Afghanistan
Klik in het menu Bestand op Afdrukken om de gegevens af te drukken.
Afghanistan
4. Economie
4.1 Algemeen

Afghanistan behoort tot de armste landen van de wereld. Ruim twintig jaar burgeroorlog en economisch wanbestuur leidden tot het verlies van arbeid en kapitaal, de ontwrichting van de landbouw, productie, handel en transport en brachten het land op de rand van de afgrond. Perioden van ernstige droogten, zoals in de jaren 1998-2001, verergerden de situatie. Volgens schattingen van de VN is eenderde van de graanvelden onbruikbaar door mijnenvelden en niet-geëxplodeerde bommen en is 40% van de irrigatiesystemen vernietigd. Volgens de Wereldbank worden zeven miljoen mensen bedreigd door hongersnood en er bestaat een hoge kindersterfte van 280 kinderen onder de vijf jaar op 1000 geboortes. Het Wereldvoedselprogramma van de VN (WFP) speelt een grote rol bij de verspreiding van voedsel onder de bevolking. Vooral de bakkerijen van de WFP, een van de weinige sectoren waren vrouwen mochten werken onder de Taliban, vormen een belangrijke schakel in de voedseldistributie. Maar deze bakkerijen zijn geconcentreerd in Kabul. De regering van Karzai werd tijdens de wederopbouw met talrijke problemen geconfronteerd. Allereerst waren er grote financiële en economische problemen. Volgens de Wereldbank kost de wederopbouw van Afghanistan de komende tien jaar bijna 15 miljard dollar. Afghaanse functionarissen becijferden het drievoudige bedrag. De toegezegde hulp van $ 4,5 miljard tot in 2006, die wordt beheerd door het Reconstructiefonds van de Wereldbank, bereikte Afghanistan moeizaam. Dit betekende dat salarissen van ambtenaren niet werden betaald en de start van infrastructurele projecten werd uitgesteld of vertraagd. Begin 2003 had nog maar 23% van de Afghanen de beschikking over veilig water, 12% over adequate riolering en slechts 6% toegang tot het elektriciteitsnet. Een van de grootste uitdagingen voor de regering vormt het onderwijs, speciaal het meisjesonderwijs dat onder de Taliban ernstig werd verwaarloosd. Sinds begin 2002 gaan zo’n drie miljoen kinderen weer naar school, van wie eenderde deel meisjes. Maar de regionale spreiding is zeer groot. In Kandahar gaat bijvoorbeeld maar 10% van de kinderen naar school. Een groot probleem was de hervatte grootschalige papaverteelt voor heroïne, die de groei van de agrarische productie van 82% in 2002 bedreigde en op de langere termijn de binnenlandse voedselvoorziening bedreigt. Daarbovenop kwam de aardbeving in Noord-Afghanistan in maart 2002 met ruim 2000 doden en 15 000 tot 30 000 daklozen. President Karzais grootste probleem vormt het gebrek aan centraal gezag, dat leidt tot onveiligheid en banditisme, hetgeen de wederopbouw ernstig belemmert. Door de economische crisis en wanbestuur zijn betrouwbare recente gegevens over bnp, inkomen per hoofd van de bevolking en inflatie niet voorhanden.

4.2 Land- en bosbouw

Ongeveer 53% van de bevolking van Afghanistan is in de landbouw werkzaam. Bij dit cijfer zijn de nomaden niet meegeteld. De landbouw draagt voor 50% bij aan het bruto nationaal product. Als redenen voor deze verdeling kunnen o.m. genoemd worden: primitieve landbouwmethoden, geringe bedrijfsgrootte die mechanisatie verhindert, ontoereikende agrarische kredieten en een gebrek aan kunstmest. Ca. 12% van de bodem (8 miljoen ha) is voor landbouw geschikt. Ruim de helft is voor akkerbouw bestemd, maar hiervan is wegens een tekort aan water en wegens de oorlogssituatie slechts minder dan de helft in gebruik. Een van de belangrijke doelstellingen is dan ook de uitbreiding van het areaal door middel van bevloeiingswerken, m.n. in het Helmendgebied nabij de Iraanse grens en in de streek ten noorden van Kandahar (Arghandabstuwmeer). De belangrijkste akkerbouwproducten zijn: graansoorten, fruit (vooral druiven), vijgen, amandelen, noten, bonen, tabak, katoen, suikerbieten, suikerriet, drugs en een tropische verfstofplant (Rubia tinctorum). Een groot deel van deze producten dient voor inheemse consumptie. Belangrijker is de veeteelt (op ca. 38% van het grondgebied), vooral beoefend door nomadische en halfnomadische stammen, zoals de Toerkmenen in het noorden. Met name het karakoelschaap speelt in de veeteelt een belangrijke rol. Ten gevolge van grote droogte in de jaren 1969–1971 is het aantal schapen echter drastisch teruggelopen, in het noorden en noordoosten in sommige streken met 80 à 95%. Van regeringszijde is er sedertdien naar gestreefd de omvang van de veestapel op het oude niveau terug te brengen, maar de burgeroorlog sinds 1978 eiste opnieuw een zware tol. De lamspels van het karakoelschaap vormt een van de belangrijkste exportartikelen; de verhandeling is staatsmonopolie. Bovendien levert het karakoelschaap vlees en wol, terwijl het vet uit de staart gebruikt wordt bij de voedselbereiding. Een groot probleem voor de veeteelt in Afghanistan is de beperkte hoeveelheid weidegrond. De overbegrazing die hiervan het gevolg is, draagt bij aan de bodemerosie. In plaats van een kwantitatieve verbetering van de veestapel na te streven, tracht men door raskruising de kwaliteit van het vee te verhogen (m.n. van het karakoelschaap).

Van een geregeld bosbeheer is nog geen sprake. Vooral de wouden in het zuidoosten van het land hebben ernstig te lijden onder roofbouw. De wouden van Noeristan voorzien gedeeltelijk in de inlandse behoefte aan hout.

4.3 Mijnbouw

Hoewel Afghanistan over aanzienlijke minerale reserves beschikt, worden deze als gevolg van de gebrekkige transportmogelijkheden nog slechts in geringe mate benut. In het noorden komen aanzienlijke voorraden lood en ijzererts voor, die nog niet in exploitatie konden worden genomen; de hier ontdekte aardoliereserves worden voor dit doel te klein geacht. In Ainak wordt koper gewonnen en gesmolten. In Hajigah is een ijzermijn. Tevens worden verscheidene steenkoollagen van wisselende kwaliteit met vooral Tsjechische hulp ontgonnen (Hindoe Koesj, Dara-i-Soef). In het noorden, bij Sjiberghan, is een groot aardgasveld ontdekt (geschatte reserve: 100 miljard m3), dat sedert 1967 met Russische hulp wordt geëxploiteerd (het grootste deel van het gas [97%] wordt via een pijpleiding naar de GOS-landen uitgevoerd). Goud wordt gewonnen bij Kandahar in het zuidoosten en als riviergoud in enkele rivieren in het noorden. In Badachsjan in het noordoosten wordt lapis lazuli (lazuursteen) van uitzonderlijk goede kwaliteit gewonnen. Voorts zijn (voorlopig niet exploitabele) voorraden zink, zilver, asbest, mica, zwavel en beryl aangetoond.

4.4 Energievoorziening

De voorziening met elektrische energie berustte tot voor kort bij een aantal kleine thermische centrales, waarbij zich echter geleidelijk een aantal krachtiger hydro-elektrische centrales voegt, gevolg van de bouw van stuwdammen. Tevens wordt elektriciteit betrokken vanuit Rusland. De productie van elektrische energie is gestegen van 123 miljoen kWh per jaar in 1961 tot 1100 miljoen kWh per jaar in 1988/1989, maar daalde in 2000 tot 375 miljoen kWh.

4.5 Industrie

In 1976 bedroeg het aandeel van de industrie in het bnp slechts 2,5%; in 1987 bijna 10%; en in 1990 was dit gestegen tot 33%. Maar door de burgeroorlog was dit in 2002 teruggelopen tot 20%. De opkomende, maar nog zeer bescheiden industrie is voor 90% geconcentreerd in het noordoosten van het land, vooral rond Kabul en biedt aan 10% van de beroepsbevolking werk. Ambachtsproducten (textielhandwerk), de textielindustrie (katoen, wol, zijde) en de landbouwverwerkende industrie zijn de belangrijkste takken.

4.6 Handel

De totale waarde van de Afghaanse export in 2001 werd geschat op 1,2 miljard dollar; de import op 1,3 miljard dollar. In 1999 waren de belangrijkste exportpartners: Pakistan (32%), India (8%), België (7%), Duitsland (5%), Rusland (5%) en de VAE (4%). Naast de illegale export van opium exporteerde Afghanistan vooral fruit en noten, handgeweven tapijten, wol, katoen, huiden, en edelstenen. De voornaamste importpartners waren: Pakistan (19%), Japan (16%), Kenia (9%), Zuid-Korea (7%), India (6%), en Turkmenistan (6%). De Afghaanse import tekent de afhankelijkheid van de economie: kapitaalgoederen, voedsel, olieproducten, en consumptiegoederen. Het ontbreken van een sterk centraal gezag buiten de hoofdstad Kabul stimuleert de smokkelhandel (opium) en vormt een belemmering voor de officiële handelsstromen.

4.7 Infrastructuur

Afghanistan kent een wijdmazig wegennet van 22 000 km, waarvan ruim 13% verhard, met name de rondweg om het Hindukush-massief, en het begin van een spoorwegnet. Door de oorlog zijn veel bruggen en tunnels vernield. Bovendien vormen de vele nog niet opgegraven landmijnen een gevaarlijk obstakel voor transport over de weg. Veel goederen worden vervoerd per kameel, ezel of paard. In het noorden werd met Sovjethulp de infrastructuur uitgebreid, maar die is merendeels gericht op Centraal-Azië (de Salangtunnel en een brug over de Amu Darya of Oxus, die in 1982 gereed kwam, vormen de voornaamste schakels). Een belangrijke verbinding met Pakistan vormt de Khyberpas.

De rivieren zijn, op de noordelijke grensrivier Amu Daryov na, vrijwel onbevaarbaar. Op de Kabul en de Koenar wordt hout gevlot. Een groot aantal vooral militaire vliegvelden is door de voormalige Sovjet-Unie aangelegd. Grote internationale luchthavens bevinden zich in Kabul en Kandahar. De nationale luchtvaartmaatschappij Ariana onderhoudt het internationale en het binnenlandse luchtverkeer.

Grote gasleidingen verbinden de Afghaanse gasvelden met Rusland. De leidingen waren, evenals andere infrastructurele voorzieningen, vaak doelwit van sabotageacties door het verzet.

In 2000 waren er slechts 1,2 telefoonlijnen en mobiele telefoons per 1000 inwoners.