| Antwerpen [stad, België] | Terug | ||||
| Klik in het menu Bestand op Afdrukken om de gegevens af te drukken. | |||||
| 3. Stadsfuncties |
Antwerpen vervult een administratieve functie als hoofdstad van de gelijknamige provincie en herbergt het provinciaal bestuur. Voorts zetelen te Antwerpen een hof van beroep, een rechtbank van eerste aanleg, een hof van Assisen en een krijgsraad. Kerkelijk is Antwerpen de zetel van het in 1961 ingestelde bisdom Antwerpen. Bovendien is een groot aantal dienstverlenende instellingen te Antwerpen gevestigd. Ca. 70% van de totale werkgelegenheid wordt vertegenwoordigd door de tertiaire sector. Dit hoge aandeel is niet zozeer toe te schrijven aan de grootstedelijke verzorgingsfunctie, als wel aan de aanwezigheid van de haven. Ook de havengebonden industrie is sterk vertegenwoordigd met energiegrondstoffen (o.a. petroleumraffinaderijen) en chemische industrie. Typische Antwerpse industrieën zijn ook de diamantbewerking (ca. 3500 personen in 1986) en de montage van motorvoertuigen (1996: 8239 personen). Daarnaast zijn in de binnenstad ook de voedingsmiddelen- en de elektrotechnische industrie belangrijk. De werkende beroepsbevolking is als volgt verdeeld(1991): 1,2% landbouw en energie, 19,5% industrie, 57,4% dienstensector en 22,2% bedrijf onbekend.
| 3.1 Haven |
De economische betekenis van Antwerpen ligt vóór alles in zijn haven en de daarmee samenhangende industrieën. Wegens de voordelige ligging van de havenstad en de aanwezigheid van velerlei goede verbindingswegen (zie § 7) kunnen naast België en Luxemburg – o.m. via de in 1975 opengestelde Schelde–Rijnverbinding – ook het Ruhrgebied en het hele oevergebied van de Rijn tot het achterland van Antwerpen worden gerekend. In ruimere zin strekt het achterland zich uit over de Beneluxlanden, Noord- en Noordoost-Frankrijk, Duitsland en Zwitserland. Overheerste vroeger de commerciële betekenis van de haven, na de Tweede Wereldoorlog, waaruit de haveninstallaties vrijwel ongeschonden te voorschijn kwamen, begon de industrie een steeds belangrijker rol te spelen, een ontwikkeling die door de havenuitbreidingen noordwaarts nog werd versterkt. De haven wordt sinds 1988 geëxploiteerd door een regie, die verantwoording verschuldigd is aan de gemeenteraad.
| 3.1.1. Havenuitrusting |
De haven omvat drie delen: de Scheldekaaien (5, 5 km) aan de rechteroever en het dokkencomplex ten noorden van de stad (93,2 km kaailengte) en het dokkencomplex op de Linkeroever. Antwerpen is dus slechts voor een klein gedeelte een rivierhaven; het getijverschil is gemiddeld ruim 4,9 m. Sluizen houden het waterpeil in de dokken op 4,25 m OP. Het dokkencomplex ten noorden van de stad kan in drie secties worden ingedeeld. De groep dokken gegraven tijdens de periode 1811–1907 omvat acht dokken met een waterdiepte van 7 tot 9,5 m en wordt grotendeels benut door de kustvaart. Zij stond oorspronkelijk in verbinding met de Schelde door de Bonapartesluis (1811, opgeheven in 1974) en thans door de Kattendijk- (1860) en de Royerssluis (1907). De groep dokken noordelijk daarbij aansluitend en reikend tot aan de Van Cauwelaert- (1928) en de Boudewijnsluis (1955), omvat een tiental dokken met een waterdiepte van 12 tot 16,75 m. Daartoe behoort o.a. het van 1951 daterende Marshalldok voor petroleumtankers en het in het kader van het Tienjarenplan van 1956 gebouwde Vijfde Havendok en Industriedok (1960). De nieuwe haven, nog meer noordwaarts, in verbinding met de Schelde via de Zandvlietsluis (1967) en de Berendrechtsluis (1989; de grootste sluis ter wereld), bestaat o.m. uit het 9 km lange Kanaaldok en het voor containers en roll-on-roll-off voorbehouden Zesde Havendok en Churchilldok, evenals het in 1982 in gebruik genomen 2,2 km lange Delwaidedok. De waterdiepte bedraagt er 16,75 m, terwijl de Zandvlietsluis (breedte: 57 m; totale nuttige lengte: 500 m; diepte onder dokpeil: 17,75 m) en de Berendrechtsluis (500 m × 68 m × 17,75 m) schepen van 125 000 dwt (ton draagvermogen) kunnen schutten. De haven is gespecialiseerd in de behandeling van zowel stort- als stukgoederen en containers. Hoewel Antwerpen de eerste continentale haven is die aardolie invoerde, en in 1962 nog een dok voor supertankers opende, kon het de schaalvergroting van de tankers wegens de beperkte toegankelijkheid van de Westerschelde (thans diepgang van 48 voet bij vloed of toegankelijk voor schepen tot 100 000 dwt) niet aan. Daarom werd in 1971 een aardoliepijpleiding in gebruik genomen tussen Europoort-Rotterdam en de raffinaderijen te Antwerpen.
| 3.1.2 Havenontwikkeling |
Door de uitvoering van het in 1956 bij wet aangenomen Tienjarenplan verdubbelde nagenoeg de wateroppervlakte, evenals de kaailengte. Waar tot dan toe alle havenuitrustingen eigendom waren van de stad Antwerpen, hebben ook particuliere bedrijven installaties gebouwd en in beheer genomen. In 1975 werd de nieuwe Schelde–Rijnverbinding opengesteld en in hetzelfde jaar werd de bouw aangevat van het Delwaidedok, aansluitend op het Kanaaldok. Tevens kwam de verbinding tussen het Vijfde Havendok en het Amerikadok tot stand. In 1987 werd gestart met de bouw van een containerterminal van 55,4 ha aan de Zeeschelde, stroomopwaarts de Berendrechtsluis. Wegens de sterke groei van de maritieme goederentrafiek en de industrialisatie van het havengebied werd in 1971–1978 een zeesluis te Kallo voor schepen tot 80 000 dwt ter ontsluiting van de linkeroever gebouwd, waar de aanleg van een nieuw havengebied van 66 km2 is gepland, waarvan 9,25 km2 wateroppervlakte, 37,85 km2 industrie- en haventerreinen, 8 km2 infrastructuur, 7,5 km2 groenzone en een gebied van 3,4 km2 dat o.a. de woonzone Doel omvat. De dokken zullen toegankelijk zijn voor schepen tot 150 000 dwt en in verbinding staan met de Westerschelde via het geplande Baalhoekkanaal. De voltooide eerste fase van deze zgn. Waaslandhaven beslaat 31,4 km2. Deze nieuwe haven ligt grotendeels op het grondgebied van Beveren. Het huidige havengebied op de rechteroever heeft een totale oppervlakte van 106 km2. Het verdrag tussen Nederland en Vlaanderen (17 jan. 1995) regelt de toezegging van Nederland de Westerschelde verder uit te baggeren en zo grotere schepen in staat te stellen Antwerpen te bereiken. Voorts wil Vlaanderen de IJzeren Rijn (spoorweg Antwerpen–Roergebied over Weert en Roermond) herstellen.
Het totale verkeer in de haven, vanaf de monding van de Westerschelde tot aan de kaaien, wordt gereguleerd door computers, de Antwerp Port Informatics Systems (Apics).
| 3.1.3 Vervoer |
Antwerpen is de eerste lijnhaven van het continent: er zijn ca. 300 regelmatige scheepvaartlijnen. De verhouding geloste/geladen goederen is zeer gunstig. In 1997 werd 63, 1 miljoen t gelost en 48,8 miljoen t geladen. De maritieme goederenoverslag bestond voor 56,4 miljoen t uit stukgoed en 55,4 miljoen t uit massagoederen. Het goederenverkeer wordt, vooral sinds het gebruik van de pijpleiding naar Rotterdam, beheerst door droge goederen, waarvan in 1997 32,4 miljoen t containervervoer. De belangrijkste goederentrafieken zijn: petroleumderivaten (30%), ijzer en staal (16,3%), ertsen (14,8%), petroleum (13,8%), steenkool (13,5%), meststoffen (8,6%) en granen (3%). De schepen worden gelost en geladen door stouwerijen, terwijl ‘naties’ (zie veem) zorgen voor het ter plaatse opslaan van de goederen. Wegens de toenemende investeringen in gespecialiseerde uitrusting treedt er integratie van stouwersbedrijven en naties op, die tevens een transport- en distributiefunctie waarnemen. Deze bedrijven doen beroep op ca. 10 000 erkende dokwerkers, die dagelijks worden aangemonsterd. Daarnaast werken in de haven nog 2600 gemeentelijke personeelsleden en zijn er nog een 200-tal expeditiekantoren en ca. 230 rederijkantoren bedrijvig. De totale havengebonden werkgelegenheid bedraagt ca. 30 000 personen (excl. industrie). De best vertegenwoordigde vlaggen (naar tonnemaat) waren in 1997: Panama (13,3%), Liberia (7,6%), Bahama’s (7,5%), Duitsland (7%), Noorwegen (6,1) Zweden (5,8%) en Cyprus (5,3%).
| 3.2 Industrie |
De industrie staat grotendeels in nauwe samenhang met de haven en de lokalisatie ervan wordt in belangrijke mate door de haveninstallaties bepaald. Twee industriële zones kunnen worden onderscheiden: de eerste ligt in het dokkengebied in het noorden en loopt door langs het Albertkanaal naar Merksem; de tweede zone bevindt zich in het zuiden van de gemeente Antwerpen, evenals in Hoboken en loopt langs de rechter Scheldeoever verder over Hemiksem naar de Rupel. Daar bevindt zich non-ferrometaalnijverheid. In het noordelijke havengebied, waar de industriële oppervlakte is toegenomen van 1,27 km2 in 1950 tot 32 km2 (incl. Linkeroever), bevinden zich zeven aardolieraffinaderijen (gezamenlijke capaciteit 1997: 35,5 miljoen ton), evenals petrochemische en chemische bedrijven (goed voor 50% van de werkgelegenheid), en montagefabrieken voor auto's en landbouwtractoren, met een gezamenlijke werkgelegenheid van ca. 29 070 personen (einde 1997).
| 3.3 Handel en financiën |
Onder invloed van het centraliserende Brussel is de groothandels- en financiële wereld vooral in die stad gevestigd. Ofschoon Antwerpen reeds vanaf 1515 over een speciaal beursgebouw beschikte, heeft de huidige effectenbeurs slechts een plaatselijke betekenis. Wel bevindt zich te Antwerpen de hoofdzetel van een aantal bank- en verzekeringsinstellingen. Tevens is Antwerpen het belangrijkste wereldcentrum voor de handel in geslepen en ruwe diamant.