| Zoekweergave | ballade [muziek] | Terug |
| Introductie |
ballade [muziek], lied binnen de klassieke muziek, dat zijn oorsprong kent in de middeleeuwen.
| 1. Middeleeuwen |
Oorspronkelijk een danslied dat in de middeleeuwen zowel als eenvoudig volkslied als in de vorm van een gecompliceerd kunstlied, zowel een- als meerstemmig (al dan niet met instrumentale begeleiding) kon voorkomen. In haar eenvoudige gedaante wekt de ballade door de afwisseling van een choraliter voorgedragen, gelijkblijvend refrein (ripresa) en variabele coupletten (piedi) herinnering aan het rondeau. Als kunstlied vindt men de middeleeuwse ballade in haar eenstemmige vorm vooral bij de 13de-eeuwse trouvères (o.a. Adam de la Halle).
De meerstemmige vorm van de middeleeuwse ballade vindt zijn klassieke beoefenaar in Guillaume de Machaut, die bij 42 van zijn balladeteksten muziek componeerde. Van deze ‘ballades notées’ is er slechts één eenstemmig.
Hoewel in de 15de eeuw Guillaume Dufay en Gilles Binchois nog belangrijke ballades componeerden, liep de populariteit van de vorm, die muzikaal steeds meer op het chanson ging lijken, terug.
| 2. Romantische ballade |
In de 18de eeuw keerde zij terug als een verhalend lied, naar het voorbeeld van de Engelse ‘ballad’. Soms kan dit een ‘strofelied’ zijn, waarbij alle coupletten op dezelfde melodie zijn geschreven, soms een ‘doorgecomponeerd’ lied, waarbij gebruik wordt gemaakt van verschillende melodieën, die aan het karakter van de diverse strofen zijn aangepast, waarbij de begeleidende pianopartij niet zelden een illustrerende functie krijgt toebedeeld (baanbrekend is in dit opzicht J.R. Zumsteeg geweest, wiens ballades grote invloed hebben gehad op die van Schubert). De classicus van de romantische ballade is Carl Loewe, bij wie naast de doorgecomponeerde vorm ook de strofevorm (al dan niet gevarieerd) te vinden is (Edward, Erlkönig, Der Nöck, Tom der Reimer). Naast de solistische ballade voor zangstem en piano, die o.a. werd beoefend door Franz Schubert (Erlkönig), Robert Schumann (Blondels Lied), Johannes Brahms (Edward-Ballade) en Hugo Wolf (Der Feuerreiter), heeft in de romantiek de meerstemmige koorballade zich opnieuw ontwikkeld. Voorbeelden zijn Bruchs Schön Ellen en Richard Strauss’Taillefer. In Engeland schreven Stanford, Parry en Keel belangrijke balladen. De belangrijkste Russische meester is Moessorgski (Lieder und Tänze des Todes en Warlaans Ballade, de laatste uit de opera Boris Godoenov). Tijdens de romantiek ontwikkelde zich de ballade als zuiver instrumentaal stuk. Het zijn in deze tijd vooral pianostukken, die de titel ballade krijgen, zonder dat daarbij aan de oorspronkelijke betekenis als dansvorm moet worden gedacht. In sommige gevallen is de romantisch-instrumentale ballade door een literair gegeven geïnspireerd, zoals bij Brahms’ Klavierballade op. 10 no. 1, die de Oudschotse ballade Edward als uitgangspunt heeft en door Brahms ook als duet voor alt en tenor (op. 75 no. 1) is gecomponeerd, maar soms is er geen enkele binding met een buitenmuzikaal gegeven aanwezig, zoals in andere balladen van Brahms en in die van Grieg, Liszt, Fauré, Debussy e.a. Van de beroemde vier balladen van Chopin zou de componist zelf getuigd hebben, dat zij onder de indruk van de Poolse dichter Mickiewicz zijn gecomponeerd. Ook de orkestballade heeft soms wel en soms geen literaire binding.