Zoekweergave Badings, Henk

Je kunt een woord, naam of onderwerp in dit artikel vinden met behulp van de optie van de browser voor het zoeken binnen een pagina. Bij Internet Explorer vind je deze optie in het menu Bewerken.

Er wordt gezocht naar het exacte woord of de exacte zin die je hebt ingetypt. Als er niets wordt gevonden, kun je zoeken naar een trefwoord binnen het onderwerp of de spelling controleren van wat je hebt getypt.

Badings, Henk

Badings, Henk, voluit: Hendrik Herman Badings (Bandung 17 jan. 1907 – Maarheeze 26 juni 1987), Nederlands componist, studeerde geologie en behaalde in 1931 de ingenieurstitel. Tijdens zijn studie bekwaamde hij zich als autodidact in compositie. Later had hij korte tijd les van Willem Pijper. Reeds in 1930 vond in het Amsterdamse Concertgebouw de première van zijn eerste symfonie plaats. In 1934 werd hij hoofdleraar compositie aan het Rotterdams Conservatorium en in 1935 aan het Amsterdams Muzieklyceum. Tussen 1941 en 1945 was hij directeur van het toenmalige Rijksconservatorium te Den Haag. Door deze en andere functies tijdens de bezetting werd zijn rol in het Nederlandse muziekleven na de Tweede Wereldoorlog controversieel en bleef zijn muziek ongespeeld, terwijl hij in het buitenland een gevierd componist was. Tussen 1962 en 1972 doceerde hij compositie aan de Musikhochschule te Stuttgart en daarnaast, van 1961 tot 1977, akoestiek en elektronische muziek aan de Rijksuniversiteit te Utrecht. In zijn zeer omvangrijke oeuvre waren stijl en techniek aanvankelijk sterk beïnvloed door de Franse muziek uit de jaren twintig, die door Pijper in Nederland werd gepropageerd. Hiernaast zijn ook invloeden van de Duitse late romantiek (Richard Strauss) te bespeuren. Na 1950 paste Badings elektronische muziek toe in talrijke composities en experimenteerde hij met het eenendertigtoonsysteem (Contrasten voor koor, vierde strijkkwartet). Door alle stijlontwikkelingen heen bleef hij de compositietechnische idealen van Pijper en van Paul Hindemith trouw.

WERK: Orkest: 14 symfonieën, soloconcerten, orkestvariaties, ouvertures. – Kamermuziek: 5 strijkkwartetten; pianomuziek; Ballade voor fluit en harp (1950); Pianokwintet (1952). – Toneelmuziek: Gijsbrecht van Aemstel (1937); Iphigenia in Taurië (1951). – Opera: De Nachtwacht (1942); Martin Korda D.P. (1960); Orestes (1954; radio-opera). – Koormuziek: Geestelijke liederen op middelnederlandse teksten (1936; vrouwenkoor); Cantata I–VIII (1936–1973; koor en ork.); Apocalypse (1948; oratorium); Contrasten (1952; vijf koorliederen in 31-toonsstemming); Canamus Amici (1957); Lucebert-liederen (1963; mannenkoor en elektronica); St.Mark-passion (1971; soli, mannenkoor, ork. en geluidsband); Cantiones sacrae et profane I–VII (1978–1988). – Liederen: Sechs Lechler-Lieder (1966; zangst. en piano); Fünf Reich-Lieder (1974; zangst. en piano). – Elektronisch: Kaïn (1956; ballet); Toccata I–II (1961); Armageddon (1968; sopr., ork. en geluidsband). – Geschriften: De hedendaagsche Nederlandsche muziek (1936); Tonaliteitsproblemen in de hedendaagsche muziek (1951); Electronische muziek (1958); Aantekeningen over enige fundamentele elementen in de muziek, in: Mens en Melodie (1986).