| beiaard | Terug | ||||
| Klik in het menu Bestand op Afdrukken om de gegevens af te drukken. | |||||
| Introductie |
beiaard, ook carillon, (toren)instrument, bestaande uit een reeks gestemde klokken. De naam beiaard wordt alleen gebruikt als de omvang ten minste twee octaven (30 klokken) bedraagt en het instrument bespeelbaar is door middel van een stokkenklavier. De meest gewenste omvang is vier octaven (47 klokken). Er zijn ook beiaarden met een nog grotere omvang (5 à 6 octaven). Men onderscheidt zware en lichte beiaarden. Een zware beiaard heeft dikwijls als laagste klok een c1-klok van ca. 2300 kg bij een middellijn van ca. 156 cm. Een lichte beiaard heeft meestal als basisklok een c2-klok. Deze weegt ca. 285 kg. Zowel de zware als de lichte beiaard wordt vaak transponerend uitgevoerd (in dat geval klinkt de basisklok niet als c maar wordt wel als c in het klavier aangesloten), in de regel niet meer dan een kleine terts omhoog of een kleine terts omlaag. Hierbij spelen vooral de geldmiddelen bij het aanschaffen een rol. Per grote terts neemt het gewicht van een klok namelijk met de helft af (bijv.: een klok weegt ca. 2300 kg, een e1-klok ca. 1150 kg). De keuze van de soort beiaard hangt ook af van de hoogte van de toren; een zware beiaard hangt men bij voorkeur tussen 50 en 70 m hoogte.
| 1. Beiaardkunst IN DE NEDERLANDEN |
De beiaardkunst vond haar oorsprong in de Nederlanden op het einde van de 14de eeuw, toen, ter waarschuwing dat de uurslag spoedig zou volgen, door middel van een mechanische inrichting drie kleine klokjes enkele tonen lieten horen. Deze drie klokjes – appeelkens – plus de slagklok werden quadrillon genoemd; hieruit ontstond het woord carillon. In Nederland wordt dit (thans veel uitgebreidere) waarschuwingssein ‘kwartierspel’ genoemd, in Nederlandstalig Belië 'rammel'. In de 16de eeuw werd, nadat in de 15de eeuw het aantal klokken was uitgebreid, persoonlijk spel op de klokken algemeen door invoering van het (hand)klavier. Kort na 1600 werd het pedaal toegevoegd, een voetklavier ter bespeling van de zware klokken.
1.1 Bloeitijd 17de-18de eeuw
De eerste bloeiperiode van de beiaardkunst valt tussen 1650 en eind 18de eeuw (waarbij in tegenstelling tot de 17de eeuw in de 18de eeuw Vlaanderen een prominente rol speelde) en is vooral te danken aan de hoge graad van perfectie in de klokkengietkunst van de gebroeders Hemony. Andere beiaardgieters waren de familie Van den Gheyn (begin 16de tot eind 18de eeuw) en Melchior de Haze (1632–1697). Belangrijke beiaardiers waren in deze periode o.a. Matthias van den Gheyn te Leuven (1721–1785), Joannes de Gruytters te Antwerpen (1709–1772), het geslacht Verbeek te Amsterdam, Dirk en Cornelis Scholl te Arnhem, Delft en 's-Gravenhage en Jacob van Eyck te Utrecht. Eind 18de eeuw trad het verval in de beiaardkunst in ten gevolge van de veranderende concertpraktijk (opkomst van de concertzalen) en de romantiek. Daardoor trad verwaarlozing van de beiaarden op. De stemkunst ging verloren.
De landen met het grootste aantal beiaarden bedraagt zijn de Verenigde Staten, Nederland, Belgi, Frankrijk en de Scandinavische landen.
1.2 20ste eeuw
Het begin van de 20ste eeuw zag de heropbloei van de beiaardkunst, door toedoen van de Britse predikant Simpson, die de stoot gaf tot het juiste stemmen van de klokken, en de Mechelse meesterbeiaardier Jef Denijn. Deze bracht verschillende verbeteringen aan aan het klavier en de verbinding van de toetsen met de klepels (tuimelaarsysteem). Na de Tweede Wereldoorlog bereikte een aantal Nederlandse klokkengieters weer een hoge graad van perfectie in het gieten en stemmen van de klokken.