Afrikaanse muziek
Klik in het menu Bestand op Afdrukken om de gegevens af te drukken.
Afrikaanse muziek
2. Instrumenten

Elk denkbaar instrumenttype is in ruime mate op het Afrikaanse continent vertegenwoordigd, dat bovendien enkele typen herbergt die elders niet voorkomen, zoals de sanza.

De snaarinstrumenten (en de sanza) worden bij voorkeur gebruikt ter begeleiding van de zang; hierbij wordt het leeuwendeel opgeëist door de tokkelinstrumenten. Harpen en luiten komen in vele vormen voor, met als typische representant de West-Afrikaanse kora, door zijn vorm als ‘harpluit’ gekarakteriseerd. Minder algemeen zijn de strijkinstrumenten, die in Afrika ten zuiden van de Sahara hun vorm en ontstaan te danken hebben aan Arabische resp. Europese invloed. Zij zijn vaak in handen van rondtrekkende barden en muzikale clowns. Citers komen in alle denkbare vormen voor, zoals staaf-, trog- en vlotciters, terwijl in bepaalde gebieden rijk versierde lieren worden gebruikt bij het reciteren van heldenliederen. Veel van de op deze instrumenten geproduceerde muziek heeft een uitgesproken percussief karakter zonder dat er eigenlijke slaginstrumenten gebruikt worden. Dit effect wordt o.m. bereikt door het regelmatig herhalen van korte instrumentale motieven.

Ook de blaasinstrumenten vertonen vaak deze stijl. Hoorns en trompetten zijn meestal vervaardigd van dierlijk materiaal (bijv. slagtanden van olifanten) of van hout of metaal, en vaak met schitterend snijwerk versierd. Pansfluiten komen voor als losse bamboepijpjes, waarbij iedere speler dus één toon tot zijn beschikking heeft (een techniek die ook de hoornensembles kennen), terwijl daarnaast de pansfluit ook voorkomt in zijn complete vorm. In vele delen van West-Afrika is de dwarsfluit een geliefd instrument; een bijzonderheid bij sommige ervan is, dat de bespeler tijdens het spel ook vaak zijn stembanden doet meeklinken. Meer dan eens is de Afrikaanse dwarsfluit van aluminium industriebuis vervaardigd, met of zonder versiering van kaurischelpjes.

De slaginstrumenten zijn te verdelen in a. trommels; b. overige slaginstrumenten zoals xylofoons, klepelloze klokken, spleettrommen, enz. Het Europese spraakgebruik rekent hiertoe ook rammelaars, ratels, enz. De groepsdans is de aangewezen gelegenheid de trommels te laten klinken, slechts zelden worden zij solistisch gebruikt. De combinatiemogelijkheden zijn zeer verscheiden: van het West-Afrikaanse trommeltrio tot de grote tromensembles waarin twaalf en meer melodisch afgestemde trommels een zelfstandige eenheid (orkest) vormen. Als vorstelijke regalia komen ze voor o.a. bij de Ashanti en de Tutsi, waar zij in bepaalde gevallen worden gepersonifieerd en een eigennaam bezitten of als onvervreemdbare grafgave aan de dode worden meegegeven. ‘Talking drums’, trommels gebruikt als communicatiemiddel, zijn meestal houten, meertonige spleettrommen waarop de spreektaal als het ware wordt omgezet in trommeltaal met behoud van de kenmerkende verschillen in toonhoogte van de Afrikaanse talen (zie toontalen). Met hoge snelheid kunnen op deze wijze mededelingen ‘overgeseind’ worden over zeer grote afstanden, hoewel lokaal gebruik ook zuiver muzikale toepassing toestaat van dit type muziekinstrument. Toepassing van dit communicatieprincipe komt tevens voor bij een type met veranderbare velspanning en bij xylofoons.

Grotere bekendheid geniet de wijdverbreide xylofoon waarbij onder iedere toets een klankresonator (kalebas, granaatappel, bamboe, desnoods leeg conservenblikje) is bevestigd. Dit instrument wordt met grote virtuositeit bespeeld, vaak door twee of meer tegenover elkaar zittende spelers. De Chopi (Oost-Afrika) hebben xylofoons verenigd tot orkesten van waarlijk symfonische allure. Kenmerkend voor de Afrikaanse xylofoon is een meetrillend membraan van coconweefsel, vloeipapier e.d., dat in de wand van de resonatoren is aangebracht. Dergelijke ‘meetrillers’ komen ook voor bij sommige trommels, de sanza en aan de binnenzijde van magische dansmaskers, waarvan de mondopening van binnen is afgesloten met zulk een membraan. In het laatste geval gebeurt dit niet zozeer om esthetische redenen dan wel om de stem van de danser evenzeer te vermommen als zijn overige uitrusting (vgl. de uitdrukking ‘geen blad voor de mond nemen’).