| Zoekweergave | Balkan | Terug |
| Introductie |
Balkan, gangbare naam voor het Balkanschiereiland, het meest oostelijke van de drie grote schiereilanden van Zuid-Europa. De landen van de Balkan zijn: Kroatië, Bosnië-Hercegovina, Servië en Montenegro, Macedonië, Albanië, Griekenland en Bulgarije. In het oosten hoort een klein gebied bij Turkije.
| 1. Ligging |
Gewoonlijk rekent men het gebied ten zuiden van de Donau en deels dat van de Sava tot de Balkan. Vanwege het klimaat rekent men de in het binnenland gelegen delen van Kroatië, Servië en Bulgarije meer tot het zuidoostelijk deel van Europa dan tot de Balkan.
Het Balkanschiereiland mist de compacte en gesloten vorm die zo kenmerkend is voor het Iberisch Schiereiland (Portugal en Spanje) en, in mindere mate, het Apennijns Schiereiland (Italië). Het is integendeel, naar het zuidoosten in toenemende mate, sterk verbrokkeld in vele grote en kleine schiereilanden en eilanden, tot het zich in het oosten oplost in de eilandenzwermen van de Cycladen en Sporaden. Al deze eilanden en schiereilanden zijn resten van een oud vasteland. De kusten zijn daarom sterk geleed en worden door talrijke eilanden begeleid.
Het Balkanschiereiland wordt begrensd door de Adriatische, de Ionische, de Egeïsche en de Zwarte Zee. In het zuiden wordt het grote, bergachtige schiereiland van de Peloponnesos door de Golf van Pátrai en de Golf van Korinthe zó drastisch van het vasteland gescheiden dat het, vooral na de doorgraving van de isthmus van Korinthe, nauwelijks nog een schiereiland kan worden genoemd. De Peloponnesos vertakt zich op zijn beurt naar het zuiden toe in een drietal kleinere, vingervormige schiereilanden. Bij de landstreek Macedonië sluit zich het schiereiland Chalcidice aan, dat zich eveneens weer vertakt in een drietal kleine schiereilanden. Langs vrijwel de gehele kust dringen kleine golven en baaien diep het land binnen.
| 2. Geologie |
Het Balkanschiereiland bestaat uit drie verschillende geologische eenheden: a. de Dinarisch-Helleense ketens; b. het massief van Rhodope; c. de Oost-Karpaten.
| 2.1 De Dinarisch-Helleense ketens |
De Dinarisch-Helleense ketens vormen de voortzetting van de zuidelijke tak van de Alpen en beslaan een groot deel van Kroatië, Bosnië-Hercegovina, Servië en Montenegro, Macedonië, Albanië en Griekenland. Het is een alpien geplooid gebergte waarin een externe en een interne zone zijn te onderscheiden. De eerste ligt langs de Adriatische Zee, de laatste ligt meer landinwaarts en is gekenmerkt door het voorkomen van ofiolieten (mafische en ultramafische stollingsgesteenten). Overigens bestaat dit gebergte hoofdzakelijk uit sedimenten uit Jura, Krijt en Tertiair. De plooiing, die plaatsvond in het Tertiair, ging gepaard met grote overschuivingen, die naar de Adriatische Zee gericht zijn.
| 2.2 Het massief van Rhodope |
Het massief van Rhodope ligt ten oosten van de Dinarisch-Helleense ketens. Het is een gedeelte van een veel ouder gebergte en bestaat uit kristallijne gesteenten als graniet, gneis en schist, die voor een belangrijk deel tijdens de Variscische gebergtevorming gevormd werden, maar gedeeltelijk ook al veel ouder zijn. In het noorden verdwijnt dit massief van Rhodope onder de jonge sedimenten van het Pannonisch bekken in Hongarije.
| 2.3 De Oost-Karpaten |
Ten noordoosten van het massief van Rhodope ligt de oostelijke uitloper van de Karpaten, het gebergte dat aan de noord- en oostzijde het Pannonisch bekken omzoomt en zich voortzet in het Balkangebergte, het centrale bergland van Bulgarije. Het bestaat voor een groot deel uit Krijt en Tertiair en is, evenals de Dinariden en Helleniden, een alpien plooiingsgebergte. Het bevat echter grote stukken van oudere plooiingsgebieden (orogenen).
| 3. Klimaat |
Er is een scherpe tegenstelling tussen het zachte mediterrane klimaat in de kustgebieden en het ruwe, continentale klimaat van het binnenland. De mediterrane zone is in Dalmatië (Kroatië) vrij smal en reikt daar niet verder dan tot de eerste hoge bergketen achter de kust. In Griekenland echter, waar het schiereiland zich naar het zuiden toe versmalt, reikt de mediterrane invloed over de gehele breedte. Ook aan de oostkust van Griekenland heerst een mediterraan klimaat, dat echter minder vochtig en zacht is dan dat van de westkant.
Het klimaat wordt naar het zuiden toe steeds mediterraner. Dit blijkt ook uit het steeds groter wordende aandeel van de winterregens in de totale neerslag: in Albanië is dit nog 30%, in Griekenland al 50%. Ook de hoogtegrens van de altijdgroene mediterrane vegetatie weerspiegelt deze tendens: in het noorden van Dalmatië ligt deze nog op 200 m, maar in Albanie is de grens reeds tot 400 m en in Zuid-Griekenland tot 600 m gestegen. In het oostelijk gebied daalt de vegetatiegrens weer van 500 m in Noord-Griekenland tot ca. 300 m in Thracië.
Het binnenland heeft een veel continentaler klimaattype: droger en kouder, maar met regen in alle jaargetijden: Sarajevo (Bosnië-Hercegovina): januari 1,0 °C, juli 19,2 °C, 985 mm; Sofia (Bulgarije): januari –0,3 °C, juli 21,4 °C, 687 mm). Veel zachter, maar minder zacht dan aan de Adriatische kust, is het klimaat van de Zwarte-Zeekust: Varna (Bulgarije): januari 3,5°C, juli 21,9°C, 560 mm).
| 4. Plantengroei |
De flora van het Balkanschiereiland telt ca. 6530 soorten hogere planten en is rijker dan die van elk ander gebied van gelijke oppervlakte in Europa. Onder deze soorten komen bovendien veel planten voor die alleen hier voorkomen (endemen). Het klimaat volgend zijn er twee plantenmilieus te onderscheiden: een mediterraan gedeelte met hoge temperaturen en weinig regen in de zomer, en een Midden-Europees gedeelte met de meeste regen in de zomer.
| 4.1 Mediterrane plantengroei |
De mediterrane flora wordt op de Balkan gekenmerkt door:
a. Open, altijdgroene bossen, o.a. van Pinus halepensis met maquis als ondergroei;
b. Maquis met altijdgroene struiken, o.a. Quercus ilex, Q. coccifera, Q. aegilops, Laurus nobilis;
c. De phrygana, een wirwar van aromatische planten. Op 600 m hoogte begint bos met bladverliezende soorten: donseik, Quercus. conferta, els, tamme kastanje, enz.; op grotere hoogte ook beuk en Taxus. Van 800 tot 1500 m (de boomgrens) vindt men naaldbossen, waarin Pinus nigra, Abies cephalonica en Pinus leucodermis karakteristiek zijn. Plataan vormt in het zuiden samen met populier en wilg bossen op vochtige plaatsen.
| 4.2 Plantengroei in het Midden-Europese deel van de Balkan |
In het Midden-Europese gedeelte groeit tussen 800 en 1000 m een zuidoostelijke vorm van het eikenhaagbeukenbos, het Querceto-carpinetum balcanicum. Van de noordwestelijke Europese vorm onderscheidt dit bos zich o.m. door de hopbeuk, de walnoot en een jeneverbes. Op een hoogte van 1000 tot 1500 m, de nevelzone, volgt een beukenbos, al spoedig vermengd met coniferen (Abieto-Fagetum). Daarboven, tot 1800 m, strekt zich subalpien naaldbos uit, met o.a. Pinus nigra en Picea omorica. Nog hoger vindt men alpenweiden en rotsvegetatie.
| 4.3 Plantengroei in het overgangsgebied |
Veel delen van het Balkanschiereiland staan zowel wat klimaat als plantengroei betreft tussen het mediterrane en Midden-Europese gebied in. Dit zijn bijv. de karstwouden met de manna-es (Fraxinus ornus) en de eiken Quercus sessiliflora, Q. lanuginosa en Q. conferta, de bossen van paardenkastanje in Epirus, Thessalië, enz., de beukenbossen in Zuidoost-Bulgarije. Karakteristiek voor het Balkanschiereiland is de sibljak, een vegetatie van struiken met afvallend loof, zoals Paliurus spina-christi, de pruikenboom, de sering, de zuurbes, enz., met een zeer rijke ondergroei.
| 5. Dierenwereld |
In de gebieden met een mediterraan klimaat overheersen warmtelievende dieren als slangen, hagedissen, schildpadden, amfibieën en talrijke insecten, waaronder in moerasgebieden ook de malariamug. Grotere dieren zijn zeldzamer vanwege het kleiner worden van de gebieden met bos in de mediterrane zone en de niet aflatende stroperij, veelal gepaard met onvoldoende bescherming. Daarentegen neemt het aantal vogelsoorten naar het zuiden voortdurend toe.
Het binnenland bezit een fauna die meer aan de continentaal-Europese verwant is: in de woudgebieden komt naast de wolf, die in vrijwel het gehele gebied gevonden wordt, in het bergland van Bosnië–Hercegovina en verder oostwaarts ook de beer nog voor. Verder zuidwaarts treft men de jakhals aan. Slangen en schildpadden komen eveneens in het continentale gebied voor. De merkwaardigste dierenwereld in de Balkan treft men in de talrijke grotten (vnl. Kroatië) aan. Van de karstgrotten is een blinde, pigmentloze salamander, de olm of grottenolm, bekend, die alleen daar voorkomt (zie olm).
| 6. Geschiedenis |
| 6.1 Eerste bewoners |
Het Balkanschiereiland en de Griekse eilanden behoren tot de oudste door mensen bewoonde gebieden. Het is mogelijk dat zij de bakermat zijn van het Indo-Europese ras. In de tells (heuvels) van Vinča nabij Belgrado en Karanovo in Bulgarije zijn vondsten gedaan die erop wijzen dat koperbewerking en een vroege schriftvorm hier al ca. 4500 v.C. toegepast werden, onafhankelijk van gelijktijdige ontwikkelingen in het Midden-Oosten. Zie ook Vinčacultuur.
| 6.2 Illyriërs, Thraciërs en Grieken |
De oudste historische bewoners zijn Illyriërs in het westen, Thraciërs in het oosten en Grieken in het zuiden (Griekse cultuur). Al deze volken behoren tot de Indo-Europese familie. Waarschijnlijk hebben zij de oerbevolking ca. 1200 v.C. verdreven of in zich opgenomen. Van een echte statenvorming was nog geen sprake, afgezien van de Griekse polis (stadstaat).
| 6.3 De Romeinen |
Ca. 200 v.C. kwamen de Romeinen op het Balkanschiereiland; zij veroverden het stukje bij beetje, stichtten talrijke koloniën (vooral langs de Adriatische kust), legden wegen aan en hadden belangrijke culturele invloed. Een groot deel van de bevolking nam de taal en gewoonten van de Romeinen over (Romeinse Rijk).
| 6.4 Volksverhuizingen |
Ten tijde van de volksverhuizingen hadden invasies van Goten en Hunnen plaats. In de 6de eeuw begonnen Slavische invallen, na 568 samen met en onder leiding van de Turko-Tataarse Avaren. Begin 7de eeuw hadden de Slaven zich op het gehele schiereiland gevestigd en waren zij tot de zuidpunt van de Pelopónnesos en de Egeïsche Eilanden doorgedrongen. Zij assimileerden Illyriërs en Thraciërs, waarvan slechts resten als Vlachen (Walachen), de halfnomadische Aromoenen e.a. voortleefden; de Albaniërs in het zuidwesten en de Roemenen in het noordoosten stammen van deze, deels geromaniseerde, Illyrisch-Thracische bevolking af. In het zuiden, ongeveer binnen de grenzen van het huidige Griekenland, bleven de Grieken de dominante factor; zij assimileerden de Slaven in het zuiden reeds binnen enkele eeuwen, in Macedonië pas door de immigratie van het begin van de 20ste eeuw.
| 6.5 Het Byzantijnse Rijk en het Bulgaarse Rijk |
Na de verdeling van het Romeinse Rijk werd het Balkanschiereiland aanvankelijk grotendeels beheerst door het Byzantijnse Rijk, dat erin slaagde de Slaven aan zich te onderwerpen. In de 9de eeuw kwam het Bulgaarse Rijk op (zie Bulgarije), dat een eeuw een ernstige bedreiging voor het Byzantijnse Rijk vormde, totdat het in 1018 vernietigd werd. Sedert het eind van de 12de eeuw raakte het Byzantijnse Rijk echter hoe langer hoe meer in verval. Een nieuw Bulgaars rijk ontstond, dat van de Zwarte Zee tot de Adriatische Zee reikte. In de 14de eeuw werd deze Bulgaarse macht vernietigd door die van de Serviërs, die onder Stefan Dŭsan (1331–1355) hun grootste bloei bereikten.
| 6.6 Het Osmaanse Rijk |
Rond 1350 dienden de nieuwe heersers zich aan: de Osmaanse Turken, die in 1356 van Klein-Azië overstaken naar Gallipoli, in 1361 Adrianopel innamen en in 1389 Servië vernietigden. Na de val van Constantinopel (1453) stond hun niets meer in de weg.
| 6.7 De Donaumonarchie |
In de 17de eeuw bereikte het Osmaanse Rijk zijn grootste omvang. Aan het eind van deze eeuw kwam een nieuwe macht op, de Donaumonarchie van de Habsburgs, die de Turken wist te weerstaan en terug te drijven. In de 18de eeuw begon ook Rusland zich met Balkanzaken te bemoeien en sedertdien was het schiereiland strijdtoneel tussen de drie machten Oostenrijk, Rusland en Turkije. In de 19de eeuw gingen zich ook Engeland en Frankrijk, later ook Duitsland, met de Balkanpolitiek bemoeien.
| 6.8 Opkomend nationalisme, Eerste en Tweede Balkanoorlog |
Na de Franse Revolutie (eind 18de eeuw) ontwaakte ook het nationale gevoel van de Balkanvolken. Reeds in 1817 wist Servië een zelfstandig vorstendom, onder Turkse suzereiniteit, te worden. In 1830 verkreeg Griekenland zijn onafhankelijkheid (van het Osmaanse Rijk). Na de Russisch-Turkse oorlog van 1878 werden Servië en Roemenië onafhankelijk. Bulgarije werd een vorstendom onder Turkse suzereiniteit, terwijl Bosnië-Hercegovina door Oostenrijk bezet werd. Na de Jongturkse revolutie van 1908 werd Bulgarije, dat al in 1885 was uitgebreid met Oost-Roemelië, onafhankelijk; Oostenrijk annexeerde Bosnië-Hercegovina. In de Eerste Balkanoorlog (1912–1913) verloor Turkije al zijn gebied in Europa, behalve Constantinopel (Istanbul), maar in de Tweede Balkanoorlog (1913) herwon het Adrianopel (Edirne).
| 6.9 Na de Eerste Wereldoorlog, ontstaan van Joegoslavië |
Na de Eerste Wereldoorlog werd Servië; uitgebreid met de Zuid-Slavische gebieden van de Donaumonarchie Oostenrijk-Hongarije en met het door de eeuwen zelfstandig gebleven Montenegro tot een nieuw koninkrijk Joegoslavië. Bulgarije moest de strook langs de Egeïsche Zee aan Griekenland afstaan.
| 6.10 De Tweede Wereldoorlog |
Tijdens de Tweede Wereldoorlog moest Roemenië onder Duitse druk het zuiden van de Dobroedsja aan Bulgarije teruggeven (1940), terwijl in 1941 Joegoslavië verdeeld werd en in feite ophield te bestaan. Er werd een onafhankelijke staat Kroatië; geschapen (die ook Bosnië-Hercegovina omvatte), randgebieden kwamen aan Duitsland, Italië, Hongarije en Albanië, terwijl Macedonië aan Bulgarije kwam, dat ook de strook langs de Egeïsche Zee terugkreeg. Na de oorlog werd de oude toestand hersteld, behalve ten aanzien van de Dobroedsja. De landen kwamen nu onder de invloedssfeer van de Sovjet-Unie, met uitzondering van Albanië en – in een later stadium – Joegoslavië.
| 6.11 Zelfstandigheid voor de Joegoslavische deelrepublieken |
In januari 1991 begon in Joegoslavië een burgeroorlog die leidde tot het vertrek van de staten Slovenië Kroatië, Bosnië-Hercegovina en Macedonië. Servië en Montenegro gingen in 1992 samen verder onder de naam federale republiek Joegoslavië. In 2003 kregen beide deelrepublieken grotere zelfstandigheid, maar bleven samen één federale staat onder de naam Servië en Montenegro. In mei 2006 stemde de bevolking van Montenegro voor onafhankelijkheid. Op 3 juni 2006 werd Montenegro een zelfstandige republiek.