| Zoekweergave | Antwerpen [stad, België] | Terug |
| Introductie |
Antwerpen [stad, België] (Fr.: Anvers; Eng.: Antwerp), gemeente en stad in België, hoofdplaats van de gelijknamige provincie en het gelijknamige arrondissement, grotendeels aan de rechteroever van de Schelde (die hier bij eb 350 m breed is), 204,51 km2, met 464 038 (2006 schatting) inw. Antwerpen kreeg zijn huidige omvang door samenvoeging van de toen opgeheven gelijknamige gemeente (139,83 km2) met Berchem, Borgerhout, Deurne, Ekeren, Hoboken, Merksem en Wilrijk.
Antwerpen is naar inwonertal de grootste en naar oppervlakte de tweede gemeente van België; naar jaarlijks verscheepte tonnage goederen is Antwerpen de tweede haven van Europa en de vijfde van de wereld. De Antwerpse agglomeratie omvat voorts de gemeenten Brasschaat, Edegem, Mortsel, Schoten en Zwijndrecht, heeft een oppervlakte van 314, 45 km2 en telt 556 110 inw.
| 1. Grondgebied |
Het grondgebied van de gem. Antwerpen nam in de 20ste eeuw wegens de uitbreiding van de haven aanzienlijk toe. In 1929 werden de poldergemeenten Austruweel, Oorderen en Wilmarsdonk, en delen van de gemeenten Burcht en Zwijndrecht op de linker Scheldeoever, en van de gemeenten Ekeren, Hoevenen, Lillo en Merksem ten noorden van de stad geannexeerd. In 1930 volgde de annexatie van een deel van Hoboken en in 1958 werden de gemeenten Berendrecht, Lillo en Zandvliet opgenomen. In de jaren 1964–1969 werd de 19de-eeuwse vestinggordel vervangen door de Ring en de Singel. Wegens het scheidend effect van de Schelde, die tot aan de opening van de Kennedytunnel (1969) een grote verkeershindernis was, ontwikkelde de agglomeratie zich grotendeels op de rechteroever. Sedert de jaren zestig verkrijgen de opgespoten gronden op de linkeroever, die deel uitmaken van het territorium van de stad Antwerpen, een woonfunctie door de bouw van vooral hoge flatgebouwen.
| 2. Bevolking |
De kerngemeente Antwerpen zag haar bevolking gedurende de 19de eeuw voortdurend stijgen (1801: 56 300 inw.; 1910: 312 000 inw.). Na 1910 echter daalde de bevolking, als gevolg van de cityvorming (1982: 183 000); het aandeel in de bevolking van de agglomeratie daalde van ruim 66% in 1880 tot minder dan 45% in 1947 en 30% in 1981. Tegen het einde van de jaren negentig was dit cijfer gedaald tot 20%.
| 3. Stadsfuncties |
Antwerpen vervult een administratieve functie als hoofdstad van de gelijknamige provincie en herbergt het provinciaal bestuur. Voorts zetelen te Antwerpen een hof van beroep, een rechtbank van eerste aanleg, een hof van Assisen en een krijgsraad. Kerkelijk is Antwerpen de zetel van het in 1961 ingestelde bisdom Antwerpen. Bovendien is een groot aantal dienstverlenende instellingen te Antwerpen gevestigd. Ca. 70% van de totale werkgelegenheid wordt vertegenwoordigd door de tertiaire sector. Dit hoge aandeel is niet zozeer toe te schrijven aan de grootstedelijke verzorgingsfunctie, als wel aan de aanwezigheid van de haven. Ook de havengebonden industrie is sterk vertegenwoordigd met energiegrondstoffen (o.a. petroleumraffinaderijen) en chemische industrie. Typische Antwerpse industrieën zijn ook de diamantbewerking (ca. 3500 personen in 1986) en de montage van motorvoertuigen (1996: 8239 personen). Daarnaast zijn in de binnenstad ook de voedingsmiddelen- en de elektrotechnische industrie belangrijk. De werkende beroepsbevolking is als volgt verdeeld(1991): 1,2% landbouw en energie, 19,5% industrie, 57,4% dienstensector en 22,2% bedrijf onbekend.
| 3.1 Haven |
De economische betekenis van Antwerpen ligt vóór alles in zijn haven en de daarmee samenhangende industrieën. Wegens de voordelige ligging van de havenstad en de aanwezigheid van velerlei goede verbindingswegen (zie § 7) kunnen naast België en Luxemburg – o.m. via de in 1975 opengestelde Schelde–Rijnverbinding – ook het Ruhrgebied en het hele oevergebied van de Rijn tot het achterland van Antwerpen worden gerekend. In ruimere zin strekt het achterland zich uit over de Beneluxlanden, Noord- en Noordoost-Frankrijk, Duitsland en Zwitserland. Overheerste vroeger de commerciële betekenis van de haven, na de Tweede Wereldoorlog, waaruit de haveninstallaties vrijwel ongeschonden te voorschijn kwamen, begon de industrie een steeds belangrijker rol te spelen, een ontwikkeling die door de havenuitbreidingen noordwaarts nog werd versterkt. De haven wordt sinds 1988 geëxploiteerd door een regie, die verantwoording verschuldigd is aan de gemeenteraad.
| 3.1.1. Havenuitrusting |
De haven omvat drie delen: de Scheldekaaien (5, 5 km) aan de rechteroever en het dokkencomplex ten noorden van de stad (93,2 km kaailengte) en het dokkencomplex op de Linkeroever. Antwerpen is dus slechts voor een klein gedeelte een rivierhaven; het getijverschil is gemiddeld ruim 4,9 m. Sluizen houden het waterpeil in de dokken op 4,25 m OP. Het dokkencomplex ten noorden van de stad kan in drie secties worden ingedeeld. De groep dokken gegraven tijdens de periode 1811–1907 omvat acht dokken met een waterdiepte van 7 tot 9,5 m en wordt grotendeels benut door de kustvaart. Zij stond oorspronkelijk in verbinding met de Schelde door de Bonapartesluis (1811, opgeheven in 1974) en thans door de Kattendijk- (1860) en de Royerssluis (1907). De groep dokken noordelijk daarbij aansluitend en reikend tot aan de Van Cauwelaert- (1928) en de Boudewijnsluis (1955), omvat een tiental dokken met een waterdiepte van 12 tot 16,75 m. Daartoe behoort o.a. het van 1951 daterende Marshalldok voor petroleumtankers en het in het kader van het Tienjarenplan van 1956 gebouwde Vijfde Havendok en Industriedok (1960). De nieuwe haven, nog meer noordwaarts, in verbinding met de Schelde via de Zandvlietsluis (1967) en de Berendrechtsluis (1989; de grootste sluis ter wereld), bestaat o.m. uit het 9 km lange Kanaaldok en het voor containers en roll-on-roll-off voorbehouden Zesde Havendok en Churchilldok, evenals het in 1982 in gebruik genomen 2,2 km lange Delwaidedok. De waterdiepte bedraagt er 16,75 m, terwijl de Zandvlietsluis (breedte: 57 m; totale nuttige lengte: 500 m; diepte onder dokpeil: 17,75 m) en de Berendrechtsluis (500 m × 68 m × 17,75 m) schepen van 125 000 dwt (ton draagvermogen) kunnen schutten. De haven is gespecialiseerd in de behandeling van zowel stort- als stukgoederen en containers. Hoewel Antwerpen de eerste continentale haven is die aardolie invoerde, en in 1962 nog een dok voor supertankers opende, kon het de schaalvergroting van de tankers wegens de beperkte toegankelijkheid van de Westerschelde (thans diepgang van 48 voet bij vloed of toegankelijk voor schepen tot 100 000 dwt) niet aan. Daarom werd in 1971 een aardoliepijpleiding in gebruik genomen tussen Europoort-Rotterdam en de raffinaderijen te Antwerpen.
| 3.1.2 Havenontwikkeling |
Door de uitvoering van het in 1956 bij wet aangenomen Tienjarenplan verdubbelde nagenoeg de wateroppervlakte, evenals de kaailengte. Waar tot dan toe alle havenuitrustingen eigendom waren van de stad Antwerpen, hebben ook particuliere bedrijven installaties gebouwd en in beheer genomen. In 1975 werd de nieuwe Schelde–Rijnverbinding opengesteld en in hetzelfde jaar werd de bouw aangevat van het Delwaidedok, aansluitend op het Kanaaldok. Tevens kwam de verbinding tussen het Vijfde Havendok en het Amerikadok tot stand. In 1987 werd gestart met de bouw van een containerterminal van 55,4 ha aan de Zeeschelde, stroomopwaarts de Berendrechtsluis. Wegens de sterke groei van de maritieme goederentrafiek en de industrialisatie van het havengebied werd in 1971–1978 een zeesluis te Kallo voor schepen tot 80 000 dwt ter ontsluiting van de linkeroever gebouwd, waar de aanleg van een nieuw havengebied van 66 km2 is gepland, waarvan 9,25 km2 wateroppervlakte, 37,85 km2 industrie- en haventerreinen, 8 km2 infrastructuur, 7,5 km2 groenzone en een gebied van 3,4 km2 dat o.a. de woonzone Doel omvat. De dokken zullen toegankelijk zijn voor schepen tot 150 000 dwt en in verbinding staan met de Westerschelde via het geplande Baalhoekkanaal. De voltooide eerste fase van deze zgn. Waaslandhaven beslaat 31,4 km2. Deze nieuwe haven ligt grotendeels op het grondgebied van Beveren. Het huidige havengebied op de rechteroever heeft een totale oppervlakte van 106 km2. Het verdrag tussen Nederland en Vlaanderen (17 jan. 1995) regelt de toezegging van Nederland de Westerschelde verder uit te baggeren en zo grotere schepen in staat te stellen Antwerpen te bereiken. Voorts wil Vlaanderen de IJzeren Rijn (spoorweg Antwerpen–Roergebied over Weert en Roermond) herstellen.
Het totale verkeer in de haven, vanaf de monding van de Westerschelde tot aan de kaaien, wordt gereguleerd door computers, de Antwerp Port Informatics Systems (Apics).
| 3.1.3 Vervoer |
Antwerpen is de eerste lijnhaven van het continent: er zijn ca. 300 regelmatige scheepvaartlijnen. De verhouding geloste/geladen goederen is zeer gunstig. In 1997 werd 63, 1 miljoen t gelost en 48,8 miljoen t geladen. De maritieme goederenoverslag bestond voor 56,4 miljoen t uit stukgoed en 55,4 miljoen t uit massagoederen. Het goederenverkeer wordt, vooral sinds het gebruik van de pijpleiding naar Rotterdam, beheerst door droge goederen, waarvan in 1997 32,4 miljoen t containervervoer. De belangrijkste goederentrafieken zijn: petroleumderivaten (30%), ijzer en staal (16,3%), ertsen (14,8%), petroleum (13,8%), steenkool (13,5%), meststoffen (8,6%) en granen (3%). De schepen worden gelost en geladen door stouwerijen, terwijl ‘naties’ (zie veem) zorgen voor het ter plaatse opslaan van de goederen. Wegens de toenemende investeringen in gespecialiseerde uitrusting treedt er integratie van stouwersbedrijven en naties op, die tevens een transport- en distributiefunctie waarnemen. Deze bedrijven doen beroep op ca. 10 000 erkende dokwerkers, die dagelijks worden aangemonsterd. Daarnaast werken in de haven nog 2600 gemeentelijke personeelsleden en zijn er nog een 200-tal expeditiekantoren en ca. 230 rederijkantoren bedrijvig. De totale havengebonden werkgelegenheid bedraagt ca. 30 000 personen (excl. industrie). De best vertegenwoordigde vlaggen (naar tonnemaat) waren in 1997: Panama (13,3%), Liberia (7,6%), Bahama’s (7,5%), Duitsland (7%), Noorwegen (6,1) Zweden (5,8%) en Cyprus (5,3%).
| 3.2 Industrie |
De industrie staat grotendeels in nauwe samenhang met de haven en de lokalisatie ervan wordt in belangrijke mate door de haveninstallaties bepaald. Twee industriële zones kunnen worden onderscheiden: de eerste ligt in het dokkengebied in het noorden en loopt door langs het Albertkanaal naar Merksem; de tweede zone bevindt zich in het zuiden van de gemeente Antwerpen, evenals in Hoboken en loopt langs de rechter Scheldeoever verder over Hemiksem naar de Rupel. Daar bevindt zich non-ferrometaalnijverheid. In het noordelijke havengebied, waar de industriële oppervlakte is toegenomen van 1,27 km2 in 1950 tot 32 km2 (incl. Linkeroever), bevinden zich zeven aardolieraffinaderijen (gezamenlijke capaciteit 1997: 35,5 miljoen ton), evenals petrochemische en chemische bedrijven (goed voor 50% van de werkgelegenheid), en montagefabrieken voor auto's en landbouwtractoren, met een gezamenlijke werkgelegenheid van ca. 29 070 personen (einde 1997).
| 3.3 Handel en financiën |
Onder invloed van het centraliserende Brussel is de groothandels- en financiële wereld vooral in die stad gevestigd. Ofschoon Antwerpen reeds vanaf 1515 over een speciaal beursgebouw beschikte, heeft de huidige effectenbeurs slechts een plaatselijke betekenis. Wel bevindt zich te Antwerpen de hoofdzetel van een aantal bank- en verzekeringsinstellingen. Tevens is Antwerpen het belangrijkste wereldcentrum voor de handel in geslepen en ruwe diamant.
| 4. Openbare dienstverlening |
| 4.1 Gezondheidszorg |
De gemeente Antwerpen telt elf openbare ziekenhuizen (waaronder een kinderziekenhuis, een geriatrische kliniek en twee verpleeghuizen). Er is tevens het Universitair Ziekenhuis (UIA) te Edegem. Daarnaast zijn er in de agglomeratie nog tientallen privéklinieken en materniteiten, benevens het Instituut voor Tropische Geneeskunde.
| 5. Onderwijs en culturele instellingen |
| 5.1 Onderwijs |
Antwerpen is een belangrijk regionaal en nationaal onderwijscentrum. Behalve een groot aantal onderwijsinstellingen voor secundair onderwijs waren in Antwerpen drie centra voor universitair onderwijs gevestigd: het Rijksuniversitair Centrum (RUCA) en de Universitaire Faculteiten St.-Ignatius (UFSIA), die beide een volledige faculteit toegepaste economische wetenschappen en kandidatuurcycli van bijna alle curriculae omvatten, en de Universitaire Instelling Antwerpen (UIA) met de aanvullende licentiaats- en doctoraatsopleidingen. In oktober 2003 fuseerden ze tot de autonome, pluralistische Universiteit Antwerpen. De instellingen van niet-universitair hoger onderwijs zijn ondergebracht in de Hogeschool Antwerpen, die de volgende departementen omvat: Architectuur (Henry Van de Velde-instituut), Productontwikkeling, Audiovisuele media en Beeldende kunsten (Academie voor Beeldende kunsten), Dramatische kunst, muziek en dans (Kon. Vlaams Conservatorium, Studio Herman Teirlinck, Studio Dora van der Groen), Sociale agogiek, Vertalers en Tolken, Lerarenopleiding en culturele agogiek, Industriële Wetenschappen en Technologie, Gezondheidszorg, Handelswetenschappen en Bedrijfskunde. Voorts zijn er de Hogere Zeevaartschool en het Instituut voor Tropische Geneeskunde.
| 5.2 Wetenschappelijke instellingen |
De voornaamste wetenschappelijke instellingen en verenigingen zijn: Koninklijke Maatschappij voor Dierkunde, Koninklijk Aardrijkskundig Genootschap van Antwerpen, Vereeniging der Antwerpsche Bibliophielen, Sterrenkundig Genootschap van Antwerpen, Koninklijke Oudheidkundige Kring van Antwerpen, Ruusbroec-Genootschap en Genootschap voor Antwerpsche Geschiedenis.
| 5.3 Bibliotheken |
Er zijn verscheidene openbare bibliotheken, zowel stedelijke als vrije, waarvan de Stadsbibliotheek aan het Conscienceplein, de Centrale Openbare Bibliotheek aan de Lange Nieuwstraat en de universitaire bibliotheken de belangrijkste zijn. Vermeldenswaard zijn ook het Archief en Museum voor het Vlaamse Cultuurleven en de bibliotheek van het Koninklijk Vlaams Muziekconservatorium.
| 5.4 Musea |
Tot de belangrijkste musea behoren: het Koninklijk Museum voor Schone Kunsten (o.a. rijke Rubensverzameling en zgn. Vlaamse Primitieven), Museum Mayer van de Bergh (toegepaste kunst, vnl. gotiek en renaissance; Bruegels Dulle Griet), Museum Plantin-Moretus (met Prentenkabinet), het Rubenshuis, het Vleeshuis (oudheden en toegepaste kunst, oude muziekinstrumenten), het Steen (de oude burcht van Antwerpen; sedert 1952 Nationaal Scheepvaartmuseum) en het Etnografisch Museum (aan de Suikerrui; als openbaar museum geopend in 1988). Voorts heeft Antwerpen een volkskundemuseum, het Openluchtmuseum voor moderne beeldhouwkunst (in het Middelheimpark), het Provinciaal Museum voor Kunstambachten (het Sterckshof te Deurne), het Museum voor Fotografie en het Museum voor Hedendaagse Kunst (MUHKA; geopend in 1987). In 1975 werd de St.-Augustinuskerk ingericht als museum voor kerkelijke kunst.
| 5.5 Muziek en toneel |
Het lyrische toneel is vertegenwoordigd door de Koninklijke Vlaamse Operastichting (VLOS), het ballet door het Koninklijk Ballet van Vlaanderen. Antwerpen bezit met het Koninklijk Filharmonisch Orkest van Vlaanderen een volwaardig filharmonisch orkest. Op toneelgebied zijn (1996) o.m. te vermelden: de Koninklijke Nederlandse Schouwburg (KNS) en het Koninklijk Jeugdtheater, Het Gebroed, Kollektief Internationale Nieuwe Scene, Nieuw Ensemble Raamtheater, Theater Ivonne Lex, Theater Zuidpool, Toneelprodukties De Tijd, Villanella, De Zwarte Komedie, Jan Fabre-Troubleyn; voorts Koninklijke Poppenschouwburg Van Campen en de Antwerpse Poesjenellentheater Straffen Toebak. Het Cultureel Centrum De Singel is belangrijk als receptief theater voor muziek en toneel alsmede voor tentoonstellingen. De Elizabethzaal van de Koninklijke Maatschappij voor Dierkunde is de grootste concertzaal in het Antwerpse. Popconcerten vinden plaats in het Sportpaleis (Deurne).
| 6. Recreatie en toerisme |
Van de grote voetbalstadions in de agglomeratie (waaronder Antwerp Stadion te Deurne) ligt slechts dat van Beerschot (waar in 1920 de Olympische Spelen plaatsvonden) op Antwerps grondgebied. De overdekte wielerbaan (Sportpaleis) bevindt zich te Merksem. De gemeente bezit twee overdekte zwembaden, waaronder dat van de Wezenberg (1974), met olympische afmetingen, en op Linkeroever twee openluchtzwembaden. Voor openluchtrecreatie kan de bevolking terecht in enkele grote parken (Kielpark, Nachtegalenpark, Te Boelaerpark, Ter Rivierenhof), waar tevens diverse mogelijkheden voor sportbeoefening voorhanden zijn. Voorts zijn er uitgebreide sportvoorzieningen rond de grote voetbalstadions (Antwerp, Beerschot, Berchem, Ekeren).
In de binnenstad wordt de recreatie bevorderd door steeds in aantal toenemende autovrije zones, terwijl ook buurtspeelpleintjes worden aangelegd (Ossenmarkt).
Antwerpen kent een sterk ontwikkeld dagtoerisme met als aantrekkingspunten de havenrondvaarten, de dierentuin en de talrijke musea en historische gebouwen. Ook vertoont de binnenstad een geanimeerd uitgaansleven. In 1986 werden er 810 000 overnachtingen genoteerd, waarvan 630 000 in hotels, 130 600 in logementshuizen (o.a. het Internationaal Zeemanshuis), en 50 000 op twee campings.
| 7. Verkeer |
| 7.1 Scheepvaart |
De Zandvlietsluis ligt op 70 km van Vlissingen en via het Scheur (volgens vaarroute) op 115 km van de loodspost in de Noordzee. Door de aanpassing van de Bocht van Bath wordt de haven toegankelijk voor schepen tot 125 000 dwt bij hoog tij (zie § 3.1). Voor de binnenvaart is Antwerpen zeer goed verbonden met het achterland via rivieren (Schelde en Rupel) en kanalen, waaronder de Schelde–Rijnverbinding (voor duwvaartkonvooien tot 9000 ton) en het Albertkanaal (2000 ton), dat evenals het Kanaal Brussel–Rupel voor duwvaartkonvooien toegankelijk wordt gemaakt.
| 7.2 Spoorwegen |
Door de bouw van de Kennedytunnel (1969) kon tussen Antwerpen en Gent een rechtstreekse geëlektrificeerde lijn worden aangelegd (1972), die in 1980 werd doorgetrokken tot Rijsel. In de periode 1976–1980 werd ook de elektrificatie van de goederenlijn Antwerpse haven–Hasselt–Wezet–Aken gerealiseerd. Het station Berchem ligt op de lijn Parijs–Amsterdam.
| 7.3 Wegverkeer |
Door de aanleg van de Ring (1969) werd de kruising van de autosnelwegen E17 en E19 goed opgevangen (o.m door de Kennedytunnel en de Craeybeckstunnel, 1982). Een expresweg Antwerpen–Knokke sluit aan bij de Imalso–Scheldetunnel (1933). De Liefkenshoektunnel ligt ten noorden van de stad.
| 7.4 Luchtvaart |
De luchthaven van Deurne heeft een beperkte capaciteit: 165 000 passagiers en 630 ton vrachtgoed. De ligging van het vliegveld binnen de agglomeratie is een belemmering voor verdere uitbreiding.
| 7.5 Stedelijk openbaar vervoer |
Ondanks de opening van een eerste metrolijn (Groenplaats–Centraal Station) in 1975 en de uitbreiding van het net (53, 1 km tramlijn, 2,6 km premetro en 175,2 km buslijnen in 1986) daalt het aantal reizigers constant. In 1986 werden in totaal 51,9 miljoen reizigers vervoerd (22% minder dan in 1970).
| 8. Stadsbeeld |
| 8.1 Stadsontwikkeling |
De oudste stadskern bevindt zich in de onmiddellijke nabijheid van het Steen en het Vleeshuis (o.a. Burchtgracht). Het gebied dat zich van ca. 1100 tot in de 16de eeuw uitbreidde tot aan de halfcirkelvormige begrenzing van de grote leien, heeft een zeer dichte bebouwing en ontwikkelde zich van woongebied meer en meer tot zaken- en winkelcentrum met de Meir als kern. Na ingrijpende slopingswerken, o.a. in de omgeving van het Vleeshuis, werd sinds de jaren zeventig gepoogd de historische stadskern haar vroegere bestemming van woongebied en ontmoetingsplaats terug te geven (zie § 8.3). Het stadsgedeelte tussen de leien en de voormalige vestinggordel bestaat vnl. uit 19de-eeuwse woonwijken, met als belangrijkste verkeersassen Turnhoutsebaan en Mechelse Steenweg. De Offerandestraat was de eerste Antwerpse winkel-wandelstraat (sinds 1971). Het aantal autovrije straten en pleinen breidde zich in de jaren zeventig snel uit, vooral in de oude stad, waar zich echter geen enkel park bevindt. Het Stadspark, het Koning Albertpark en de Zoo (dierentuin) liggen in het 19de-eeuwse stadsdeel. De zuiderdokken voor binnenscheepvaart werden herschapen in een reusachtig plein. Buiten de Kleine Ring is de bebouwing minder dicht en kwamen sinds het einde van de 19de eeuw wijken met meer groenvoorzieningen tot stand, waardoor de bebouwing op vele plaatsen met de oorspronkelijke dorpscentra van de randgemeenten tot één groot stadsgebied is samengesmolten. Naar het noordoosten in de bos- en parkrijke Kempische randgemeenten ontstonden residentiële villawijken.
| 8.2 Bouwkunst |
| 8.2.1 Kerkelijke bouwkunst. |
De kerkelijke architectuur vindt haar belangrijkste exponent in de Brabants hoog-gotische O.-L.-Vrouwkathedraal met ruim koor en kooromgang (1352–1411; thans fraai gerestaureerd), een vijfbeukig schip met langskapellen, die tot één ononderbroken kapel zijn opengewerkt, later aangebouwde straalkapellen en dwarsbeuken (15de eeuw). De westgevel heeft twee torens, waarvan de fundamenten gelegd zijn door P. Appelmans (bouwmeester van 1419 tot 1434). Alleen de 123 m hoge noordelijke toren is door R. II Keldermans en D. de Waghemakere voltooid (1521). De achthoekige vieringskoepel dateert van 1535. Het barokmeubilair, o.a. biechtstoelen van P. Verbruggen (ca. 1650) en M. van der Voort en een preekstoel (1713) van deze laatste, is opmerkelijk, evenals het beeldhouwwerk: madonnabeelden, grafbeelden van Isabella van Bourbon (1478) en bisschop Capello (1676). Tevens bevinden zich hier befaamde schilderijen van Rubens: Kruisoprichting (1611), Verrijzenis (1612), Kruisafneming (1614) en Hemelvaart van Maria (1626). Een drietal glasramen stamt uit de 16de en 17de eeuw. De laat-gotische St.-Andrieskerk (1514–1529), aan D. de Waghemakere toegeschreven, heeft een lantaarntoren (E. Baets) en een toren met barokke spits (beide 18de-eeuws). Het hoofdaltaar is van P. Verbruggen (1665); beelden en schilderijen (o.a. portret van Maria Stuart door P. Pourbus) zijn opmerkelijk. De vroeg-barokke St.-Augustinuskerk (W. Cobergher, 1615–1618) bevat schilderijen van o.a. Rubens, Van Dyck en Jordaens. De barokke St.-Carolus Borromaeuskerk, voormalige jezuïetenkerk (F. Aguilon, P. Huyssens, 1614–1624), bezit fraaie biechtstoelen en lambriseringen (J.P. van Baurscheit de Jonge, 1718–1721), een orgelkast van Forceville en beeldhouwwerk van Frans Duquesnoy en Artus Quellinus de Oude. Bij een brand in 1718 zijn de plafondschilderingen van Rubens verloren gegaan. De laat-gotische St.-Jacobskerk (H. I en D. de Waghemakere en R. II Keldermans, 1491–ca. 1533) heeft ongemeen rijk barokmeubilair: hoofdaltaar van W. Kerricx en Artus Quellinus de Jonge (1686), koorgestoelte van O. Herry (1658), doksaal van S. de Neve (1669–1670) met orgel J.B.Forceville (1713). Tevens schilderijen van Rubens (die er begraven ligt) en Jordaens, een hoororgel van Forceville en talrijke grafkapellen. Ook de laat-gotische St.-Pauluskerk (toegeschreven aan D. de Waghemakere, ca. 1533–1571) met barokke toren (1679–1681) heeft rijk barokmeubilair (preekstoel van Artus Quellinus de Jonge), beelden en schilderijen (Rubens, Van Dyck, Jordaens). Het imposante orgel (17de–19de eeuw) is in 1995 gerestaureerd. Buiten, tegen de zuidmuur, bevindt zich een merkwaardige Calvarieberg (1700–1740). In 1968 werden de kerk en het aanpalende kloosterpand zwaar door brand beschadigd. De restauratie werd opgedragen aan de architecten L. Williame en H. Huygh. Het laat-gotische begijnhof (kerk uit 1546) werd eind jaren zeventig grondig gerestaureerd.
| 8.2.2. Burgerlijke bouwkunst |
Het belangrijkste monument van de burgerlijke bouwkunst is het Stadhuis door Cornelis II Floris de Vriendt (1561–1565). Met zijn horizontaalwerkende gevelordonnantie en verticaliserende middenpartij, waarin klassieke elementen zijn verwerkt, vormt het een keerpunt in de ontwikkeling van de Nederlandse architectuur. Vóór het stadhuis, op de Grote Markt, herinnert de Brabofontein door J. Lambeaux aan de legendarische oorsprong van de stad. Andere bezienswaardige gebouwen zijn: het Steen; het St.-Elisabethgasthuis met gotische kapel, gotische ziekenzaal en klooster; het Vleeshuis in Brabantse baksteengotiek (1501–1503); de Oude Beurs (1515) en de Nieuwe Beurs (1531 – van 1868 tot 1872 na een brand volgens oorspronkelijke plannen wederopgebouwd); het Waterhuis (thans Brouwershuis, ca. 1555); het Maagdenhuis (thans OCMW; tweede helft 16de eeuw). Verder de gildehuizen op de Grote Markt en in haar onmiddellijke omgeving (16de en 17de eeuw), en verscheidene patriciërswoningen: Hotel van Straelen (ca. 1540); Rockoxhuis (16de eeuw); huis Plantin-Moretus (16de–18de eeuw); Rubenshuis (1616–1621); Jordaenshuis (ca. 1640); Hotel Wégimont (ca. 1650) en Hotel van Susteren (1745–1746; thans Internationaal Cultureel Centrum). Naast de kathedraal domineert het Torengebouw (87 m, 24 verdiepingen, 1929–1932, door Smolderen, Van Averbeke en Van Hoenacker) het stadscentrum. Het enige huis in België naar plannen van Le Corbusier gebouwd, bevindt zich te Antwerpen (Huis Guiette, nabij het Nachtegalenpark).
| 8.3 Stadsvernieuwing |
Onder impuls van de gemeentelijke planologische dienst is het Antwerpse stadsvernieuwingsbeleid sedert de jaren zeventig vooral gericht op de herwaardering van het stedelijk wonen. Dit komt tot uiting in het rehabilitatiebeleid, de vervangende nieuwbouw binnen de stad en de verbetering van de woonomgeving. De rehabilitatie van het bestaande woningbestand geschiedt, wegens het ontbreken van een adequate regionale financieringspolitiek voor het Vlaamse Gewest, vooral op privé-initiatief. Dit laatste wordt van stadswege gestimuleerd door het herverkopen of in erfpacht geven van woonpanden in stadseigendom met de verplichting deze te herwaarderen, alsook door de uitgave van een brochure met praktische richtlijnen voor woningverbetering. Vervangende nieuwbouw die zich uiterlijk integreert in het omringende stadsweefsel wordt zowel door de openbare als door de privésector verwezenlijkt (bijv. de Vleeshuisbuurt, de Kloosterstraat). Het inschakelen van de lokale sociale-woningbouwmaatschappijen wordt mogelijk gemaakt door een financiële tegemoetkoming van de stad bij de verkoop van verworven gebiedsdelen. De door deze maatschappijen gerealiseerde woningen zijn hoofdzakelijk flatwoningen die uiterlijk als rijbebouwing voorkomen. Verbetering van de woonomgeving geschiedt door de stad zelf, vnl. door het autovrij maken en heraanleggen van straten en pleinen, zowel in de commerciële zones (bijv. Groenplaats, Wilde Zee, Wapper, Conscienceplein, Offerandestraat en Handschoenmarkt) als in de omringende woonstraten (bijv. Grote Goddaert, Pieter Potbuurt en Lijnwaadmarkt). Als wettelijk instrument voor de begeleiding van het herwaarderingsproces op buurtniveau (bijv. Dam, centrum en zuid met o.m. het nieuwe Zuiderterras, 1991) wordt in Antwerpen gekozen voor een verruimde versie van het bijzonder plan van aanleg.
| 9. Geschiedenis |
De stad Antwerpen dankt wellicht haar oorsprong aan een vicus (agglomeratie) uit de Romeinse tijd. Sedert de 16de eeuw wordt een aantal vondsten uit de Romeinse tijd gesignaleerd. De belangrijkste daarvan is een grafveld, bij de voormalige St.-Michielsabdij, met brandgraven uit de 1ste en 2de eeuw, die werden ontdekt in 1610, 1774 en in het begin der 19de eeuw. Tijdens de opgravingen die van 1952 tot 1961 werden ondernomen in de nabijheid van het Steen en van de voormalige St.-Walburgiskerk, vond men zeer veel Romeins materiaal uit de 2de en 3de eeuw. Tevens werd een Karolingische stad onderzocht.
De naam Antwerpen wordt het eerst vermeld in een oorkonde uit 726. In 836 werd de plaats door de Noormannen verwoest. Herbouwd werd zij een belangrijke handelsnederzetting en hoofdplaats van een markgraafschap (zie Antwerpen [provincie, België] ). Aan het einde van de 12de eeuw werd de stad van wallen en poorten voorzien. In deze periode kreeg Antwerpen ook stadsrechten. De stad groeide uit tot een van de vier ‘hoofdsteden’ van Brabant en werd een centrum van internationale handel. In 1296 kreeg zij het stapelrecht voor de Engelse wol, waarna zij een voorspoedige economische ontwikkeling kende tot aan de dood van hertog Jan III (1355).
In 1357 werd de stad door graaf Lodewijk van Male met Vlaanderen verenigd, waarbij zij tot 1406 bleef. Intussen werd zij een geduchte concurrente voor Brugge, dat langzamerhand werd uitgeschakeld. De afzet van Engels laken op de jaarmarkten trok kooplieden aan uit heel Midden-Europa. De Honte verving de Oosterschelde als waterweg sedert de 15de eeuw en daardoor verbeterde de toegang tot Antwerpen. Na de dood van Karel de Stoute (1477) hadden beroeringen met sterk sociale inslag plaats. In maart maakten de ambachten zich meester van het stadsbestuur, waardoor zij het toezicht op de stadsfinanciën verwierven. Zijn grootste bloei bereikte Antwerpen in het begin van de 16de eeuw. De stad was nu het grootste handels- en financiële centrum van West-Europa. De bevolking (in 1400 wellicht ca. 10 000 personen) werd in 1565 op 95 000 geschat. De drie voornaamste elementen in Antwerpens hoge bloei waren de Engelse import van lakens, de handel van de Hoog-Duitsers in metaalproducten en de Portugese specerijenhandel. De Antwerpse beurs gaat terug tot 1485 en was gevestigd in de zgn. Oude Beurs (Hofstraat), die reeds in 1526 te klein werd, zodat de stad in 1531 de Nieuwe Beurs liet optrekken. Omstreeks het midden van de 16de eeuw kwam het calvinisme op. Bezorgd om de commerciële belangen van de havenstad, betoonde de magistraat zich vrij lankmoedig tegenover de nieuwe leer, zodat Antwerpen het voornaamste schuiloord werd van het protestantisme. Vele Antwerpse burgers weken in het voorjaar van 1567 (bij de dreigende komst van Alva) uit naar Duitsland (o.a. stadspensionaris J. van Wesembeke). De Tachtigjarige Oorlog betekende het einde van de bloei. De plundering door Spaanse muiters (Spaanse Furie) in 1576 was een zware slag. In hetzelfde jaar sloot de stad zich aan bij de Pacificatie van Gent en koos zodoende partij voor de Opstand. De Franse Furie werd afgeslagen, maar in aug. 1585 moest Antwerpen zich aan Farnese overgeven (Beleg van Antwerpen). Nu sloten de Staatsen de Schelde af, hetgeen tot de ondergang van Antwerpens zeehandel leidde en een grote uittocht van hervormden naar de Noordelijke Nederlanden (in 1589 telde de stad nog amper 42 000 inwoners tegen ca. 80 000 in 1585) veroorzaakte.
De sluiting van de Schelde werd gelegaliseerd door de Vrede van Münster (1648) en bleef tot het einde van de 18de eeuw gehandhaafd. Toch wist Antwerpen zich enigszins te herstellen en in de 17de en 18de eeuw bleef de stad het belangrijkste handelscentrum van de Zuidelijke Nederlanden. Tijdens het Oostenrijkse bewind stichtte keizer Karel VI in 1723 de Oostendse Compagnie met Oostende als aanlegplaats, maar Antwerpen als zetel. Door de vijandschap van de zeemogendheden moest deze echter reeds in 1727 worden geschorst. In 1784 deed keizer Jozef II nog een vergeefse poging de Schelde weer te openen.
In 1792 werd Antwerpen veroverd door de Franse revolutionaire legers. Frankrijk verklaarde nu de Schelde vrij. Dit kon pas effect hebben na de val van de Republiek der Verenigde Nederlanden (1795). Als gevolg van de napoleontische oorlogen bleven handel en zeevaart echter zeer beperkt. Napoleon maakte van Antwerpen een oorlogshaven ( ‘een pistool gericht op de borst van Engeland’).
De vereniging van Noord- en Zuid-Nederland in 1814 schiep voor Antwerpen eerst weer ideale voorwaarden om zich te ontplooien. De haven werd een ernstige concurrent, zowel voor Amsterdam als voor Rotterdam. Toen de stad zich in 1830 bij de Belgische Revolutie aansloot, werd de Schelde opnieuw gesloten en wederom kende Antwerpen verval. De vrede van 1839 maakte hier een einde aan, maar de scheepvaart bleef bezwaard door een Scheldetol. Deze werd in 1863 afgekocht en van toen af dateert de grote bloei van het moderne Antwerpen. De bevolking steeg van 75 000 in 1830 tot 178 000 in 1880, terwijl de voorsteden hun landelijk karakter verloren en in het geheel van de stad werden opgenomen.
Tijdens de Eerste Wereldoorlog was de vesting Antwerpen (van 1859 tot 1868 – ondanks hevig verzet van o.a. de Meetingpartij– aangelegd volgens het ontwerp van H. Brialmont) bestemd als Centraal Reduit voor het Belgische leger. Op 20 aug. 1914 trok het grootste deel van het leger zich binnen de vesting Antwerpen terug. Daar vormde het een bedreiging op de flank van de Duitse legers die naar Frankrijk oprukten. Twee keer werd tevergeefs vandaaruit een uitval gedaan; om aan die bedreiging voorgoed een einde te maken, begonnen de Duitsers op 28 sept. onder generaal von Beseler de aanval op de vesting, die op 9 okt. werd ingenomen. Pas bij de wapenstilstand van 11 nov. 1918 werd de stad weer bevrijd. In de Tweede Wereldoorlog viel Antwerpen op 17 mei 1940 in Duitse handen en werd op 4 sept. 1944 door Britse pantsertroepen bevrijd. De haven was onbeschadigd. Zij moest in de laatste maanden van de oorlog een belangrijke functie vervullen als aan- en afvoercentrum voor de geallieerden. Hiertoe moest echter eerst de Schelde worden vrijgemaakt, hetgeen geschiedde door de verovering van Zeeuws-Vlaanderen, Zuid-Beveland en Walcheren. Op 7 nov. waren deze operaties voltooid. Van sept. 1944 tot maart 1945 had de stad erg te lijden onder bombardementen met Duitse V-wapens, die vanuit de omgeving van Rotterdam, Den Haag en Trier werden gelanceerd. Er werden duizenden ‘vliegende bommen’ op Antwerpen afgevuurd, waarvan de meeste door de luchtafweerartillerie werden vernietigd. Duizenden burgers verloren het leven, maar de operationele bevoorradingsactiviteiten konden zonder onderbreking worden voortgezet. Na de Tweede Wereldoorlog kende de Antwerpse haven haar grootste uitbreiding en werd een drieledige pluralistische Universitaire Instelling Antwerpen tot stand gebracht.