De geschiedenis van amusements- en populaire muziek gaat terug tot het begin van de 20ste eeuw. De Europese nederzettingen groeiden uit tot grote steden, ontmoetingsplaatsen van Afrikanen, Europeanen en terugkerende slaven. Men maakte er kennis met de militaire kapellen van de garnizoenen, de calypso van zwarte matrozen en soldaten die terugkeerden uit het Caribisch gebied, en de samba van de vrijgelaten slaven uit Brazilië. Omstreeks de eeuwwisseling ontstonden in de kustplaatsen van Ghana de eerste dansorkesten. De elitaire highlife muziek werd door het arme deel van de bevolking geïmiteerd op gitaren en Afrikaanse trommels: ‘palmwine-highlife’, in Nigeria juju genoemd. In de jaren zestig werden de akoestische gitaren vervangen door elektrische. De elitaire dansorkesten speelden toen jazz- en popmuziek, maar een hernieuwde belangstelling voor de eigen tradities in de jaren zeventig betekende een terugkeer naar traditionele Afrikaanse ritmes, melodieën, instrumenten en lokale talen. Pas ca. 1940 combineerden muzikanten uit Frans Kongo en Belgisch Kongo de verschillende gitaarstijlen uit de Engelstalige landen met hun eigen traditionele muziek, waarbij met name de invloed van Cubaanse muziek (rumba) groot was. Vanaf midden jaren zestig deed ook hier de elektrische gitaar zijn intrede, en werden blazers toegevoegd. De muziek werd bekend als soukous, de latere ‘disco-variant’ als makossa. Als reactie op de toenemende invloed van de Kongolese popmuziek werd in Mali en Senegal eind jaren zeventig de eigen traditionele muziek gemoderniseerd door bijv. de kora te vervangen door een gitaar. In Oost-Afrikaanse landen zijn populaire muzieksoorten als de tarabu geënt op Arabische muziek en tegenwoordig vooral op Indiase filmmuziek. De basis van de populaire muziek in Zuid-Afrika is de marabi, een mengeling van de melodieuze Zoeloe-muziek en Amerikaanse ragtime, die in de jaren twintig werd ontwikkeld in de townships. Typerend voor deze muziek is het harmonische schema tonica-subdominant-tonica-dominant dat steeds herhaald wordt. Uit dit genre ontstonden kwela, gespeeld op een fluitje, eventueel aangevuld met gitaar, bas, saxofoon, piano, enz.; mbube, gezongen door een koor van 8 à 10 mannelijke zangers; mbaqanga, popmuziek; township jazz, de Zuid-Afrikaanse variant van Amerikaanse jazz.
© 1993-2008 Microsoft Corporation/Het Spectrum. Alle rechten voorbehouden.