| Arabische muziek | Terug | ||||
| Klik in het menu Bestand op Afdrukken om de gegevens af te drukken. | |||||
| Introductie |
Arabische muziek, de muziek uit het Arabische cultuurgebied (zie ook Arabieren).
| 1. Geschiedenis |
De Arabische muziek heeft een nawijsbare geschiedenis die teruggaat tot de belangrijkste koninkrijken in Zuid-Arabië vanaf ca. 2000 v.C. Het hofleven liet veel ruimte aan de muziek, waaraan echter ca. 300 v.C. een einde kwam met de ineenstorting van de vorstendommen, waarna de muziek vnl. beoefend werd door reizende minstreels en bij de nomadenstammen (bij riten; karavaanliederen). In de steden die na het begin van de christelijke jaartelling tot bloei kwamen, werd echter ook aan de muzische kunsten weer grote waarde gehecht als belangrijk verstrooiingsmiddel. De stad Hira in Zuid-Mesopotamië, waar hofdichters en -musici hun opleiding genoten, werd het artistieke centrum. Hier werd het instrumentarium verbeterd en uitgebreid en werden de grondslagen gelegd voor een muziektheoretisch systeem dat zich in de loop der eeuwen geleidelijk ontwikkelde tot de universele muziektheorie van de Arabisch-islamitische cultuur. De muziek was overgeplant naar de huizen van de aanzienlijken, waar een professionele klasse van mannelijke musici ontstond, in tegenstelling tot de pre-islamitische tijden, toen de muzikale verstrooiing vnl. door meisjes en vrouwen verzorgd werd. Het aanzien dat de muziek had gekregen, was een van de oorzaken tot het ontstaan van een muziektheorie die de wetmatigheden in de muziek tot object had. Een andere belangrijke oorzaak was het voortdurende contact (via Byzantium) met de Griekse filosofen en theoretici van wie de muziektheoretische werken in het Arabisch werden vertaald. Ook de invloed van de muziek van de uit Perzië aangevoerde slaven was van blijvende invloed gebleken op technische en instrumentale aspecten van de muziek van het Arabisch Schiereiland. De grote vraag naar professionele musici, die er was ondanks de vaak sterke, afwijzende druk van islamitisch-theologische zijde, deed reeds onder de Omajjaden instituten ontstaan die zich hebben voortgezet tot in deze tijd: enkele van de populairste virtuozen veranderden hun woningen in conservatoria voor muziek waar rijke amateurs musicerend hun vrije tijd doorbrachten en waarheen zij hun zangmeisjes zonden voor een muziekopleiding; in de welvarende huisgezinnen werd het zangmeisje als een onmisbare figuur in de huishouding beschouwd, in navolging van de hofhoudingen van de kaliefen (bijv. Haroen al-Rasjid) schitterden in hun protectie van wetenschappen en kunsten.
Theoretisch en historisch inzicht in de Arabische muziek is te danken aan ruim 200 Arabische verhandelingen, alle geschreven tussen de 8ste en de 15de eeuw. De vier belangrijkste auteurs, al-Kindi (ca. 813 – ca. 873), al- Farabi (gest. 950), Ibn Sina Avicenna (gest. 1037) en Safi al-Din (gest. 1294), hebben onmiskenbare invloed gehad op de West-Europese vroege muziektheorie en praktijk. Vanaf de 15de eeuw volgden de Turken het pad van de Arabische muziekgeschiedenis, totdat een culturele herleving, Egyptisch van oorsprong, vanaf de 19de eeuw de Arabische muziek maakte tot wat zij thans is. De balans die in 1932 op een beroemd geworden wetenschappelijk congres ter behandeling van Arabische muziek te Caïro werd opgemaakt, toonde aan dat de toonkunst van de eens zo homogene Arabisch-islamitische wereld duidelijk culturele scheidingen vertoonde tussen de muziek van ‘het Westen’ (nl. de Maghreb: Marokko, Algerije, Tunesië), ‘het Oosten’ (Egypte, Syrië, Irak en het Arabisch Schiereiland) en Turkije.