden de inmiddels vrijgekomen estuaria en baaien fluviatiel opgevuld. De noordelijke afvloei over Eeklo werd echter op het einde van de ijstijd door uit het noorden aangewaaide dekzanden afgedamd ter hoogte van Maldegem-Stekene, waardoor een fluviatiele afbuiging in oostelijke richting noodzakelijk was om via een overvloeien langs Antwerpen een nieuwe verbinding met de zee mogelijk te maken.
Het regime van Maas (gemiddeld debiet 273 m3/s te Luik) en Schelde (gemiddeld debiet 80 m3/s bij lage tij te Antwerpen) wordt in hoofdzaak bepaald door het gematigd maritiem klimaat. De regenval is weliswaar bijna gelijkmatig over het gehele jaar verspreid, maar bedraagt voor de Ardennen (1400 mm/jaar) nagenoeg het dubbele van het kustgebied (700 mm/jaar). De hoge verdamping is in de zomer verantwoordelijk voor de lage debieten. De Hoge Venen veroorzaken door het sponseffect een bufferende rol voor het Maasdebiet. Het Scheldedebiet daarentegen wordt regelmatiger gevoed door overvloedige bronnen. Ook worden overstromingen in de hand gewerkt door rechttrekking van natuurlijke meanders en bedijkingen van de uiterwaarden. In de winter brengt de lage verdamping een veel hogere afvloeiing van de neerslag mee. De wintermaxima zijn voor de Maas belangrijker dan voor de Schelde ten gevolge van de hogere neerslag in de Ardennen, de ondoordringbare ondergrond en het grotere aandeel van de sneeuw. Het oppervlaktewater wordt verzameld in stuwmeren, vijvers en groeven voor waterbedeling. Naast de oppervlakkige afvloeiing worden de dagzomende poreuze grondlagen door insijpelend water gevoed, waardoor waterhoudende lagen met zeer geringe grondwaterstromingen (enkele cm per dag) ontstaan.
| 1.3 Geologie |
Geologisch bestaat België hoofdzakelijk uit sedimentgesteenten gevormd door afbraak van continenten boven zeeniveau. Mariene gesteenten afgezet onder zeeniveau komen in mindere mate voor en metamorfe en vulkanische gesteenten zijn van ondergeschikt belang. De positie van het zeeniveau en van de kustlijnen en de perioden van gebergtevorming zijn derhalve bepalend geweest voor de geologische geschiedenis en gesteentediversifiëring vanaf het Onder-Paleozoïcum tot in het Holoceen. De primaire gesteenten (Paleozoïcum) zijn verhard, geplooid en gebroken door de Caledonische en/of Variscische orogenese (= gebergtevorming) en vormen meestal steilhellende lagen. De Mesozoïsche, Tertiaire en Kwartaire afzettingen zijn alleen plaatselijk door de nawerking van de Variscische en alpiene orogenese hoofdzakelijk door breukwerking verstoord en liggen bijgevolg hoofdzakelijk subhorizontaal (deklagen en dekmantel).
Het Paleozoïcum bevat twee cyclussen van sedimentatie en gebergtevorming: 1. Cambrium-Ordovicium-Siluur: vooral leistenen en kwartsieten werden gevormd, die daarna intensief werden geplooid tijdens de Caledonische gebergtevorming. Deze ging gepaard met belangrijk vulkanisme, waarvan intrusies, lavastromen en vulkaanpijpen gekend zijn. Het is ontsloten in de Ardennen (Massieven van Stavelot, van Rocroi en van Serpont) en vormt het voetstuk van Brabant (Massief van Brabant) en Vlaanderen; 2. Devoon-Carboon: tijdens het Onder-Devoon ontstonden afbraakproducten van het Caledonische gebergte met conglomeraten, zandstenen en schalies. In de van het zuiden opkomende transgressie van de Midden-Devoonzee werden in toenemende mate kalkstenen en koraalriffen gevormd. Na regressie vond in het Boven-Carboon steenkoolvorming plaats in de Bekkens van Namen en de Kempen, die toen met moerassige lagunes overeenkwamen. Tijdens de Variscische gebergtevorming ontstonden het anticlinorium van de Ardennen met zwak metamorfisme, en het synclinorium van Dinant, gescheiden van het Bekken van Namen door de belangrijke Midi-verschuiving (as Namen-Luik). Dat bekken werd intens geplooid en verbrokkeld. Het reeds verharde Caledonische Massief van Brabant fungeerde als stootblok tegen deze zuidelijke actieve tektoniek, en beschermde het noordelijk gelegen Bekken van de Kempen, dat slechts verticale verzakkingen onderging.
Het Mesozoïcum wordt gekenmerkt door een afvlakking van het Variscisch gebergte tot een schiervlakte met bijbehorende afbraakgordel, gevolgd door belangrijke mariene transgressies, die nagenoeg het hele land overspoelden. Tijdens het Trias-Jura vonden continentale afzettingen plaats in de ondergrond van de noordoostelijke Kempen, terwijl in Belgisch Lotharingen afwisselende lagen zandsteen, mergel en kalksteen de zeeschommelingen van het Bekken van Parijs registreerden. De uit het Krijt voortkomende dominerende mariene krijtlagen en sporadische kleien komen in nagenoeg heel België voor. Zij dagzomen echter in Herve, Haspengouw en Hene en getuigen van een uit het westen komende Krijtzee-inundatie, die vermoedelijk het grootste gedeelte van België overspoelde.
Het Kenozoïcum omvat de geleidelijke terugtrekking in noordelijke richting van de Tertiaire en Vroeg-Kwartaire zeeën, met geleidelijke vorming van het Noordzeebekken en de gelijktijdige afbraak van het blootvallend continent. Tijdens het Paleogeen werden zand- en kleilagen afgezet in een ondiepe zee, die eveneens het Bekken van Londen en van Parijs omvatte, met in België een noord-zuid kustlijn langs de rand van de Ardennen. Op het einde van het Oligoceen is de verre weerslag van de alpiene plooiing merkbaar, waardoor de landrug van Artesië oprees, het Bekken van Parijs droogviel, de Noordzee zich ver naar het noorden terugtrok en Engeland met het continent werd verbonden. Tijdens het Neogeen ontstonden Miocene-Pliocene stranden en ondiepe zeeafzettingen met stootsgewijze transgressies, die in afnemend belang het noorden van België overspoelden en vooral oost-west gerichte kustlijnen ontwikkelden. De laatste van deze reeks transgressies is uitgelopen tot in het Kwartair. Verdere opheffing van de Ardennen vond plaats, alsook daling van het Noordzeebekken tot in het Kwartair.
Het Kwartair omvat hoofdzakelijk continentale afzettingen gedurende de glaciale perioden en deels mariene afzettingen gedurende de gematigde interglaciale perioden. In het Pleistoceen werd riviergrind van de Maaspuinkegel afgezet in Limburg en grind en zand van de Schelde in Binnen-Vlaanderen; eolische dekzanden ontstonden in het noorden en löss in Midden-België vooral, van Würm-ijstijdouderdom.
Sporadisch mariene zanden en kleien getuigen van Laat-Kwartaire transgressies in het noorden van Vlaanderen tijdens interglaciale perioden. Tijdens het Holoceen vonden mariene zand- en kleiafzettingen in de Zeepolders en Scheldepolders en duinvorming plaats. Alluviale klei, zand en veen werden gevormd langs de rivieren.
| 1.4 Klimaat |
België heeft een gematigd zeeklimaat. Wel treden van streek tot streek aanzienlijke verschillen op. Op basis van het verschil tussen de gemiddelde temperatuur van de koudste en de warmste maand van het jaar kan men drie klimaattypes onderscheiden: 1. Het maritiem klimaat komt hoofdzakelijk voor aan de kust en licht landinwaarts. Door de matigende invloed van de Noordzee is het gemiddelde temperatuurverschil tussen de warmste en de koudste maand in deze streek dan ook het kleinst, nl. 13,9 °C (het verschil tussen 16,9 °C in de zomer en 3 °C in de winter); 2. het gewijzigd maritiem klimaat heerst in Midden-België en de Kempen. Door de grotere afstand tot de zee is het gemiddelde temperatuurverschil hier iets groter, wat is toe te schrijven aan de snellere afkoeling 's nachts en de vluggere opwarming overdag. Het bedraagt 14,7 °C (het verschil tussen de gemiddelde temperatuur voor juli: 17,2 °C, en die voor januari: 2,5 °C); 3. het gewijzigd continentaal klimaat komt voor in het bergachtige gebied ten oosten van Samber en Maas. Hier is de invloed van de zee het geringst en is de gemiddelde jaaramplitudo dan ook het grootst, nl. 15,5 °C (het verschil tussen 15,1 °C voor juli en –0,4 °C voor januari). Het feit dat het zomermaximum niet meer bedraagt, ondanks de meer continentale invloed, is te wijten aan de hogere ligging van het terrein.
De vier meest voorkomende atmosferische toestanden boven België zijn: 1. regenachtig en vrij zacht weer tijdens de winter: de Atlantische storingen bewegen zich tussen de subtropische anticycloon van de Azoren en de depressie nabij IJsland en trekken over West-Europa; 2. mooi maar koud weer tijdens de winter: onder de invloed van een uitloper van de continentale anticycloon stroomt koude en droge continentale lucht België binnen; 3. regenachtig en vrij fris weer tijdens de zomer: regengebieden worden langs de noordelijke flank van het Azoren-hogedrukgebied naar West-Europa gestuurd; 4. mooi en warm weer tijdens de zomer: de anticycloon boven Scandinavië en Centraal-Europa voert droge en zeer warme continentale lucht aan. Lagedrukkernen die boven de Golf van Biskaje en Frankrijk tot ontwikkeling komen, stellen vaak met felle onweersbuien een einde aan dit weertype.
De normale gemiddelde luchtdruk op zeeniveau bedraagt te Ukkel 1016,1 mbar. De uiterste afwijkingen kunnen maximaal 33 mbar hoger en 50 mbar lager dan de normale waarde liggen. De windsnelheid wordt in sterke mate bepaald door de afstand tot de zee.
De jaarlijkse gemiddelde temperatuur schommelt tussen ongeveer 10 °C in Laag-België en nagenoeg 6 °C in de Hoge Venen. Juli en augustus zijn gemiddeld de warmste en januari en februari de koudste maanden.
De gemiddelde jaarlijkse neerslag schommelt tussen 1400 mm (liter/m2) plaatselijk in Hoog-België en ongeveer 800 mm aan de kust en in Midden-België. De grootste hoeveelheden vallen in Laag- en Midden-België tijdens juli en augustus (onweersbuien) en in Hoog-België tijdens november en december (stijgingsregens bij Atlantische storingen). Het gemiddelde aantal dagen met meetbare neerslag (ten minste 0,1 mm) bedraagt tweehonderd per jaar. Het aantal onweersdagen schommelt jaarlijks tussen 75 en 90. De maximale dikte van de sneeuwlaag die gemiddeld in één winter op twee bereikt of overtroffen wordt, neemt toe met de hoogte. Zij varieert gemiddeld van 6 cm aan de kust tot meer dan 30 cm op de Ardense hoogvlakten.
| 1.5 Plantengroei |
Op zijn kleine oppervlakte vertoont België een betrekkelijk rijke flora: een 1300 soorten vaatplanten, een zelfs groter aantal wieren, het ongeveer viervoudige aantal zwammen en korstmossen en ongeveer het halve aantal lever- en bladmossen. Deze relatieve rijkdom spruit voort uit het feit dat verscheidene grote floristische stromingen elkaar in België ontmoeten. De Atlantische flora en de Midden-Europese flora leverden zeer vele elementen. Enkele van de meest noordelijke vertegenwoordigers van de submediterrane flora bereikten België, bijv. de spekwortel, het Apennijns zonneroosje (Helianthemum apenninum), het palmboompje, de wollige sneeuwbal (Viburnum lantana). Verscheidene submontane planten, waaronder grassen als het bergbeemdgras (Poa chaixii) en het boszwenkgras (Festuca altissima) en voorts de kransbladsalomonszegel, de witte veldbies (Luzula luzuloides) en het peperboompje, komen in de hoogste delen van België voor. Onder de soorten vaatplanten komt een 400-tal bijna overal voor en enkele tientallen zijn echte ubiquisten (overal voorkomend), o.a. de grote brandnetel, het herderstasje en het straatgras.
Districten en subdistricten. Het zeedistrict omvat de duinen en de erachter gelegen zeepolders. De slikken en schorren hebben een uitgesproken halofytenvegetatie. Duinvorming begint rondom plantjes van biestarwegras en gaat verder, vnl. dankzij de helm. Deze jonge, beweeglijke, kalkrijke duinen worden geleidelijk vastgelegd en begroeid met een duinstruweel, waarin de duindoorn de meest opvallende plantensoort is. De door dijken beschermde polders zijn nagenoeg volkomen in cultuur gebracht.
Het Vlaams-Kempens district omvat het westelijke deel van de Kempen en Zandig Vlaanderen, dit laatste een tot het eikenwoud van het West-Europese Atlantische gebied behorende laagvlakte. Natuurlijke, niet door de mens beïnvloede bossen zijn er niet in overgebleven. Het grootste deel van deze bossen werd reeds vanaf de vroege Middeleeuwen gerooid en in cultuur gebracht. In de Kempen, oorspronkelijk eveneens tot het eikenwoud behorende, verdwenen reeds vroeg grote oppervlakten bos, die in heide overgingen. Tot ver in de 20ste eeuw besloeg deze heide een uitgebreide oppervlakte; een groot gedeelte is thans in cultuur gebracht, o.m. door het aanplanten van grove den en zeeden. Het subdistrict van het Kempens plateau, het oostelijke deel van de Kempen, omvat verscheidene ondiepe vennen in de streek van Genk met een nog rijke flora.
Het gehele Picardische-Brabantse district is bedekt met een laag löss. Het westelijke deel is een laagvlakte. Van de bossen, die tot het eiken-beukenbos met Atlantisch karakter behoren, bleef weinig over: veel eik is er door beuk vervangen (Zoniënwoud). Het zachtglooiende oostelijke deel is bijna volkomen cultuurland geworden. De enkele bospercelen behoren tot het Midden-Europese eiken-haagbeukenbos. In de subdistricten Tussen-Samber-en-Maas en Condroz van het Ardens district bereiken op de oude hoogvlakten talrijke submontane plantensoorten de Belgische flora; de Samber- en de Maasvallei vormen blijkbaar een barrière tegen meer noordelijke verspreiding. De Maasvallei zelf vertoont op de dalflanken, dankzij een betrekkelijk zacht klimaat, submediterrane plantensoorten: Apennijns zonneroosje, palmboompje. De leemgronden in deze streek zijn door culturen ingenomen. Indien de leemlaag te dun is of ontbreekt, kunnen óf zandsteen en schalie, óf kalksteen hun invloed op de flora en vegetatie laten gelden. Bossen van een sterk verschillend type kunnen op deze twee min of meer verweerde gesteenten tot ontwikkeling komen. Door degradatie van deze bossen zijn de floristisch zo rijke droge weiden ontstaan; de grassoorten zijn op de droogste plekken blauwgras, op minder dorre plaatsen bergdravik en gevinde kortsteel. Onder de akkeronkruiden van de vroeger in het oostelijke deel van de Kalkstreek veel verbouwde spelt kwam vroeger de Ardense dravik voor, de enige Belgische endemische plantensoort, voor het laatst in 1935 gesignaleerd. In het uiterste oosten (krijt) komen droge weiden voor, o.a. op de St.-Pietersberg, analoog met die op de harde kalksteen van Tussen-Samber-en-Maas.
Het district van de Hoge Ardennen omvat een aantal hoge plateaus met meestal zure bodems. Het wordt grotendeels door beukenbos ingenomen. Ook zijn grote oppervlakten met hoogstammige spar beplant. Een aantal submontane plantensoorten komt hier voor, zoals bergbeemdgras (Poa chaixii) en kransbladsalomonszegel. Kenmerkend zijn de uitgestrekte hoogvenen, waarin talrijke moeilijk te onderscheiden veenmossoorten, eenarig wollegras en rijsbes voorkomen.
Het Lotharings district heeft, dankzij zijn mild klimaat, verscheidene submediterrane plantensoorten. Er zijn uitgestrekte bossen uit beuk, haagbeuk en eik. Aan de bovenloop van de Semois komen karakteristieke alkalische moerassige gebieden met verscheidene soorten wollegras en zegge voor.
| 1.6 Dierenwereld |
De groeiende verstedelijking, de vervuiling van de waterlopen, het uitblijven van een doelmatige regeling inzake natuurbescherming e.a. leiden tot een dubbel ongunstig gevolg. Enerzijds gaat een aantal diersoorten definitief verdwijnen, hetzij door moedwillige uitroeiing, hetzij als (mede)slachtoffers van een overmatige chemische bestrijding; anderzijds ontwikkelen sommige soorten zich door het ontbreken van hun natuurlijke vijanden tot ware plagen. Aldus zijn o.a. verdwenen: wolf, tuimelaar, raaf, steur en zalm. Op het punt te verdwijnen staan: wilde kat, otter, aalscholver, roerdomp, elrits, zeelt, enz., evenals verscheidene groepen lagere dieren. Wel hebben sommige interessante diersoorten zich kunnen handhaven in de Ardennen en in enkele min of meer gaaf gebleven natuurgebieden. Plagen komen periodiek en plaatselijk voor, o.a. van muskusrat en veldmuis, wespen en muggen.
Plaatselijk komen nog vrij algemeen voor het konijn, de haas en de eekhoorn, eikel-, rel- en hazelmuizen, ratten-, muizen- en woelmuizensoorten; de hamster vooral in Haspengouw. Mol, egel en een vijftal spitsmuizensoorten zijn algemeen verspreid, zo ook verscheidene van de ongeveer twintig voorkomende vleermuissoorten. Vos, hermelijn en steenmarter zijn zeldzaam, de bunzing algemener. Everzwijn en ree komen voor in de Kempen en meer nog in de Ardennen; aldaar ook het edelhert. Zeehonden leven voor de kust en bruinvissen spoelen geregeld aan.
De vogelfauna telt ongeveer 350 soorten, maar niet alle vogels zijn stand- of broedvogels; vele zijn slechts doortrekkers of dwaalgasten. De reptielen en amfibieën zijn minder sterk vertegenwoordigd. Hazelworm en enkele hagedissoorten zijn plaatselijk algemeen, een drietal slangensoorten zeldzamer. Naast een tiental padde- en kikkersoorten zijn salamanders algemeen in heel het land; bepaalde soorten zijn echter vrij strikt geografisch beperkt.
Van de ongeveer 150 vissoorten leven er ca. tweederde in zee en eenderde in zoetwater. De vormenrijkdom van de mariene ongewervelde fauna is aanzienlijk beperkt door de eenvormigheid van het kustgebied. Toch komen in de uiterste zuidwesthoek bij De Panne enkele meer zuidelijke schelpen voor, zoals bijv. het koffieboontje; op de havenhoofden en vooral op de pier te Zeebrugge o.a. het golfbrekeranemoontje en de zeeanjelier; in de spuikom te Oostende treft men een opmerkelijke vormenrijkdom aan, o.a. van Draadwormen, terwijl bijv. de zeeduizendpoot en het manteldier Botryllus er buitengewone afmetingen kunnen aannemen. Waar elementen van zoet en zout water elkaar ontmoeten, komen ook soorten voor die typisch zijn voor dit brakke gebied, zoals de steurgarnaal.
Duinen en heide herbergen hun eigen dierenwereld; in de Kempische vennen, in laagveen en hoogveen houden zich soorten op die kenmerkend zijn voor het zure milieu. In de grotten van de Kalkstreek leeft een bijzondere holenfauna en waar speciaal in Belgisch Lotharingen naar het zuiden gerichte hellingen een gunstig microklimaat vormen, handhaven zich zuidelijker vormen, zoals de bidsprinkhaan.
| 2. Bevolking |
De Belgische bevolking draagt geen duidelijk omlijnde somatische kenmerken. De vermenging van het noordse en het alpiene type is sterk voortgeschreden. Oorspronkelijk stamt de bevolking van het noordelijke landsgedeelte af van Kelten en Germaanse volksstammen (Franken), die behoorden tot het noordse type, terwijl in het zuidelijke landsdeel de nazaten van de neolithische bevolking, behorende tot het alpiene type, zich gedeeltelijk konden handhaven. Daarnaast komen hoofdzakelijk in het noordelijke landsgedeelte plaatselijk vertegenwoordigers van het mediterrane type voor, nl. afstammelingen uit de Spaanse periode (16de–17de eeuw).
| 2.1 Samenstelling en spreiding |
Op 1 januari 2002 telde België 10 275 000 inwoners. Bij de stichting, in 1830, waren er in België (huidige omvang) 3,8 miljoen inwoners en 100 jaar later was dat aantal ruim verdubbeld tot 8,1 miljoen. In de eerste volkstelling na de Tweede Wereldoorlog (1947) werden 8 512 190 inwoners geteld. Tussen deze volkstelling en die van 1961 groeide de bevolking met gemiddeld ongeveer 48 000 eenheden per jaar, tussen de telling van 1961 en 1971 was de groei opgelopen tot gemiddeld 51 000 eenheden per jaar. Daarna vertraagde de groei: tussen de tellingen van 1971 en 1981 groeide de bevolking gemiddeld met 19 770 eenheden per jaar (van 9,651 miljoen in 1971 naar 9,849 miljoen in 1981), tussen 1981 en 1991 met 17 300 eenheden per jaar (van 9,849 miljoen in 1981 naar 10,022 miljoen in 1991. In het daaropvolgende decennium (1991-2001) nam de groei weer toe tot gemiddeld 21 100 inwoners per jaar. Het geboortecijfer (het aantal geboorten per duizend inwoners) schommelde van 1947 tot 1964 (de periode van de ‘babyboom’) rond 17. Daarna daalde het scherp tot een eerste dieptepunt in 1975 (12, 15), waarna een korte heropleving volgde tot 12,66 in 1980. Na 1980 deden zich eerst een daling voor tot 11,57 in 1985, nadien een stijging tot 12,11 in 1988 en vervolgens weer een daling tot tot 11,10 in 2000.
Het netto–reproductiecijfer steeg tussen 1947 en 1964 van 1,089 tot 1,266. Nadien daalde dit onafgebroken: in 1972 kwam het onder de eenheid terecht en in 1985 bedroeg het 0,718. Sedertdien tekent zich een lichte stijging af, tot 0,753 in 1995. Bij de eeuwwisseling lag het cijfer rond 0,730 (deze situatie van langdurige lage vruchtbaarheid wordt ook ‘ontgroening’ genoemd). Een belangrijke verschuiving deed zich voor in de gemiddelde moederschapsleeftijd: rond 1950 was dit ongeveer 29 jaar. Mede door de afname van geboorten van rang 3 en hoger daalde de gemiddelde moederschapsleeftijd tot 27 jaar in 1978. Daarna steeg hij opnieuw (ten gevolge van uitgestelde geboorten) tot 28,5 jaar in 1997. Het sterftecijfer (het aantal overlijdens per duizend inwoners) bedroeg 10,26 in 2000 (tegenover 12,3 in 1970 en 11,5 in 1980). Tussen 1970 en 1980 daalde het kindersterftecijfer (het aantal overleden kinderen jonger dan 1 jaar per duizend geboorten) met 43% (van 21,1 tot 12,1) en tussen 1980 en 1986 nogmaals met 22% (van 12,1 tot 9,4). Het was 7,95 in 1993. In 1999 bedroeg de levensverwachting 80,2 jaar voor vrouwen en 74,8 voor mannen. De veroudering van de bevolking kan o.a. uitgedrukt worden aan de hand van het aandeel van de ouderen (65+) in de totale bevolking, dat tussen 1947 en 1988 van 11 tot 14,4% steeg en in 2000 tot 16,8% was opgelopen. Naast de sterke vruchtbaarheidsdaling sedert 1964 (van 2,56 in 1960 tot 1,55 in 1995) springt vooral ook de sterke afname van de huwelijkscijfers in het oog. Het aantal huwelijken per duizend inwoners daalde van 8,30 in 1950 over 7,80 in 1970 tot 6,10 in 1991 en 4,40 in 2000. Terwijl de gemiddelde huwelijksleeftijd in de jaren 1960 en de eerste helft van de jaren 1970 daalde, deed zich sindsdien een stijging voor. In 2000 bedroeg de huwelijksleeftijd voor mannen 32 jaar en 11 maanden, voor vrouwen 29 jaar en 7 maanden. Het aantal alleenwonenden is tussen de volkstellingen van 1970 en 1991 sterk toegenomen: van 19 naar 28%. De echtscheidingscijfers zijn fel gestegen in de loop van de jaren zeventig en tachtig: van 66,35 per honderdduizend inwoners in 1970 tot 264 in 2000, een van de hoogste cijfers in Europa. Niet minder dan 40,5% van de huwelijken die in 1989 werden afgesloten, waren 10 jaar later ontbonden; in 1960 was dat nog maar 3,8%, in 1970 ruim 10%, in 1990 al 36%
Eind 2002 woonden er 891 980 vreemdelingen in België (8,7% van de totale bevolking). Van de vreemdelingen heeft ca. 63% de nationaliteit van een andere EU-lidstaat. Vooral Italië en Frankrijk zijn sterk vertegenwoordigd met resp. 39% en 18% van de niet-Belgen. Nederland volgt met 13,5%. Bij de niet-Europese vreemdelingen zijn Turken en Marokkanen in de meerderheid. De natuurlijke groei van de Belgische bevolking daalde van 11 per duizend in 1970 tot –0,9 in 1984. De groei van de bevolking van vreemde nationaliteit ligt hoger: 18 per duizend in 1970 en 14,5 per duizend in 1984; in 1985 viel dit groeicijfer terug tot 9 per duizend, maar dat was grotendeels toe te schrijven aan een andere naturalisatieregeling die toen van kracht werd.
De bevolkingsdichtheid van België is 343 personen per vierkante kilometer (2007 schatting), maar er zijn belangrijke regionale verschillen; in het Vlaamse Gewest wonen 448 personen per vierkante kilometer (2005 schatting) tegenover 202 personen per vierkante kilometer (2005 schatting) in het Waals Gewest en 6 287 personen per vierkante kilometer (2005 schatting) in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest.
Bij de telling van 1991 woonde eenvierde van de inwoners van België op 3% van het grondgebied. De 1 024 492 (2006 schatting) inwoners van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest vertegenwoordigen 9,4% van de totale Belgische bevolking, tegen 9,8% in 1981. In de Vlaamse steden Antwerpen, Gent en Brugge is 7,7% van de bevolking geconcentreerd en in de drie Waalse steden Charleroi, Luik en Namen 4,8%.
| 2.2 Taalsituatie |
De aanwezigheid van twee grote taalgemeenschappen (de Nederlandse en de Franse) en, in mindere mate, van de kleinere Duitse taalgemeenschap, ligt aan de oorsprong van de zgn. taalkwestie, een van de grootste problemen van het Belgische openbare leven. Het basisprincipe van het taalgebruik vormt het in 1831 in de Grondwet (het oude art. 23, thans art. 30) ingeschreven beginsel dat het gebruik van de in België gesproken talen vrij is en dat het slechts voor handelingen van het openbaar gezag en voor gerechtszaken bij wet kan worden geregeld. De taalwetgeving, waarvan de Wet van 17 augustus 1873 de aanzet vormde, heeft in een eerste fase het Nederlands als een evenwaardige administratieve, militaire, juridische en onderwijstaal erkend als het Frans, dat bij en tientallen jaren na de oprichting van de Belgische staat in feite de enige officiële taal was. In een tweede fase schreef de taalwetgeving het beginsel van de eentaligheid van het Nederlandse en het Franse taalgebied en van de tweetaligheid van de Brusselse agglomeratie voor (het zgn. territorialiteitsbeginsel, voor het eerst geformuleerd in de Wet van 31 juli 1921). Krachtens dit beginsel is in het Nederlandse en het Franse taalgebied het Nederlands resp. het Frans de enige toegelaten taal in de administratie, het gerecht en het onderwijs. In het Brussels Hoofdstedelijk Gewest staan het Nederlands en het Frans als officiële taal op voet van volledige gelijkheid. In 1963 werd ook het Duitstalige gebied wettelijk erkend en trad de Wet van 8 november 1962, die de taalgrens afbakent, in voege. Bij de grondwetsherziening van 1970 werd het bestaan van vier taalgebieden – het Nederlandse, het Franse en het Duitse taalgebied en het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad – in de Grondwet (het oude art. 3bis, thans art. 4) ingeschreven. Op de eentaligheid van het Nederlandse, Franse en Duitse taalgebied bestaan evenwel uitzonderingen. In een aantal gemeenten van de eerstgenoemde twee gebieden kunnen anderstaligen genieten van zgn. faciliteiten (zie faciliteitengemeenten), in het Duitse taalgebied mag ook het Frans als administratieve en onderwijstaal worden gebruikt.
Met de erkenning van de taalgebieden werd een grondwettelijke basis gegeven aan het territorialiteitsbeginsel, krachtens hetwelk de overheid al haar handelingen in de taal van het taalgebied dient te verrichten. In een reeks arresten heeft de Raad van State uit art. 4 van de Grondwet afgeleid dat de gemeentemandatarissen, ook die van de zgn. faciliteitengemeenten, de taal van het gebied moeten kennen. De wetgever heeft ten aanzien van de rechtstreeks verkozen mandatarissen (de gemeenteraadsleden en in de zes randgemeenten rond Brussel, Voeren en Komen-Waasten ook de OCMW-raadsleden en de schepenen) een onweerlegbaar vermoeden van taalkennis ingevoerd (Wet van 9 augustus 1988).
| 2.3 Religie |
In België wordt de vrijheid van godsdienst grondwettelijk gewaarborgd. Dit betekent niet dat alle godsdiensten over dezelfde voorrechten beschikken. Niet alle godsdienstige groeperingen zijn wettelijk erkend; enkele weigeren dergelijke erkenning, zoals bijv. Jehova's Getuigen en sommige fundamentalistische sekten. De wettelijke erkenning impliceert o.a. de bezoldiging van de bedienaars van de eredienst. Dit is het geval voor de katholieke, protestantse, anglicaanse, joodse en (sinds 1974) islamitische godsdienst. België is, wanneer men althans het doopsel in aanmerking neemt, een overwegend katholiek land. Het aantal katholiek gedoopten bedroeg in 2000 nog 70% van de totale Belgische bevolking. Het aantal protestanten wordt op ruim 60 000 geraamd. Volgens schatting vertoeven er in België ca. 300 000 islamieten en zou het aantal joden ca. 50 000 bedragen. Naast de wettelijk erkende godsdiensten bestaat een orthodoxe gemeenschap, met overwegend Russen en Grieken. Voorts zijn er de zeer missionair ingestelde mormonen, met lokale gemeenschappen o.a. te Antwerpen en Gent en een bisschopszetel te Brussel. De weinig bekende Belgische boeddhisten (enkele duizenden) hebben hun eigen huis te Brussel. De bekendste van deze zgn. godsdiensten in de schaduw zijn Jehova's Getuigen, met ca. 20 000 verkondigers.
In de katholieke kerkelijke organisatie vormt België een kerkprovincie, die (sedert 1967) acht bisdommen omvat: Mechelen-Brussel (aartsbisdom), Antwerpen, Luik, Hasselt, Namen, Gent, Doornik en Brugge. Opvallend bij de katholieken is de discrepantie tussen het aantal gedoopten en het aantal praktiserende katholieken, welk laatste nog maar een goede 10% bedroeg, tegen ca. 50% in 1950. Bij degenen die nog in een zekere mate bij het kerkelijke leven betrokken zijn, onderscheidt men de zgn. progressieve en de conservatieve katholieken. Naast de ca. 10% kerkse katholieken zijn er vermoedelijk 65% onkerkse katholieken en 3 à 5% niet-katholieke christenen, joden, islamieten en leden van kleine godsdienstige groeperingen; ca. 20% van de Belgen is vrijzinnig of godsdienstig onverschillig.
Bij de protestanten vindt de verscheidenheid een uitdrukking in enkele denominaties en sekten. De protestanten zijn in diverse kerkverbanden gegroepeerd, waarvan de belangrijkste zijn: de Protestantse Kerk van België (PKB; 16 000 leden), de Hervormde Kerk van België (HKB; 10 000 leden, overwegend in het Franstalige landsdeel) en de Gereformeerde Kerken in België (GKB; 2000 leden, vooral in het Nederlandstalige landsdeel). Sinds 1978 zijn deze kerken gegroepeerd in de Verenigde Protestantse Kerken van België. De Belgische Evangelische Zending (BEZ) werd sinds 1972 geleidelijk gestructureerd in een Bond van Vrije Evangelische Gemeenten (VEG). De BEZ-VEG is van baptistische signatuur en telt ca. 5000 leden (waarvan minder dan de helft Nederlandstaligen). Andere protestantse groeperingen zijn de Pinkstergemeenten (ca. 5000 leden), de Vergadering van Gelovigen, de Vergadering der Broeders, de Bond van Evangelische Baptistenkerken van België en het Leger des Heils (ieder ca. 1500 leden). Kleinere groeperingen zijn de Vrije Lutherse Kerk en de Mennonieten Zending.
Bij de joden zijn drie geïnstitutionaliseerde vormen van religieuze groepsvorming te onderscheiden: orthodoxen, conservatieven en gereformeerden. In België komen deze drie vormen voor, maar de gereformeerde gemeente L’Union Libérale Israélite de Belgique werd niet erkend door het Centraal Israëlitisch Consistorie (CIC). Hoewel in Antwerpen minder joden wonen dan in Brussel (resp. 13 000 en 18 000) is de joodse gemeenschap van Antwerpen (grotendeels van Poolse afkomst) de bekendste. Dit komt o.a. doordat zij te Antwerpen meer geconcentreerd woont, verder omdat 80% van de joden hier bij een godsdienstige gemeente is aangesloten (tegen slechts 40% elders) en omdat de joodse gemeenschap in Antwerpen sterker haar eigenheid manifesteert. In Antwerpen zijn er twee grote gemeenten: de orthodoxe Machsike Hadass, die nauw verwant is met de ultraorthodoxie van de Chassidiem (een mystiek-charismatische gemeenschap met specifieke klederdracht), welke er in groot getal deel van uitmaakt, en de conservatieve Shomer Hadass. Daarnaast is er ook nog een kleine gemeente van Portugese ritus.
De aanwezigheid van islamieten in België (vnl. Marokkanen en Turken, in mindere mate Tunesiërs en Algerijnen) houdt verband met de immigratie van buitenlandse arbeidskrachten sedert de Tweede Wereldoorlog; zij behoren tot verschillende strekkingen. Het in 1963 opgerichte Centre Islamique et Culturel bezit sedert 1968 rechtspersoonlijkheid. In 1974 werd de islam wettelijk erkend.
| 3. Staatsinrichting en samenleving |
| 3.1 Bestuur |
België is een representatieve en parlementaire monarchie, waarin alle machten van de natie uitgaan (art. 33 Grondwet).
De opeenvolgende grondwetswijzigingen in de periode 1970–1993 en een aantal bijzondere en gewone wetten betreffende de institutionele hervormingen hebben België omgebouwd van een gedecentraliseerde eenheidsstaat tot een federale staat waarin de soevereiniteit wordt gedeeld door de centrale staat (federatie) enerzijds en de gewesten en de gemeenschappen anderzijds.
| 3.1.1. Federatie |
Op het centrale of federale niveau wordt de wetgevende macht gezamenlijk uitgeoefend door de Koning (in de praktijk de regering) en door de leden van de Kamer van Volksvertegenwoordigers en de Senaat, die, volgens het stelsel van de evenredige vertegenwoordiging en bij toepassing van het enkelvoudig, algemeen en verplicht kiesrecht, verkozen worden door mannen en vrouwen van Belgische nationaliteit, die de leeftijd van 18 jaar bereikt hebben (zie ook kiesstelsel). De federale wetgever is bevoegd voor alle aangelegenheden die de Grondwet hem uitdrukkelijk toekent, alsook voor de aangelegenheden die de Grondwet of een krachtens de Grondwet genomen wet niet uitdrukkelijk aan de andere federale machten of aan de gemeenschappen en de gewesten toewijst.
De federale uitvoerende macht berust bij de Koning (art. 36 Grondwet), maar uit de grondwettelijke regel dat geen akte van de Koning gevolg kan hebben wanneer zij niet medeondertekend is door een minister (art. 106), volgt dat het begrip ‘koning’ betrekking heeft op zowel de persoon van de niet-verantwoordelijke Koning als die van de verantwoordelijke minister(s) of staatssecretaris(sen). De persoon van de Koning is onschendbaar. Hij kan niet voor het gerecht worden gedaagd, noch in strafzaken, noch in burgerlijke zaken. Op het politieke vlak is alleen de minister verantwoordelijk. De Koning benoemt en ontslaat (op voorstel van de meerderheidspartijen) de ministers en de staatssecretarissen, die samen met hem de regering vormen. De regering beschikt over door de Grondwet of de wet toegewezen bevoegdheden: zij neemt de besluiten die voor de uitvoering van de wetten nodig zijn, heeft een zelfstandige verordenende bevoegdheid, benoemt de ambtenaren van het centrale rijksbestuur en de rechters, voert het defensie- en buitenlands beleid, slaat de munt, heeft het genaderecht en verleent adeldom. De ministerraad (waarvan de staatssecretarissen geen deel uitmaken) telt maximaal 15 leden, wordt geleid door de eerste-minister en is sinds 1970 taalkundig paritair samengesteld.
De rechterlijke macht wordt uitgeoefend door de gewone hoven en rechtbanken (art. 40 Grondwet). Daarnaast zijn er ‘met eigenlijke rechtspraak belaste organen’ (art. 146 Grondwet) die geschillen over politieke rechten beslechten, zoals de Raad van State.
| 3.1.2. Deelstaten |
Ingevolge de grondwetsherzieningen van 1970, 1980, 1988 en 1993 deelt de centrale Staat een steeds groter deel van de soevereiniteit met de gewesten en de gemeenschappen.
België telt drie gewesten: het Vlaams Gewest, het Waals Gewest en het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, met een eigen territorium , een eigen rechtstreeks verkozen parlement en een eigen regering, en eigen, toegewezen bevoegdheden. De belangrijkste gewestbevoegdheden zijn: economisch beleid, buitenlandse handel, landbouw, tewerkstelling, ruimtelijke ordening, leefmilieu, natuurbehoud, huisvesting, openbare werken, vervoer (behalve de spoorwegen), de organisatie van het lokale bestuur. De bevoegdheden van het Vlaams Gewest worden uitgeoefend door de Vlaamse Gemeenschap, zodat die feitelijk (maar niet juridisch) gefuseerd zijn.
Er zijn ook drie gemeenschappen: de Vlaamse Gemeenschap, de Franse Gemeenschap en de Duitstalige Gemeenschap, die bevoegd zijn voor resp. het Nederlandse taalgebied en de Nederlandstaligen in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, het Franse taalgebied en de Franstaligen in Brussels Hoofdstedelijk Gewest, en het Duitse taalgebied. Zij hebben elk een parlement en een regering. De toegewezen bevoegdheden van de gemeenschappen zijn in hoofdzaak het onderwijsbeleid, het cultuurbeleid en de zgn. persoonsgebonden aangelegenheden (welzijns- en gezondheidsbeleid). Zie ook Gemeenschap.
| 3.2 Administratieve indeling |
Het Belgische grondgebied, exclusief het gebied van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, is ingedeeld in tien provincies. Deze zijn bevoegd voor de louter provinciale belangen en worden bestuurd door een rechtstreeks verkozen Provincieraad, die uit zijn midden een voorzitter en de leden van de Bestendige Deputatie aanwijst. De Gouverneur vertegenwoordigt de centrale regering en de regionale regering in de provincie. Op hun beurt zijn de provincies onderverdeeld in 43 bestuurlijke of administratieve arrondissementen, die geen autonomie en geen vertegenwoordigend orgaan hebben. Het aantal gemeenten is sinds 1965, en vooral in 1977, door samenvoeging sterk verminderd. België telt thans 589 gemeenten (tegen 2359 gemeenten vóór de fusie). Bestuursorganen van een gemeente zijn de gemeenteraad en het college van burgemeester en schepenen, die beide worden voorgezeten door een door de Koning benoemde burgemeester. Door de samenvoegingsoperatie van 1977 is een bij de grondwetsherziening van 1970 in het leven geroepen nieuwe bestuurslaag, m.n. de agglomeraties en federaties van gemeenten, achterhaald. De in 1971 opgerichte randfederaties (Asse, Halle, Tervuren, Vilvoorde en Zaventem) werden in 1977 afgeschaft; de bevoegdheden van de agglomeratie Brussel worden sinds 1989 uitgeoefend door het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, dat ten aanzien van de 19 gemeenten van het gewest sinds 1995 tevens de provinciale bevoegdheden uitoefent.
| 3.3 Rechtswezen |
De rechtspraak in burgerlijke en strafzaken geschiedt in de regel in de rechtbanken en hoven. Men onderscheidt gewone en buitengewone rechtbanken. De gewone rechtbanken zijn die waarvan de bevoegdheid zich uitstrekt over alle zaken, voor zover die hun niet door een speciale wettekst onttrokken is. Het zijn de rechtbank van eerste aanleg en het hof van beroep. De buitengewone rechtbanken zijn het vredegerecht, de politierechtbank, de rechtbank van koophandel, het arbeidsgerecht (met in graad van beroep het arbeidshof), de arrondissementsrechtbank, het hof van Assisen en de krijgsraad (met in graad van beroep het Militair Gerechtshof). Boven de gewone en buitengewone rechtbanken staat het Hof van Cassatie. Het Arbitragehof doet uitspraak over bevoegdheidsconflicten tussen de federale overheid, gemeenschappen en gewesten en fungeert (voor bepaalde materies) tevens als grondwettelijk hof. De rechtspraak wordt in het algemeen uitgeoefend door rechtsgeleerden. In een deel van de strafzaken, met name die voor de hoven van Assisen, is zij echter in handen van leken. In de rechtbanken van koophandel en in de arbeidsrechtbanken zetelen eveneens leken als rechter. In burgerlijke geschillen is de rechtspraak geen staatsmonopolie (zie arbitrage [privaatrecht]), in strafzaken is zij dat wel. Talrijke administratieve rechtscolleges putten uit art. 145 van de Grondwet de bevoegdheid om uitspraak te doen in geschillen over subjectieve rechten die geen burgerlijke rechten zijn. Onder die rechtscolleges neemt de afdeling administratie van de Raad van State de belangrijkste plaats in.
De Belgische wetgeving is neergelegd in een groot aantal wetten. De belangrijkste verzamelingen van wetteksten zijn het Burgerlijk Wetboek, het Wetboek van Koophandel (zie handelsrecht), het Gerechtelijk Wetboek, het Strafwetboek en het Wetboek van Strafvordering. In de nasleep van de affaire-Dutroux, waarbij o.a. het disfunctioneren van de justitie aan het licht kwam, werd op 23 mei 1998 het zgn. Octopusakkoord gesloten, dat voorzag in maatregelen voor een hervorming en depolitisering van het gerecht. Zie voorts rechterlijke macht.
| 3.4 Internationale aansluitingen |
België is aangesloten bij een groot aantal internationale instellingen. De belangrijkste daarvan zijn op wereldvlak de Organisatie van de Verenigde Naties en haar gespecialiseerde organisaties en commissies, de Noord-Atlantische Verdragsorganisatie (NATO) en de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO). Ook is België lid van de Europese Unie (EU), de Europese Munt Unie (EMU), de Raad van Europa en de Benelux.
| 3.5 Openbare financiën |
De verrichtingen van de openbare financiën van de centrale overheid worden sinds 1975 op een jaarlijkse eenheidsbegroting geregistreerd. Voordien was het stelsel van de dubbele begroting (de lopende verrichtingen op de gewone en investeringsuitgaven op de buitengewone begroting) in gebruik. Wel wordt nog een onderscheid gemaakt tussen de rekening voor de lopende uitgaven en voor de kapitaaluitgaven. De regelen van de overheidsboekhouding werden voor het eerst wettelijk vastgelegd door de Wet van 25 mei 1846. De controle op de wettelijkheid van de verrichtingen geschiedt door het Rekenhof. Bij de financiële administratie van de verschillende ministeriële departementen spelen de inspecteurs van financiën een belangrijke rol.
Als gevolg van o.m. de toenemende overheidsinterventie (vnl. in de economische en sociale sector), de economische groei, de inflatie, de pacificatiepolitiek met haar dure compromissen en de aangroei van het ambtenarenkorps, namen de overheidsuitgaven na de Tweede Wereldoorlog sterk toe. Vanaf 1950 gaf de overheid meer geld uit dan zij door belastingen ontving. Vooral geldverslindende compromissen en de zogenaamde wafelijzerpolitiek waarmee tijdens de jaren 1960 en 1970 de vrede tussen de verschillende ideologische groepen, taalgemeenschappen en gewesten werd afgekocht (o.a. het schoolpact, investeringen in de haven van Zeebrugge en infrastructuurwerken in Wallonië, en overheidssteun aan de Limburgse steenkool, het Waalse staal en de Vlaamse textiel) deden het financieringstekort jaar na jaar stijgen. Om dat alles te betalen had de centrale overheid veel geld geleend en de almaar stijgende rentelasten (zeer hoge rentevoeten tot 1986) op deze leningen, met hun zgn. sneeuwbaleffect, bleven diep in de staatskas graven. Omdat de ontvangsten geen gelijke tred hielden met de uitgaven is, vooral in de jaren tachtig, de rijksschuld spectaculair gestegen: van 1956,8 miljard F in 1980 tot 6441,8 miljard F begin 1989 en 9805,9 miljard F in het ‘recordjaar’ 1997. De rentelasten op de rijksschuld slorpten jarenlang, ook nog in 2002, meer dan een kwart van de uitgavenbegroting op. In de jaren zeventig werd bovendien op grote schaal naar de techniek van de debudgettering gegrepen, d.w.z. dat door openbare instellingen leningen werden aangegaan om uitgaven te financieren die normaal rechtstreeks ten laste van de begroting vallen, zoals de aanleg van autowegen, staatstoelagen voor gemeentewerken en woningbouw- en aankooppremies.
Om het begrotingstekort, dat in het ‘recordjaar’ 1982 was opgelopen tot 13% van het bruto binnenlands product (bbp), in te dijken, werd vanaf dat jaar een streng saneringsbeleid gevoerd. In 1990 was het financieringstekort gedaald tot 5,5% van het bbp, maar het begon nadien opnieuw te stijgen (7,3% in 1993). Om, met het oog op de toetreding van België tot de Europese Muntunie, tekort tegen 1997 terug te dringen tot 3% van het bbp, zoals het Verdrag van Maastricht oplegde, namen de opeenvolgende kabinetten-Dehaene I (1992-1995) en -Dehaene II (1995-1999) harde maatregelen (belastingverhogingen, besparingen op de departementale uitgaven en in de sociale zekerheid, verkoop van overheidsparticipaties). Eind 1997 was het financieringstekort gedaald tot 1,9% van het bbp. Hoewel de totale overheidsschuld beduidend boven de Maastrichtnorm (60% van het bbp) bleef, vond de Europese Commissie de stelselmatige daling (van 138,8% in 1993 tot 125,4% in 1997) voldoende om België in mei 1998 een ‘toegangsticket’ tot de Europese Muntunie te geven. Door het volgehouden saneringsbeleid en de gunstige economische conjunctuur had het in juli 1999 aangetreden ‘paarsgroene’ kabinet-Verhofstadt weer budgettaire ruimte om nieuwe beleidsinitiatieven te nemen, de laagste sociale uitkeringen te verhogen en de personenbelasting, gespreid over de periode 2001-2004, te verlagen. De overheidsschuld was eind 2001 gedaald tot 105,8% en in 2002 gedaald tot 106,1% van het bbp. De regering blijft voornemens om de politiek van schuldafbouw voort te zetten en in 2004 onder de psychologische grens van 100% te zakken.
Sinds de federalisering van het land staat de centrale overheid daarbij voor de bijkomende moeilijkheid dat haar ‘besparingsruimte’ gekrompen is, omdat zij enerzijds ca. 45% van haar ontvangsten heeft overgedragen aan de gewesten en de gemeenschappen, en omdat anderzijds, na de overheveling van nieuwe bevoegdheden aan de deelgebieden, haar ‘samendrukbare’ uitgaven beperkt zijn tot landsverdediging, de sociale zekerheid en de administratie. De Bijzondere Wet van 16 januari 1989, die de financiering van de deelgebieden regelt, voorzag in de deelneming, in de periode 1989–2000, van de gewesten aan de vermindering van de rijksschuld.
| 3.6 Defensie |
Het Belgisch leger werd opgericht in 1830 met vrijwilligers en lotelingen. In 1909 werd de loting afgeschaft en vervangen door de persoonlijke dienstplicht. Bij de Wet van 30 augustus 1913 werd de dienstplicht algemeen. Sinds 1963 konden gewetensbezwaarden burgerdienst vervullen. In 1994 werd de dienstplicht opgeschort. De militaire samenwerking binnen de NATO is de hoeksteen van het defensiebeleid. De vier machten waaruit de krijgsmacht traditioneel bestond: de landmacht, de luchtmacht, de zeemacht en de medische dienst, die ieder hun eigen staf hadden, werden begin 2002 als operationele ‘componenten’ van de krijgsmacht onder één generale staf geïntegreerd. De maatregel paste in een strategisch plan, dat België tegen 2015 een kleiner (39.500 militairen en burgers in plaats van 44.500), mobiel, snel inzetbaar en goed uitgerust leger moet geven.
| 3.7 Welzijnssituatie |
De Indicator van de Menselijke Ontwikkeling van de Verenigde Naties klasseert de lidstaten van de Europese Unie niet zoals ze staan gerangschikt op grond van de normen van Maastricht, maar naar een aantal welzijnsparameters, zoals kindersterfte, aidsgevallen, militaire uitgaven, verkeersslachtoffers, milieu, onderwijs, inkomensverdeling en vrouwenemancipatie. België is naar menselijke ontwikkeling gemeten een gemiddeld Europees land.
Enkele cijfers: het sterftecijfer voor kinderen jonger dan vijf jaar is 5 sterfgevallen per 1000 levend geborenen (2005 schatting). Het aantal aidsgevallen bedraagt 14 000 (2005 reëel). De militaire uitgaven belopen 1,3 procent (2003 reëel) van het bbp.
| 3.8 Politiek bestel |
Het maatschappelijke leven in België wordt van oudsher gekenmerkt door drie grote tegenstellingen. Hoewel de levensbeschouwelijke spanning tussen katholieken en vrijzinnigen van vóór 1830 dateert, beheerst zij het politieke gebeuren pas na de periode van het Unionisme, met de stichting van de liberale partij (1846) als eerste uiting daarvan. In de tweede helft van de 19de eeuw groeide uit de Industriële Revolutie de sociaaleconomische tegenstelling tussen arbeid en kapitaal, die met de invoering van het algemeen meervoudig stemrecht (1893) in de politieke instellingen werd gebracht. Het volkspetitionnement van 1840 tegen de verfransing van Vlaanderen was, na de overwinning van de Franstalige elite in 1830, een eerste manifeste aanwijzing van het gemeenschapsconflict tussen Nederlands en Frans sprekenden, dat meermaals sterk naar voren is gedrongen. Deze drie spanningsvelden hebben, ofschoon niet in gelijke mate, de wording van de maatschappelijke structuren grondig beïnvloed. De grootste invloed ging uit van de levensbeschouwelijke tegenstelling, die niet alleen aan de basis lag van de oprichting van de eerste politieke partijen, maar zich ook manifesteerde buiten het partijpolitieke vlak, waar zowel katholieken als vrijzinnigen een net van organisaties en voorzieningen begonnen uit te bouwen. Tegen het einde van de 19de eeuw leidde de sociaaleconomische tegenstelling tot de splitsing van de vrijzinnige groep in een liberaal en een socialistisch blok. Geleidelijk aan ontwikkelden zich drie zuilen – een levensbeschouwelijke: de katholieke, en twee ideologische: de liberale en de socialistische – met eigen organisaties (partij, vakbond, ziekenfondsen, coöperaties, pers, jeugd- en volwassenenverenigingen) en voorzieningen (onderwijs, cultuurspreiding, opinievorming, ziekenzorg). De organisatorische uitbouw van dit verzuilingsproces was in het begin van de jaren twintig beëindigd. Van toen af was de Belgische samenleving grotendeels verzuild en werd zij door de drie zuilen gedomineerd. Het communautaire spanningsveld resulteerde wel in partijvorming (vóór de Tweede Wereldoorlog slechts in Vlaanderen), maar had geen vat op de verzuiling.
De drie zuilen mogen evenwel niet als volledig homogene blokken worden beschouwd, omdat de drie genoemde tegenstellingen elkaar binnen de zuil doorkruisen en de eenheid ervan kunnen aantasten. In de verzuildheid is sinds ca. 1960 enige verandering opgetreden. Het tot stand komen van het Schoolpact (1958) en het Tweede Vaticaans Concilie resulteerden in een verzwakking van de levensbeschouwelijke dimensie van het politieke leven. Vooralsnog beperkte de ontzuiling zich echter tot het persoonlijke vlak. Er groeide een openheid ten opzichte van ‘andersdenkenden’ en de verzuildheid werd niet langer algemeen als vanzelfsprekend ervaren. Aan deze persoonlijke ontzuiling beantwoordde echter niet een structurele ontzuiling. De stelling dat de verzuildheid zou blijven bestaan, vormde zowel de grondslag van het Schoolpact als het gevolg ervan. Het Schoolpact had immers als onmiddellijk resultaat dat de twee schoolnetten (katholiek en officieel onderwijs), die tot de belangrijkste bestanddelen van een zuilencomplex behoren, steviger dan ooit werden uitgebouwd. Toch heeft de verzuildheid een opmerkelijke verandering ondergaan: van levensbeschouwelijke of ideologische verzuildheid is zij geëvolueerd naar een meer partijpolitieke verzuildheid. Het niet-homogene karakter van de zuilen heeft deze genoodzaakt interne compromissen met betrekking tot de strijdpunten waarover onenigheid heerste na te streven. In ieder van de drie zuilen werd de politieke partij met het tot stand brengen van de interne cohesie belast. Het resultaat daarvan is dat de partijen in de respectieve zuilen de centrale plaats zijn gaan bekleden. Geleidelijk traden zij op als de gemandateerde besluitvormers voor het geheel van de zuil. Deze ontwikkeling versterkte in aanzienlijke mate twee tendensen die reeds eerder zichtbaar waren in het politieke bestel: de zgn. particratie en de politisering. De partijen gingen gaandeweg meer en meer staatsfuncties naar zich toetrekken: controle, benoeming en ontslag van ministers, investituur en ontslag van regeringen en besluitvorming. Het is tegen deze verschuiving naar een partijenbewind of particratie dat koning Leopold III vóór de Tweede Wereldoorlog heeft gewaarschuwd, maar zonder blijvend effect. De centrale plaats van de politieke partijen leidt er eveneens toe dat zij een aantal niet-politieke of niet-partijpolitieke aangelegenheden in de partijpolitieke sfeer brengen, waardoor het bedrijven van een onafhankelijke politiek sterk wordt ingeperkt. Deze politisering doet zich het duidelijkst voor in de administratie en de overheidsinstellingen (benoeming en bevordering, ‘betaald’ met wederdiensten aan de partij), de dienstverlening (cliëntelisme) en de gemeentepolitiek (o.m. ingevolge de samenvoeging van gemeenten) en het carrièreverloop in de parapolitieke of parastatale instellingen.
Het Belgische partijenstelsel wordt beheerst door de drie zgn. traditionele partijen: katholieken (sinds de jaren zeventig christendemocraten genoemd), socialisten en liberalen, die, door de levensbeschouwelijke of ideologische basis van hun programma, hun organisatorische verwevenheid met andere maatschappelijke sectoren in de zuilen en de traditionele basissocialisatie, een relatief stabiel kiezerskorps hebben, wat nochtans ‘conjunctuurschommelingen’ niet uitsluit. De drie partijen (die sinds hun taalkundige splitsing in 1968–1978 in feite met zes zijn) haalden ooit (1958) samen 95,4% van de stemmen. In 1971, toen de ‘communautaire’ partijen (die in de eerste plaats een federalistische staatshervorming tot doel hebben of hadden) hun hoogtepunt bereikten, was hun aandeel gedaald tot 71,6%; het nam nadien weer wat toe (79% in 1987), maar ingevolge de groeiende aanhang van de groenen (Agalev en Ecolo) en (in Vlaanderen) het Vlaams Blok bedroeg het in 1999 nog slechts 65%.
De electorale sterkte van de christendemocraten schommelde sinds de invoering van het algemeen enkelvoudig mannenstemrecht (1919) tussen 47,7 (1950) en 20,0% (1999), dat van de socialisten tussen 39,4 (1925) en 19,7% (1999) en dat van de liberalen tussen 9,7% (1946) en 23,4% 24,4% (1999). De communisten, die onmiddellijk na de Tweede Wereldoorlog 12,7% van de stemmen haalden, verdwenen in 1985 uit het Parlement. De Vlaams-nationalisten kregen vlak vóór de Tweede Wereldoorlog 8,27% van de stemmen. In de naoorlogse periode kenden zij hun hoogtepunt in 1971, toen de Volksunie 11% van de stemmen haalde.
Ondanks het kiesstelsel van de evenredige vertegenwoordiging, slaagden maar weinig nieuwe partijen erin in het politieke veld door te dringen: Rex in de jaren dertig (11,5% van de stemmen bij de verkiezingen van 1936), het FDF-RW in de jaren zestig en zeventig (van 2,3% in 1965 naar 11,4% in 1971, maar nog slechts 1,5% in 1987) en de groenen (Agalev en Ecolo) in de jaren tachtig (van 0,1% in 1978 tot 14,4% in 1999). In 1978 deed het extreemrechtse Vlaams Blok zijn intrede in het federale parlement met 1,3% van de stemmen en de partij bracht het in 1999 tot 9,9%; het eveneens extreemrechtse Franstalige Front National kreeg in 1995 2,3% van de stemmen, maar viel in 1999 terug tot 1,5%.
Na de verkiezingen van 18 mei 2003 waren de in totaal 150 zetels in de Kamer van Volksvertegenwoordigers als volgt verdeeld: Vlaamse Liberalen en Democraten (VLD) 25, Parti Socialiste (PS) 25, Mouvement Réformateur (MR) 24, Socialistische Partij Anders/Spirit (SP.A/Spirit) 23, Christen-Democratisch & Vlaams (CD&V) 21, Vlaams Blok (VB) 18, Centre Démocrate Humaniste (CDH) 8, Ecolo 4, Nieuw-Vlaamse Alliantie (N-VA) 1, Front National (FN) 1.
Op het vlak van de politieke besluitvorming hebben de woelige jaren dertig met eerst de economische crisis en nadien het opkomend fascisme, en de Koningskwestie en de Schoolstrijd na de Tweede Wereldoorlog duidelijk aangetoond dat een oplopend conflict sterk bedreigend is voor de eenheid en de doeltreffendheid van de Belgische staat. Op het toppunt van de Koningskwestie was de economische bedrijvigheid in aanzienlijke mate lamgelegd en van Waalse zijde werd gedreigd met de bijeenroeping van de Staten-Generaal, die eventueel tot de afscheiding van Wallonië zou kunnen overgaan. Uit dergelijke conflictescalaties heeft de politieke elite lering getrokken en is zij andere besluitvormingsprocedures gaan toepassen, die aangeduid worden met de termen pacificatiedemocratie en elitaire consensus.
De pacificatiepolitiek is het streven naar en de vaardigheid om de problemen die in de onderlinge betrekkingen tussen de zuilen grote spanningen opleveren, op een speciale manier vreedzaam op te lossen en via onderhandelingen en topconferenties met volledige geheimhouding een volwaardig compromis te bereiken. Deze vorm van politiek bedrijven is het duidelijkst zichtbaar geworden in een aantal pacten. Chronologisch het eerst kwam het Pact van Sociale Solidariteit (1944), waaruit de Besluitwet van 28 december 1944 op de maatschappelijke zekerheid, de Besluitwet van 9 juni 1945 op de paritaire commissies en de Wet van 20 september 1948 op de ondernemingsraden zijn voortgevloeid, en dat later werd bevestigd in de Gemeenschappelijke verklaring over de produktiviteit (1954). Deze handelwijze wordt geregeld hernomen in het overleg tussen regering en sociale partners in de vaste of gelegenheidsorganen als de Centrale Raad voor het Bedrijfsleven, de Nationale Arbeidsraad en de Tewerkstellingsconferenties. Zij geeft aan de werkgevers-, werknemers-, landbouw- en middenstandsorganisaties een institutionele plaats en een belangrijke politieke mediatie- en besluitvormingsfunctie, die des te evidenter wordt doordat het parlement de in deze instellingen bereikte overeenkomsten slechts formeel heeft te bekrachtigen, zonder nog echt met zijn besluitvormingsmiddelen tussenbeide te kunnen komen. Nadat het sociaaleconomische spanningsveld op die manier in vreedzame en doeltreffende banen was geleid, werd dezelfde methode toegepast op het levensbeschouwelijke spanningsveld. Dit leidde, na de uitkomstloosheid van de Schoolstrijd, tot het Schoolpact (1958), dat in 1973 werd hernieuwd, en het Cultuurpact (1972–1973). Ook de volkerenspanningen werden door de drie traditionele partijen op deze manier aangepakt, met initiatieven als de Rondetafelconferentie (1964–1965), de Commissie voor de verbetering van de betrekkingen tussen de taalgemeenschappen (1966–1968) en de Commissies van de 28 en van de 24 (1969). Het regeringsoverleg van 1970 tussen CVP-PSC en BSP, nadien ook met de liberalen, leidde tot de grondwetsherziening van 1970–1971. Deze herziening bracht evenwel geen fundamentele oplossing voor de problematiek, zodat de oppositionele federalistische partijen een kans kregen volwaardig bij het overleg te worden betrokken. Na een eerste poging in 1974, echter zonder blijvend resultaat, werd de pacificatiepolitiek ten volle gehanteerd in de onderhandelingen van mei 1977, die hebben geleid tot het Egmontpact over de gewestelijke en gemeenschapsorganisatie van de Belgische staat. Het pact stootte echter op hardnekkig verzet bij een belangrijk deel van de Vlaamse publieke opinie, die er een te onevenwichtig compromis in zag, mede waardoor het in 1978 schipbreuk leed. Nadat in 1980 en 1988-1989 verder gebouwd was op de grondwetsherziening van 1970, werd met het St-Michielsakkoord (1992) het unitaire België definitief omgevormd tot een bondsstaat.
Bij de pacificatiepolitiek heeft het parlement geen wezenlijke rol meer te vervullen. In plaats van actief en eigenstandig te kunnen optreden, worden de staatsburgers teruggedrongen in een consumptieve participatierol. Ook de meerderheid regeert niet meer. De elite voert het bewind, dat in aanzienlijke mate wordt uitgetekend door de elitaire consensus, d.i. het geheel van de gemeenschappelijke politieke waarden van de elite, die men noodzakelijk moet overnemen om tot de topgroep te worden geselecteerd. Deze elitaire consensus is ontstaan uit intrinsieke beperkingen van de beleidsalternatieven, door de structurele karakteristieken van de problemen en de specificiteit van de beschikbare middelen. Hij heeft vorm gekregen door de lering omtrent vroeger gevoerd beleid (feedback-mechanisme). De elitaire consensus omvat, naast de waarde en de vaardigheidsregels van de pacificatiepolitiek, als normen: het grondwettelijk koningschap; de Belgische particratische vorm van de ‘parlementaire democratie’; Brussel als het machtscentrum van de staat; een Franstalige dominant; een buitenlandse politiek die onder het mom mee te stappen met de ideologie van het Westen hoofdzakelijk bekommerd is om economische en handelsmotieven; het hanteren van het overleg en de overheidsbijsturing in een vrijemarkteconomie met de realisatie van de welvaartsstaat als doel; eerbied voor de persoonlijke rechten en de individuele vrijheden; een levensbeschouwelijk pluralisme. De Belgische elite aanvaardt aanpassing van deze elitaire waarden en normen aan fundamentele en langtermijnige structuurveranderingen. Tevens voert zij aanpassingen aan de waarden en doelstellingen van machtige oppositiegroeperingen door, indien deze langdurig en sterk op het politieke leven kunnen drukken. Hierbij kan een coöptatie gebeuren van de belangrijkste oppositionele leiders die tot compromisvorming bereid zijn. Anderzijds is de Belgische elite niet dermate homogeen dat geen meningsverschillen zouden optreden, maar deze situeren zich buiten de elitaire consensus en worden toch aangepakt met technieken van de pacificatiepolitiek; zo niet dreigt men tot scherpe conflicten te komen.
Personen, groepen, organisaties en bewegingen die politieke waarden voorstaan die tegengesteld zijn aan die van de elitaire consensus (zoals de socialistische arbeidersbeweging en de Vlaamse Beweging, die allebei halverwege de 19de eeuw ontstonden) moeten zich zo sterk mogelijk organiseren en een zo groot mogelijke slagkracht ontwikkelen, met alle oligarchische nadelen van dien. Zij moeten tevens bereid zijn de lange, moeizame weg te gaan van opinievorming tegen de hoofdstroom van de elitaire opiniemedia in, van electorale machtsvorming binnen de beperkte mogelijkheden van de parlementsverkiezingen, en van de ongelijke strijd als actiegroepering tegen de gevestigde en geïnstitutionaliseerde drukkingsgroeperingen. Veranderingen die buiten – dus niet tegen – de waarden van de elitaire consensus vallen, kunnen vlotter en zachter verlopen. Wordt de nieuwe tendens in de consensus opgenomen, zoals bijv. de Europese integratie, dan zal de evolutie een zeer vlot verloop kennen.
| 3.9 Onderwijs |
Krachtens art. 24 van de Grondwet is het onderwijs vrij en mag de uitoefening van die vrijheid van geen preventieve maatregel afhankelijk worden gesteld. Onderwijs wordt in België gegeven in instellingen die behoren tot de officiële of openbare sector (gemeenschappen, provincies, gemeenten) en tot de bijzondere of vrije sector (rooms-katholieke en zgn. methodescholen). Het onderwijssysteem is in België gestructureerd over de niveaus basisonderwijs (voorschoolse opvoeding en lager onderwijs), secundair onderwijs en hoger onderwijs. Door de Wet van 6 juli 1970 werd het buitengewoon onderwijs in de wettelijke regeling opgenomen. Sinds 1921 geldt de leerplicht voor kinderen van zes tot veertien jaar (in 1983 verlengd tot achttien jaar, met van zestien tot achttien jaar een stelsel van deeltijdse leerplicht). Voor de geschiedenis van het onderwijs, de organisatie, enz. zie onderwijs.
| 3.10 Pers en omroep |
In België bestaat drukpersvrijheid (art. 25 Grondwet). Dat betekent dat (preventieve) censuur op publicaties niet is toegelaten. De Belgische dagbladpers is vanaf haar ontstaan een politieke opiniepers geweest. De dagbladpers telt (2002) 26 titels. Wegens de taaldiversiteit kent geen enkele krant landelijke spreiding. Tussen de jaren vijftig en zeventig heeft zich in de Belgische pers heel wat concentratie voorgedaan. Teneinde de financiële moeilijkheden waarmede vooral de dagbladpers sedert het begin van de jaren zeventig heeft te kampen, te verhelpen, wordt door de overheid onrechtstreeks steun verleend via verminderde post-, telefoon- en telextarieven, alsook directe financiële hulp (sedert 1973). Voor de ontwikkeling en de organisatie van de pers in België, zie voorts pers [media].
Tot 1987 bestond er een wettelijk geregeld overheidsmonopolie voor de omroep, toegekend aan drie publiekrechtelijke instellingen: BRT (sedert 1998 VRT), RTBF en Belgisches Rundfunk- und Fernsehzentrum, resp. voor de Nederlands-, Frans- en Duitstalige radio- en televisie–uitzendingen. In 1987 werd zowel in Vlaanderen als in het Franstalige landsdeel bij decreet de mogelijkheid gecreëerd om niet-openbare omroepmaatschappijen op te richten; tevens werd het verbod op het uitzenden van commerciële reclame op radio en televisie bij wet opgeheven. De Franstalige omroep TVi (die samenwerkt met de Luxemburgse RTL) en de Nederlandstalige VTM verkregen, elk voor het eigen taalgebied, een exclusieve zendvergunning als commerciële, niet-openbare televisieomroep. Deze exclusiviteit was echter niet naar de zin van de Europese Commissie die de Vlaamse regering terecht wees op de concurrentievervalsing. VTM en de Vlaamse dag- en weekbladpers, die de commerciële zender hadden opgericht, moesten dan ook lijdzaam toezien hoe VT4 (een Amerikaans-Scandinavisch concern) vanuit Londen de Vlaamse markt bestreek met commerciële programma's. Het monopolie van VTM werd per 1 januari 1998 afgeschaft. In de jaren 1970 begonnen tientallen ‘vrije’ of lokale (commerciële) radio-omroepen uit te zenden. De wildgroei maakte na enkele jaren een decretale regeling noodzakelijk. In 2001 stond de Vlaamse overheid de oprichting toe van twee landelijke commerciële radiostations. Voor de ontwikkeling en de organisatie van de Belgische omroep zie voorts omroep.
| 4. Economie |
De economische ontwikkeling kende in België sinds 1960 een belangrijke groeifase tot 1974, gevolgd door een recessieperiode met een inkrimping van het reële bruto nationaal product (1975 en 1981) of een trage groei. Tussen 1960 en 1974 bedroeg de gemiddelde groei 4,9% tegenover 1,7% in de periode 1974–1988. In de tweede helft van de jaren zeventig groeide het reële bruto binnenlands product nog met 2,1% tegenover maar 1,4% in de jaren tachtig. In de jaren 1990 werd een gemiddelde groei van 2% genoteerd, met in de eerste helft lagere cijfers (en zelfs een negatieve groei van –1,4% in 1993) dan in de tweede helft van het decennium (tot 3,6% in 1997). In 2000 groeide de economie zelfs met 4%. De groei van de Belgische economie bleef echter in 2002 steken op 0,7%, nog minder dan de bescheiden 0,8% van het jaar daarvoor. Het was meteen het laagste cijfer in tien jaar. Oorzaak waren de terugval in bedrijfsinvesteringen en de export. Ook de consumenten wilden niet echt mee. Door de onzekere internationale situatie kozen velen het zekere voor het onzekere. De economische toestand werd sedert 1974 bovendien gekenmerkt door een hoge inflatiegraad (die vanaf 1982 terugliep en in 1986 nog slechts 1,3% bedroeg), een hoge werkloosheidsgraad, een verslechterende toestand van de openbare financiën en een schommelend saldo op de betalingsbalans. Belangrijk was ook de progressieve stijging van de overheidsconsumptie tussen 1960 en 1981. Onder invloed van de moeilijkheden in de openbare financiën werd het groeiritme van de overheidssector sedert 1981 afgeremd. Zowel qua tewerkstelling als qua toegevoegde waarde hebben de sectoren landbouw, bosbouw en visserij, de extractieve nijverheid en de be- en verwerkende nijverheid duidelijk aan belang verloren ten voordele van de dienstverlenende activiteiten. Een belangrijke groei werd o.m. geboekt in de financiële sector.
Regionaal bekeken is de welvaartstijging sinds 1975 nog ongelijker verdeeld dan tussen 1960 en 1974. Gemeten naar omzet hebben de Vlaamse stedelijke gebieden of stadsgewesten (stad of gemeente als centrum van economisch draagvlak) een bedrijfseconomische dynamiek die vijfmaal groter is dan in Wallonië; inzake creatie van toegevoegde waarde en investeringen is deze viermaal groter. Het gewest Brussel behoudt zijn sterke positie. Dit fenomeen is niet toe te schrijven aan enig overheidsingrijpen. In Vlaanderen zijn de grote trekkers Antwerpen, Gent en de Vlaamse rand rond Brussel. In Wallonië zijn de grote verliezers Luik en Charleroi. De stadsgewesten Hasselt–Genk en Mechelen presteren beter dan in de jaren tachtig. De kleinere Vlaamse centra (Oostende, Brugge, Leuven, Aalst, Turnhout) gaan licht achteruit. De driehoek Antwerpen–Genk–Brussel begon zich te ontwikkelen tot één grote bedrijfseconomische regio en het vraagt heel wat planning om die niet te laten dichtslibben.
| 4.1 Arbeidsmarkt |
De totale Belgische beroepsbevolking bedraagt 4 498 422 (2005 reëel) personen. Sedert 1961 steeg de beroepsbevolking met bijna 700 000 eenheden. Dit is uitsluitend te danken aan de toename van de beroepsactiviteit van vrouwen. In 1991 oefende 35,4% van de vrouwen een beroep uit, tegen 20% bij het begin van de jaren zestig. Bij de mannen daalde de activiteitsgraad in dezelfde periode van 57,4% naar 49,5%. De werkgelegenheidscoëfficiënt bedroeg voor geheel België 79,46%; voor het Vlaams Gewest was die 75,75%, voor het Waals Gewest 66,16% en voor het Brussels Hoofdstedelijk Gewest 153,12%.
Kenmerkend voor de Belgische arbeidsmarkt zijn ook de belangrijke verschuivingen per sector. Volgens de drie-sectorenanalyse van C. Clark (thans uitgebreid tot vier) wordt de evolutie in een groeiende maatschappij gekenmerkt door een overgang van de primaire (landbouw) naar de secundaire (industrie) en naar de tertiaire sector (diensten). Sinds een paar decennia werd hieraan de quartaire sector toegevoegd. Deze bevat grosso modo de niet-commerciële dienstverlening.
Op de Belgische arbeidsmarkt verloren de primaire (landbouw, visvangst, mijnbouw) en de secundaire sector (industrie) duidelijk aan belang ten voordele van de dienstverlenende activiteiten (met inbegrip van de niet-commerciële of quartaire sector).
Ramingen van het ministerie van Tewerkstelling en Arbeid tonen aan dat tussen 1974 en 1983 bijna 200 000 binnenlandse arbeidsplaatsen in België verloren gingen. Sedertdien deed zich een lichte heropleving voor, maar in 1987 omvatte de binnenlandse tewerkstelling nog 122 000 arbeidsplaatsen minder dan in 1974. Voor de privé sector was dit verlies nog groter, maar daarentegen groeide de tewerkstelling in de overheidssector. Tussen 1987 en 2000 groeide de werkgelegenheid weer met ca. 250 000 arbeidsplaatsen. Dit was het saldo van uiteenlopende bewegingen: voor meer dan de helft door de ontwikkeling van de werkgelegenheid en voor een ander deel door arbeidsherverdeling (vooral uitbreiding van deeltijdwerk). De Belgische arbeidsmarkt wordt daarenboven gekenmerkt door een groeiend aandeel van de loon- en weddetrekkenden in de totale beroepsbevolking. In 1961 vertegenwoordigden de categorieën zelfstandigen en helpers 23% van de beroepsbevolking, in 1999 was dit nog slechts 15%, en dit ondanks een bijna verdubbeling van het aantal in vrije beroepen werkzame personen (in 1995 120 695).
Belangrijk zijn ook de geografische verschuivingen. Het Vlaams Gewest heeft de sterkste expansie gekend en werd ook minder getroffen door de economische recessie. De provincies met een belangrijke werkgelegenheid in de zware nijverheid (Henegouwen en Luik) hebben de grootste moeilijkheden gekend. Ook traden verschuivingen op in de verhouding tussen het aantal arbeiders en bedienden. In 1995 waren er 1 123 096 arbeiders (-12,4%), 1 008 979 bedienden (+ 20,1%) en 1 008 935 personen in overheidsdienst (+16,4%).
Hoewel de werkloosheid in België al sedert 1964 toenam, verergerde de situatie vooral sinds 1974. In 1974 telde België 104 720 volledig werklozen. Tien jaar later was dit gestegen tot 512 400. Pas sinds 1985 trad een lichte verbetering op. In percentage van de tegen werkloosheid verzekerden steeg de werkloosheidsgraad van 5,9% in 1960 tot 19,5% in 1987. In de tweede helft van de jaren tachtig ging het beter met de economie en daalde de werkloosheid geleidelijk naar 350 000 in 1990. Ondanks vele banenplannen die door federale en gewestelijke overheid werden gelanceerd, ging het aantal werklozen echter weer stijgen tot ruim 500 000. In 2000 was (definitie Internationale Arbeidsorganisatie) 7% van de beroepsbevolking werkloos. In 2002 steeg de werkloosheid opnieuw met 11% ten gevolge van de internationale economische crisis. Meer dan 6600 bedrijven zetten hun activiteiten stop. Door de sluitingen en saneringen kwam het aantal werklozen op 389.000, 11,7% van de beroepsbevolking. Als rekening wordt gehouden met de niet-uitkeringsgerechtigde werkzoekenden en hen die werden opgevangen door diverse maatregelen van werkloosheidsbestrijding, bedroeg het totale aantal personen met een (aanvullende of volledige) werkloosheidsuitkering bijna een miljoen. De werkloosheid bij de vrouwen bedroeg ongeveer het dubbele van die bij de mannen. Bovendien is de werkloosheid in België vooral een structureel probleem. Sedert de jaren tachtig bedroeg het aantal personen dat ten minste twee jaar werkloos was, meer dan de helft van het totaal van de volledig werklozen; vooral jongere arbeidskrachten hadden het moeilijk om een baan te vinden.
| 4.2 Land- en tuinbouw |
De betekenis van de land- en tuinbouw is sterk geslonken. In 1991 waren in deze sector 31 544 personen tewerkgesteld. Door mechanisering, inkrimping van de cultuurgrond en inkomensdruk heeft de land- en tuinbouw een belangrijk verlies aan arbeidsplaatsen gekend. Bovendien wordt deze sector gekenmerkt door schaalvergroting en specialisering. Tussen 1970 en 1987 is het aantal landbouwbedrijven nagenoeg gehalveerd, terwijl de gemiddelde oppervlakte per bedrijf met bijna 75% steeg. In 1991 telde België nog 78 516 bedrijven met een gemiddelde oppervlakte van 14,6 ha. Meer dan 95% van de Belgische cultuurgrond wordt gebruikt voor akkerbouw, weiden en grasland. Niettegenstaande de daling van het aantal bedrijven is de veestapel toegenomen, hoofdzakelijk door de sterke toename van de varkensfokkerij (ruim 7 miljoen stuks), die vooral in West-Vlaanderen en de Noorderkempen is gelokaliseerd. De dioxinecrisis van 1999 trof de landbouw (en de gehele voedingssector) zwaar: de productie daalde met ca. 1,4%.
Sedert 1980 is de tuinbouw in open grond sterker toegenomen dan deze onder glas. Groenten nemen ongeveer de helft van de oppervlakte onder beschutting in beslag en de bloementeelt bijna 30%.
| 4.3 Bosbouw |
Volgens de land- en bosbouwtelling van 1970 bedroeg de beboste oppervlakte in België 617 000 ha. De provincies Luxemburg (34%), Namen (20%) en Luik (17%) nemen bijna drievierde daarvan voor hun rekening. Ca. 2950 personen waren in deze sector werkzaam. De jaarlijkse houtproductie schommelt rond 1 miljoen m3, waarvan tweederde naaldhout.
| 4.4 Visserij |
Alleen de zeevisserij bezit commerciële betekenis: garnalenvangst langs de kust, oesterkweek te Oostende en Nieuwpoort en visserij in de Noordzee, de IJslandse en Newfoundlandse wateren.
In de jaren zestig stagneerde de Belgische visvangst op bijna 50 000 t per jaar. Sindsdien is de visvangst achteruitgegaan; in 1986 en 1987 bedroeg de geloste hoeveelheid nog amper 30 000 ton, in 1993 nog slechts 22 119 ton, een en ander onder invloed van de Europese visquota. Onder invloed van de inflatie is de waarde evenwel sterk gestegen. De belangrijkste van de aangevoerde vissoorten zijn schol, kabeljauw en tong. In waarde uitgedrukt komt tong op de eerste plaats. Zeebrugge is zowel in volume als in waarde de eerste vissershaven.
| 4.5 Mijnbouw |
De steenkoolwinning heeft in België alle betekenis verloren. Het Zuiderbekken werd tussen 1968 en 1984 geleidelijk gesloten en in het Noorderbekken (Kempen) werd de productie in de oostelijke mijnen in 1988 stopgezet; de volledige sluiting had plaats in 1992. In 1988 bedroeg de Belgische steenkoolproductie nog 2,6 miljoen t tegenover 11,4 miljoen t in 1970. De achteruitgang in de Belgische steenkoolproductie is niet alleen toe te schrijven aan de verandering in de energiebalans (concurrentie van aardolie, -gas en nucleaire energie), maar vooral aan de ongunstige exploitatievoorwaarden. De dure subsidiepolitiek van de overheid diende geleidelijk ingekrompen en heeft de sociale nadelen van de afbouw van de tewerkstelling in de mijngebieden weliswaar kunnen lenigen zonder evenwel voldoende omschakelingsactiviteiten uit te bouwen.
De ertsontginning (ijzer, zink, lood en koper), die nochtans aan de basis lag van het ontstaan van de Belgische metaalindustrie, heeft haar betekenis geheel verloren. In 1976 bedroeg de eigen ijzerertswinning (in Belgisch Lotharingen) slechts 94 000 t (0,5% van het totale Belgische ertsverbruik). De winning van gesteenten is heel wat belangrijker dan de ontginning van ertsen. Porfier, een eruptief gesteente, wordt gewonnen te Quenast en Bierk; kwartsiet uit het Cambrium te Dongelberg en harde zandsteen uit het Devoon o.a. te Comblain-au-Pont, Esneux en Sprimont. In een brede strook van Alle tot Martelange wordt uit het Devoon, zoals eveneens te Vielsalm uit het Cambrium, harde leisteen voor dakbedekking ontgonnen. De ruim ontsloten kalksteenlagen van het Devoon en het Carboon leveren: a. arduin of blauwe hardsteen, o.a. te Ecaussinnes, Zinnik en Sprimont; b. verschillende marmersoorten, nl. ‘bleu belge’, o.a. te Bioul, Anhée, Bouffioulx en Merlemont, zwart marmer o.a. te Bossière, Mazy, Dinant en Basècles, rood marmer te Phillippeville, Frasnes, Rochefort, enz., grijs marmer o.a. te Villers-Poterie, Gougnies; c. kalksteen voor kalkovens en cementfabrieken o.a. te Doornik, Ecaussinnes, Zinnik, Antoing, Lustin, Hoei en Couvin. Krijt, vnl. verwerkt in de kalkovens en de cementnijverheid, wordt gewonnen o.a. te Harmignies, Obourg, Thieu, Wezet, Orp-le-Grand en Haccourt; zoals ook kalkfosfaat, waarvan de ontginning (o.a. te Bergen) aanleiding heeft gegeven tot het ontstaan der superfosfatenindustrie. Klei en leem voor steenbakkerijen en pannenfabrieken worden op vele plaatsen uit de Tertiaire en Kwartaire afzettingen gedolven, nl. in de polders (Nieuwpoort), langs de Rupel en de Schelde (o.a. te Boom, Rupelmonde en Temse), in het Waasland (bijv. te Sint-Niklaas), langs het Kanaal Dessel-Turnhout-Schoten (o.a. te Ravels en te Beerse) en bij Kortrijk; klei, geschikt voor aardewerk en vuurvast materiaal, wordt uit Secundaire en Tertiaire lagen gewonnen, o.a. te Andenne en te Baudour. Zand voor het bouwbedrijf komt in ruime mate voor. Het witzand van Mol (Kwartair) dient speciaal vermeld als grondstof voor de glasnijverheid. De tertiaire lagen te Mélin (een deelgemeente van Gelderaken) in het gehucht Gobertange, leveren, zoals in de late Middeleeuwen, nog steeds de gewaardeerde gobertange–witte zandsteen.
| 4.6 Grondstoffenvoorziening |
Behalve voor minerale niet-metaalhoudende producten is België inzake grondstoffenvoorziening vrijwel volledig aangewezen op het buitenland. Volgens de typeclassificatie van de internationale handel (TCIH) vertegenwoordigen de niet-energetische grondstoffen ongeveer 9% van de waarde van de totale Belgische invoer. De belangrijkste grondstoffeninvoer is die van ertsen, aardolie en chemische producten.
| 4.7 Energievoorziening |
De netto-elektriciteitsproductie bedroeg in 1993 67 108 Gwu. Tussen 1973 en 1994 had een aardverschuiving plaats in de gebruikte brandstoffen voor elektriciteitsproductie. In 1973 was dat voor steenkool 13%, olie 52%, aardgas 32,2%, kernenergie 0,2% en water 1,6%; de toestand in 1994 was resp. 25,2%, 2%, 15,3%, 55,3% en 1,7%. In december 1988 besliste de regering dat de bouw van een bijkomende kerncentrale niet opportuun was; België telde op dat moment zeven nucleaire centrales: vier in Doel en drie in Tihange.
De grootste afnemers van de ingevoerde steenkool zijn de cokesfabrieken, de elektrische centrales en de industrie. Aardgas deed zijn intrede op de Belgische markt in 1966. In 1993 liep de aardgasverkoop op tot 435 GJ (Gigajoule). Aan de industrie werd 294 miljoen GJ verkocht. België betrekt zijn aardgas (1993) voor 35% uit Nederland, 22% uit Noorwegen, 33% uit Algerije en 10% uit andere landen. In totaal wordt jaarlijks 500 miljoen GJ ingevoerd. Het verbruik van de huishoudelijke sector bedroeg 141 miljoen GJ, waarvan 95% voor verwarming. In meer dan 2 miljoen woningen werd aardgas gebruikt; ongeveer 1,43 miljoen woningen werden met aardgas verwarmd. In Zeebrugge werd in 1987 een terminal voor de aanvoer van vloeibaar gemaakt aardgas (LNG) uit Algerije in gebruik genomen. Door akkoorden met Noorwegen over de Zeepipe-leiding en de exploitatie van het Troll-veld zou Zeebrugge in de loop van de jaren negentig uitgroeien tot een draaischijf van het Europese aardgastransport. In de oliesector werd de Belgische raffinage-industrie in het begin van de jaren tachtig getroffen door de rationalisatie die na de tweede oliecrisis noodzakelijk was geworden. In 1987 bedroeg de totale distillatiecapaciteit van de Belgische raffinaderijen nog 35,270 miljoen t, tegenover 55,554 miljoen t in 1979. Die capaciteit werd voor 78,1% benut. De productie van afgewerkte olieproducten bedroeg in 1993 27 774 miljoen ton. De Belgische invoer was afkomstig uit de Noordzee (22,1%), Saoedi-Arabië (12,1%), Libië (11%), Iran (11%) en de voormalige Sovjet-Unie (10,9%). Het leeuwendeel van het verbruik had betrekking op gasoil (38%), residuele stookolie (23,8%) en autobenzines (20%).
| 4.8 Industrie |
Bij het begin van de 19de eeuw lag het zwaartepunt van de industriële bedrijvigheid nog in het Nederlandstalige landsgedeelte: textielnijverheid. De Industriële Revolutie en de ontginning van de steenkoolbekkens van Wallonië brachten een verschuiving mede in de richting van het zuiden en de streek van Luik. Sinds de eeuwwisseling en vooral na de Tweede Wereldoorlog ontwikkelde de industrie zich weer sneller in de noordelijke provincies. Onder de factoren die de naoorlogse verschuiving in de hand werkten, dienen vooral vermeld: de ontginning van het Kempisch steenkoolbekken, de wijzigingen in de energiebalans, de betere demografische verhoudingen in het Vlaamse gewest, de verkeersgeografische ligging en de vestiging van filialen van buitenlandse ondernemingen, mede in de hand gewerkt door een actief overheidsingrijpen. Vooral in Henegouwen, lange tijd een van de meest dynamische provincies op het gebied van de nijverheid, deden zich grote omschakelingsproblemen voor. Teneinde de industriële investeringen te bevorderen, werd in 1959 een zgn. wetgeving op de economische expansie in het leven geroepen (Wetten van 17 en 18 juli 1959). De eerste wet voorzag in algemene overheidstussenkomst, hoofdzakelijk in de interestlast van voor investeringsdoeleinden bestemde leningen en toekenning van een staatswaarborg betreffende de terugbetaling van door parastatale of privékredietinstellingen verstrekte leningen. De tweede wet maakte een meer selectieve interventie mogelijk. Hiertoe werden bij K.B. van 27 november 1959 vijftien ontwikkelingszones aangewezen. Deze wetgeving werd vernieuwd door de Wet op de economische expansie van 24 december 1970. Om de economische omschakeling en de ontwikkeling van de steenkoolmijngebieden en van bepaalde andere met ernstige en dringende problemen geconfronteerde gewesten te beoordelen en te versnellen, werd besloten tijdelijk tot verhoogde, selectieve overheidssteun over te gaan (Wet van 14 juli 1966). In 1991 stelde de industrie inclusief de bouwsector nog 24,8% van de beroepsbevolking tewerk; de bijdrage tot het bruto nationaal product bedroeg amper 30%. In een kwart eeuw verloor deze sector 20 procentpunt van de tewerkstelling en 7% van zijn aandeel in de bruto toegevoegde waarde. In 1999 kreeg de voedingssector een klap door de dioxinecrisis.
| 4.9 Handel |
De binnenlandse handel kende sedert 1960 een verdere inkrimping van het aantal kleinhandelszaken zonder personeel. Volgens de volkstelling van 1991 waren nog 577 865 (of 15,8%) personen tewerkgesteld in de handel. Tussen 1971 en 1980 verminderde het aantal handelsvestigingen met bijna 15 000. Opmerkelijk is de toename van het aantal handelszaken tussen 1980 en 1988. Het aantal vestigingen in groot- en kleinhandel steeg van 173 817 naar 196 877. Hiervan werkten ca. 143 400 vestigingen zonder personeel.
De buitenlandse handel van België moet worden beschouwd in het licht van de Belgisch-Luxemburgse Economische Unie (BLEU). De Belgische economie is een open economie, waarin de welvaart zeer afhankelijk is van de buitenlandse handel. Binnen de EG-landen heeft België, na Luxemburg, de grootste afhankelijkheidscoëfficiënt. In 1987 bedroeg de waarde van de invoer van goederen en diensten 35,8% van de beschikbare middelen. De afhankelijkheidscoëfficiënt van de uitvoer bedroeg 37,3%. Sedert de jaren zestig kende de buitenlandse handel een belangrijke expansie en in 1985 overtrof de uitvoer van goederen voor het eerst de 3000 miljard frank. In de eerste negen maanden van 1998 bedroeg de invoer 4416 miljard frank (+6,9% tegenover 1997) en de uitvoer 4878 miljard frank (+7,2%). In 1999 eiste de dioxinecrisis zijn tol; de waarde van de uitvoer van landbouw- en voedingsproducten daalde met 32,6 miljard frank tot 510 miljard frank. Lange tijd was Nederland de belangrijkste afnemer van Belgische producten. Sinds de jaren zeventig komt dit land na Duitsland en Frankrijk. Daarna komen het Verenigd Konigkrijk en Italië. De in- en uitvoer hebben voor 68% betrekking op de landen van de Europese Unie. De Belgische uitvoer is zeer ongelijk verdeeld over de regio's: Vlaanderen neemt daarvan 67%, het Brussels Hoofdstedelijk Gewest 19% en Wallonië slechts 14% voor zijn rekening. In de regionale omzet van de regio's is de uitvoer voor Vlaanderen 42%, voor Brussel 38% en Wallonië 30%.
| 4.10 Bankwezen |
Zie voor de geschiedenis en de recente ontwikkelingen van het bankwezen bank [economie].
| 4.11 Verkeer |
De grote bevolkingsdichtheid, de intense en groeiende industriële en commerciële bedrijvigheid, de ontwikkeling naar een meer eengemaakt Europa en de verkeersgeografische ligging van België hebben de ontwikkeling van de verkeerssector sterk bevorderd. Ca. 6,4% van de actieve bevolking is in deze sector werkzaam. Het rechtstreeks en onrechtstreeks aandeel van deze sector in het bnp bedraagt ca. 20%. De maatschappelijke en ruimtelijke gevolgen van de toegenomen mobiliteit van de individuen overstijgen in grote mate het loutere vervoergebeuren.
Het personenvervoer werd reeds vroeg sterk bevorderd door het uitbouwen van het spoorweg- en buurtspoorwegnet, in de periode 1835–1914. Daar beide netten in enkele decennia vrijwel volledig waren aangelegd (in 1860 beschikte het land over 5000 km spoorlijnen, en het buurtspoornet, dat vooral vanaf ca. 1875 tot stand kwam, bereikte tegen de Eerste Wereldoorlog eenzelfde lengte), had het spoor een aanzienlijke invloed op de ruimtelijke spreiding van woon- en werkgelegenheden. Het gebruik van het openbaar vervoer kende rond 1960 een hoogtepunt. De aanzienlijke mobiliteitstoename nadien is echter volledig voor rekening van het groeiend aantal personenwagens. De auto verzekert begin jaren negentig ca. 85% van het gemotoriseerde personenvervoer en de vrachtwagen ca. 60% van het vervoer te land. Sedert het midden van de jaren tachtig beheerst het toenemend optreden van moeilijk weg te werken verkeersknelpunten (vooral filevorming op de invalswegen van grote agglomeraties) steeds meer de aandacht.
Het spoorwegnet van de Nationale Maatschappij van Belgische Spoorwegen had eind 1988 nog een lengte van 3554 km, waarvan 2240 km geëlektrificeerd. De grondige hervorming van het spooraanbod in 1984, met de invoering van het IC-IR-plan (intercity- en interregioverbindingen) heeft het vervoer over langere afstand geconsolideerd en de productiekosten afgeremd. Het spoorwegpersoneel werd tussen 1982 en 1988 met 30% verminderd, onder druk van de afnemende overheidstussenkomsten voor investeringen en exploitatie. Het herstructureringsplan Doelstelling 2005 bevat een besparing van tien miljard frank op personeelskosten o.m. door vermindering van het personeelsbestand van 41 500 naar 35 000 werknemers in 2005.
Het stedelijk openbaar vervoer werd sinds 1954 (Brussel) en 1962 (Antwerpen, Luik, Charleroi, Gent en Verviers) geëxploiteerd door Maatschappijen voor Intercommunaal Vervoer, tot 1988 gesubsidieerd door de staat en vanaf 1989 door het betrokken gewest. In de periode 1963–1988 werden enorme bedragen besteed om de grote agglomeraties, vooral Brussel, Antwerpen en Charleroi, met een metro- of premetronet uit te rusten. In 1991 werd de Vlaamse Vervoermaatschappij De Lijn opgericht, die instaat voor het stads– en streekvervoer in het Vlaams Gewest; het is een autonoom Vlaams overheidsbedrijf met jaarlijkse dotatie van het Vlaams Gewest. In het Waalse Gewest werd met de oprichting van de TEC (Transport en commun) een gelijkaardig initiatief genomen. in Brussel bleef de MIVB bestaan. Alleen Brussel beschikt over een echte metro (32,8 km; 1992: 92 miljoen reizigers).
Het streekvervoer (voor Vlaanderen eveneens ondergebracht bij De Lijn) voldeed steeds minder aan een wezenlijke behoefte: het aantal reizigers daalde van 306 miljoen in 1980 naar 244 miljoen in 1988 en tot 242 miljoen in 1990, ondanks het gelijkblijvend scholierenvervoer (33,4% van het totale streekvervoer in 1993). De kwalitatieve achteruitgang van de dienstverlening, de verkeersmoeilijkheden in de binnensteden, de sterke tariefverhogingen (bij het hele openbaar vervoer, vooral in de periode 1982–1985) en de verminderde overheidsbijdragen waren de grootste oorzaken van deze terugloop.
Tegenover het stagnerend openbaar vervoer stond de enorme expansie van het autoverkeer, enigszins afgeremd in de periode 1980–1985, maar zeer intens vóór- en nadien. Het personenwagenbezit steeg van 2,6 miljoen in 1975 en 3,5 miljoen in 1988 tot 4,1 miljoen in 1993. Op de autowegen was er in de periode 1980–1985 een stijging van het verkeer met 13,2%, op de rijkswegen met 2,7%. Maar in 1988 was er al een verkeersaangroei van 28% ten opzichte van 1985 op de autowegen en van 15% op de gewone wegen, vooral door de daling van de brandstofprijzen sindsdien. Begin 1993 had het autowegennet een lengte van 1658 km (1980: 1203,1 km). De aanleg daarvan gebeurde vooral in de periode 1970–1985. Het rijkswegennet was 12 718 km lang, het net van provinciewegen 1353 km. België heeft het dichtste wegennet van de Europese Unie per honderd vierkante km: nl. 462 km, en naast Hongkong, Macao en Singapore ook ter wereld. Ook voor de autowegen behoudt België de eerste plaats; net voor Nederland: 55 km per 1000 km2.
Het luchtverkeer was bijzonder expansief, o.m. door de democratisering van het passagiersverkeer, vooral bij de toeristische vluchten. Tussen 1970 en 1988 werd het passagiersaantal op Zaventem (sedert 1987 Brussels Airport Zaventem) meer dan verdubbeld, van 2,9 naar 7,1 miljoen, met vooral een sterke toename vanaf 1984. In 1996 was het passagiersaantal 12,5 miljoen en in 1997 nam het nog toe met 17,6%. Het vrachtvervoer volgde er dezelfde trend (van 115 tot 427 duizend ton). De regionale luchthavens deelden echter niet in die expansieve trend.
Het goederenvervoer werd sterk beïnvloed door de expansie van de havenbedrijvigheid en de industriële mutaties die niet zozeer het massavervoer dan wel het gediversifieerd internationaal vervoer over de weg in de hand werkten. De vormen van gecombineerd vervoer kwamen sterk tot ontwikkeling, terwijl het vervoer ook meer en meer als schakel in een geïntegreerde productieketen werd benaderd.
In 1988 werd Antwerpen opnieuw de tweede Europese zeehaven. In 1996 was de totale overslag 106 miljoen ton. Gent bereikte al in 1988 met 24 miljoen ton zijn potentiële mogelijkheden. De enorme inspanningen tot uitbouw van Zeebrugge als diepzeehaven bewerkten ook de expansie ervan: in 1988 werd voor het eerst 20 miljoen ton gehaald; in 1996 was dit opgelopen tot 28,2 miljoen ton. Het binnenlandse goederenvervoer over de weg (34 miljard kmt in 1991) geschiedt voor 12,7 miljard ton voor eigen rekening (door o.m. producent of groothandel) en voor 21,4 miljard ton voor rekening van derden. Het internationale wegvervoer kende een enorme groei: van 13 miljard ton in 1988 tot 20,6 miljard ton in 1991.
Het vervoer over de binnenwateren is geconfronteerd met een overcapaciteit op Europees vlak en veroudering van de vloot van vooral kleinere schepen waarvan het grootste deel eigendom is van schippers met één schip. De binnenvaart in België is eerder dalend (95 miljoen ton en 5,2 miljard ton in 1987; 88,9 miljoen ton en 5,1 miljard ton in 1992). Eind 1993 waren er nog 1604 schepen (tegen 1995 in 1987) met een laadvermogen van 1 474 979 ton. Het Belgische binnenvaartnet is 1506 km lang, waarvan 406 km bevaarbaar is voor schepen van 1350 t en meer.
Het goederenvervoer per spoor is, gezien over een langere periode, net als de binnenvaart in volume eerder constant gebleven, hoewel het sterk de invloed ondervond van de economische situatie van de sectoren kolen en staal. De sector onderging in de jaren tachtig een grondige sanering in het aanbod, met een sterke vermindering van het rollend materieel en het aantal bedieningspunten. In 1992 bereikte dit vervoer 8073 miljoen tonkm.
Het vervoer per pijpleiding, met Antwerpen als centrum, beschikte eind 1987 over een net van 264 km met een capaciteit van 36 miljoen t. Het vervoer bleef sedert 1982 rond 20 miljoen t schommelen.
| 4.12 Toerisme |
Door de gestegen welvaart en de toenemende vrije tijd kende sedert 1950 ook het toerisme een groeiend belang. Dit blijkt o.m. uit de sterk stijgende belangstelling voor recreatiedomeinen van velerlei aard (eendagstoerisme), maar ook uit het aantal overnachtingen in België, dat echter sedert de jaren zeventig gestabiliseerd is rond 30 miljoen per jaar. Het aandeel van de zeekust hierin is gedaald van ruim 60% in 1970 tot 48% in 1987 en 26,6% in 1993; alle andere posten stegen. De belangrijkste toeristische gebieden in België zijn: de kust: 26,6%; kunsthistorische steden (Antwerpen, Brugge, Brussel, Doornik, Gent, Leuven, Luik, Mechelen en Tongeren): 20,8%; Maas en Ardennen: 22,5%; Kempen 18%; andere toeristische gemeenten 12,2%. Wel blijft het toerisme als internationaal reisverkeer een deficitaire post op de betalingsbalans van de BLEU: -79 miljard frank in 1993.
| 5. Geschiedenis |
| 5.1 Prehistorie |
Op basis van archeologische vondsten wordt aangenomen dat reeds lang voor het agrarische neolithicum Noordwest-Europa bewoond werd door de zgn. Neanderthalers. De oudste sporen (doorgaans vuurstenen werktuigen) dateren van voor 500 000 v.C. en wijzen op een cultuur van jagers en vissers. In de buurt van Bergen (Spiennes en Mesvin) werden voorwerpen uit het Clactonien gevonden. Vuursteenindustrieën uit het laat-paleolithicum werden op verscheidene plaatsen aangetroffen, o.a. te Spiennes en te Luik (zandgroeve van Sainte-Walburge). In de grotten van o.a. Spy, Engis en Walzin (Dréhance) werden skeletten van Weichselien-Neanderthalers ontdekt. Tijdens het Solutréen waren de gewesten van het huidige België echter niet bewoonbaar. Vanaf ca. 4000 v.C. begon met het neolithicum de vestiging van de eerste landbouwdorpen met ieder naar schatting 50 tot 150 inwoners (bandkeramiek; vondsten te Rosmeer, Noord-Haspengouw). In de Kempen, de Leemstreek, de Famenne en de Maasvallei leefden van ca. 3500 tot ca. 2000 v.C. de culturen van het midden-neolithicum. Tijdens de midden-bronstijd (ca. 1500–1100 v.C.) was in Vlaanderen, de Kempen en de Leemstreek de Hilversumcultuur gevestigd, en in de late bronstijd worden de Famennegroep, de Midden-Belgische en de Vlaamse groep onderscheiden, telkens vooral aan de hand van de verschillende grafvormen. Tijdens de ijzertijd waren de Hallstatt-cultuur (700–500 v.C.) en de Keltische La Tènecultuur (vanaf 500 v.C.) overheersend. In deze periode ontstonden door wallen en grachten versterkte markt- en handelsplaatsen en heuvelforten (o.a. op de Kemmelberg). Enkele rijke krijgersgraven (o.a. te Court-Saint-Étienne en Eigenbilzen) wijzen op scherpe contrasten in levensstandaard tussen de krijgers en de gewone bevolking, die wellicht afstamde van de inheemse bevolking die bij het begin van de ijzertijd door invallende Kelten was onderworpen.
| 5.2 De Romeinse tijd |
De Keltische Belgae werden van 57 tot 51 v.C. door Caesar onderworpen en hun gebied werd bij het Romeinse Rijk ingelijfd als een deel van Gallia. Onder keizer Augustus werd Belgica (sinds 16–13 v.C.) een administratief zelfstandige provincie van dat rijk. Tot in de eerste eeuw n.C. was de mentale weerstand van de Keltische gewesten tegen de Romeinse beschaving erg groot, en pas onder keizer Claudius, die de druïdenstand afschafte en burgerrechten verleende aan de aristocratie, trad de eigenlijke romanisatie op, terwijl de bestaande sociale structuren behouden bleven. Het feit dat de onderworpen volkeren hulptroepen moesten leveren aan het Romeinse leger, en de aanleg van de eerste grote wegen door hun gebieden werkten deze culturele omschakeling in de hand. Een andere factor die daar toe bijdroeg, was de invloed die uitging van de Romeinse kolonies te Trier en te Keulen, waar oudgedienden van de legioenen leefden in steden naar Italisch model. Deze agglomeraties (alsmede de militaire haven van Boulogne en de opslagplaats Amiens) werden anderzijds het afzetgebied bij uitstek voor de producten van de Noord-Gallische landbouw en de inheemse ambachten. Er ontstonden (vooral in de Leemstreek) grote landbouwbedrijven (villae), Tongeren, Doornik en Aarlen kregen een stedelijk karakter, vele kleinere vici (baandorpen en markt- en ambachtsplaatsen) kwamen tot bloei en de handel met Italië en de rest van Gallia werd steeds drukker. Ook de concentratie van legers aan de Rijngrens had een grote invloed op de economische ontwikkeling van deze gewesten. In het westen bestonden aan de kust vissersdorpen en zoutwinningsbedrijven en werden grote kudden schapen geteeld omwille van de wol, de basis van een reeds aanzienlijke textielnijverheid. In het Kolenwoud en het Ardennenwoud werkten talrijke houthakkers en kolenbranders en tussen Samber en Maas en in de buurt van Luik nam de ijzerwinning industriële proporties aan. Tussen Luik en Aken werden zinkmijnen uitgebaat en te Doornik waren belangrijke kalksteengroeven.
Vanaf 256 staken Frankische krijgseenheden de Rijn over en trokken plunderend door heel Gallia, tot in het Iberisch Schiereiland. De meeste steden, vici en villae werden verwoest. Pas ca. 280 konden deze invallers worden verdreven, maar grote delen van de verarmde bevolking zetten de plunderingen voort, zodat een aantal steden begon met de bouw van omheiningsmuren. Een stam van de Franken, de Saliërs, bleef echter voortdurend het gebied van de grote rivieren en Toxandrië (de Kempen) infiltreren. Rome zag geen andere oplossing dan met deze Franken ca. 296 een verbond te sluiten: ze werden als foederati (verbondenen) in het Romeinse Rijk opgenomen en zouden de rijksgrens tussen de zee en Nijmegen voor Rome verdedigen. Ondertussen vestigden zij zich definitief in de Betuwe en in Toxandrië.
Vanaf ca. 297 voerde keizer Diocletianus een grondige administratieve hervorming door, waarbij Belgica werd gesplitst in Belgica Prima (in het zuidoosten) en Belgica Secunda (in het westen). Germania Inferior (in het noordoosten), dat reeds op het einde van de 1ste eeuw als volwaardige provincie van Belgica was losgemaakt, werd Germania Secunda genoemd. Ook werden de belastingen hervormd en voortaan in natura betaald. Om de invallen van over de Rijn beter te kunnen afweren werd een dynamische verdediging uitgebouwd, waarbij de troepen verder in het binnenland werden gelegerd.
| 5.3 De Merovingische en Karolingische periode |
De Salische Franken hebben de door hen bezette gebieden tegen de invallen van andere Germaanse stammen goed verdedigd. Zelf gebruikten zij het gezagsvacuüm dat in Noord-Gallia heerste, om, mede op zoek naar betere landbouwgronden, verder naar het zuiden af te zakken en zij maakten Doornik tot de hoofdplaats van hun nieuwe rijk. Tot een van de families van de Salische Franken behoorden de Merovingen met o.m. Chlodovech I, die vanuit Doornik de basis legde van het Frankische Rijk. Nadat zijn belangrijkste opvolgers, Chlotarius I (511–561) en Dagobert (623–639), eenheid hadden gebracht in het rijk, werd het grondgebied sinds 639 verdeeld in Austrasië en Neustrië (de grens liep dwars door het huidige België). De koninklijke macht werd al spoedig fictief: de hofmeiers (beheerders van koninklijke goederen) begonnen hun machtspositie te verstevigen en in 687 kon Pippijn II van Herstal de hegemonie van Austrasië over de rest van het Frankische Rijk bewerkstelligen (Slag te Tertry). In 719 liet diens bastaardzoon Karel Martel zich door de hem uitgeleverde koning Chilperik II uitroepen tot hofmeier van het gehele Frankische Rijk, waarna hij dit nog uitbreidde. Na de dood van koning Theodorik IV (737) oefende hij in eigen naam de koninklijke macht uit. Zijn zoon Pippijn III de Korte zette in 751 de laatste Merovingische vorst af en vestigde de dynastie van de Karolingen. De belangrijkste Karolingische vorst was Karel de Grote, die in 800 keizer werd van een christelijk Europees eenheidsrijk en zich te Aken vestigde. De macht van de Rooms-Katholieke Kerk, gevestigd sedert de kerstening onder de Merovingen (opkomst van tientallen abdijen, missiewerk van de heiligen Amandus, Hubertus, Willibrord, enz.), nam nog toe en uitte zich in grote rijkdom. Tijdens het bewind van Karel de Grote en diens opvolger, Lodewijk de Vrome (814–840), heerste een grote binnenlandse rust en bloeide de (landbouw)economie hoog op.
| 5.4 De post-Karolingische periode en de middeleeuwse vorstendommen |
Bij de dood van Lodewijk de Vrome (840) verdween de eenheid van het Frankische Rijk, dat door het Verdrag van Verdun (843) in drieën werd verdeeld: Francia Occidentalis of West-Francië, Francia Media of Midden-Francië en Francia Orientalis of Oost-Francië. Het westelijke deel van het huidige België behoorde tot West-Francië, het oostelijke deel tot Midden-Francië. De Schelde vormde de grens tussen beide. Het noordelijke deel van Midden-Francië kreeg later de naam Lotharingen en werd in de tweede helft van de 10de eeuw verdeeld in Neder-Lotharingen en Opper-Lotharingen. Het oostelijke deel van het huidige België behoorde tot Neder-Lotharingen.
Ten gevolge van de invallen van de Noormannen, het verval van het centrale gezag en de onbekwaamheid om zijn onderdanen te beschermen, verloor de koning in Frankrijk (zoals West-Francië werd genoemd) vanaf het einde van de 9de eeuw de absolute macht, die hij sedert het begin van het Frankische koningschap bezat. Enkele gouwgraven, die als ambtenaar bepaalde gebieden in naam van de koning bestuurden, maakten nu ook territoriale aanspraken en gingen het gezag in eigen naam uitoefenen. Zo legden de gouwgraven Boudewijn I en Boudewijn II de grondslagen van het graafschap Vlaanderen. Dit gebied had eeuwenlang af te rekenen met de Franse centralisatiepolitiek, maar kon, dankzij vooral de Guldensporenslag (1302), zijn zelfstandigheid bewaren. In Neder-Lotharingen deed zich een gelijkaardige ontwikkeling voor, maar later dan in Frankrijk. De graven van Leuven wisten hun macht geleidelijk uit te breiden en zo de basis te leggen van het hertogdom Brabant. Het graafschap Bergen vormde de kern van het graafschap Henegouwen. Andere Lotharingse vorstendommen waren Limburg, Loon, Luxemburg, Namen en Bouillon. Een bijzondere plaats werd ingenomen door het prinsbisdom Luik, dat is ontstaan door het verlenen van wereldlijke macht aan de bisschop van Luik. Het prinsbisdom zou, in tegenstelling tot de andere genoemde vorstendommen, die vanaf de 14de eeuw in een groter geheel werden opgenomen, tot aan de Franse Revolutie een onafhankelijk bestaan leiden.
In vergelijking met de Arabische en Byzantijnse beschavingen waren de gewesten die het huidige België vormden, in de 10de eeuw een achterlijk, agrarisch en ontvolkt gebied. Vanaf ca. 1050 begon evenwel een periode van economische groei (verhoogde landbouwopbrengst), die gepaard ging met een demografische explosie. Als gevolg daarvan kon een groter deel van de bevolking zich vrijmaken voor handel en industrie. In het graafschap Vlaanderen was laken het belangrijkste industrie- en uitvoerproduct. Lakenindustrie kwam ook voor in Henegouwen, waar tevens Doornikse natuursteen werd voortgebracht en geëxporteerd in de vorm van doopvonten en grafstenen. Vanaf de tweede helft van de 13de eeuw begonnen ook de Brabantse steden laken te produceren. In Luik was messing het voornaamste industrieproduct. De dinanderie kreeg Europese vermaardheid. In 1195 werd in het Luikse de eerste steenkool ontgonnen. Overal ontstonden jaarmarkten, vaak op initiatief van graven en hertogen, die buitenlandse kooplieden aantrokken. In Vlaanderen werden ze gehouden te Ieper, Brugge, Rijsel, Torhout en Mesen, in Brabant te Antwerpen en Bergen op Zoom. Met het oog op de buitenlandse handel verenigden de kooplieden uit een zelfde stad zich in een hanze. Later sloten verscheidene hanzen zich aaneen. Zo ontstonden de Vlaamse Hanze van Londen (handel op Engeland en Schotland) en de Hanze der XVII Steden (handel op Italië). Vanaf ca. 1350 trad in Europa een economische depressie op. De ‘zwarte dood’ (pest) roeide een derde van de bevolking uit. In de gewesten van het huidige België had de crisis een eerder mild karakter. De traditionele Vlaamse lakennijverheid kon standhouden, maar had erg te lijden onder het verval van de jaarmarkten van Champagne (de Italiaanse kooplui kwamen met hun schepen nu zelf naar Damme) en onder de concurrentie van het Engelse en Brabantse laken. In Brabant bloeide de lakenindustrie op tot ca. 1350, waarna zij vervalverschijnselen ging vertonen. In Luik verschenen in de 14de eeuw de eerste hoogovens, waardoor de ijzerproductie geweldig steeg en de spijker- en wapenindustrie ontstond. Dankzij zijn financiële infrastructuur kon Brugge zich als internationale handelsmetropool handhaven tot eind 15de eeuw.
De groei van handel en nijverheid heeft de opkomst van de steden in de hand gewerkt. Vanaf de 11de eeuw dwongen de stadsbewoners vrijheden af van de heren van hun gewesten. De oudst bewaarde keure is die van Hoei (1066). De kooplieden kregen in zekere mate zelfbestuur in de steden. Hun heerschappij moesten ze in de 14de eeuw delen met de ambachtslieden. Het gesalarieerde proletariaat kwam nauwelijks aan bod. Nog in de 14de eeuw kregen de steden medezeggenschap in het beleid van de vorst. In Brabant bijv. werd de verhouding tussen vorst en onderdanen geregeld door de Blijde Inkomst (1356).
| 5.5 De Bourgondische periode |
Bij zijn dood (1384) werd Lodewijk van Male, graaf van Vlaanderen, opgevolgd door zijn dochter Margaretha van