| Zoekweergave | bastille | Terug |
bastille (van het Oud-Franse bastir = bouwen), afzonderlijk vestingwerk voor een stelsel van versterkingen om de ingang van een stad te beschermen. De bastille kwam al bij de Romeinen en in de middeleeuwen voor. Langzamerhand werd bastille vooral de naam van de Parijse dwangburcht (1370), die sinds de 16de eeuw als gevangenis voor staatsgevaarlijke individuen in gebruik was. Hij werd gezien als hét symbool van het willekeurige absolutisme, hoewel er nooit meer dan een klein aantal gevangenen was geïnterneerd, die, vooral als zij van adel waren, het recht hadden zich van buitenaf van alle gewenste comfort te laten voorzien. In de Bastille hebben o.a. Voltaire en de legendarische Man met het ijzeren masker gezeten.
De onrust onder het volk van Parijs in de zomer van 1789 ontlaadde zich in een aanval op de Bastille (zie Franse Revolutie). Op 14 juli moest de kleine bezetting, die deels vermoord werd, het gebouw prijsgeven aan de woedende volksmenigte. Op 15 juli werd bevel gegeven het gebouw te slopen.
De inneming van de Bastille wordt als het begin van de Revolutie beschouwd en de 14de juli geldt nu als nationale feestdag van de Franse Republiek.
De Parijse Bastille had acht ronde torens (basteien) en een weergang, ter dekking van de Porte St.-Antoine. Het werd gebouwd in de 14de eeuw als onderdeel van een uitgebreid vestingsysteem ter verdediging van de stad tegen de Engelsen in de Honderdjarige Oorlog. Onder Richelieu werd het ingericht als staatsgevangenis.