Zoekweergave Afghanistan

Je kunt een woord, naam of onderwerp in dit artikel vinden met behulp van de optie van de browser voor het zoeken binnen een pagina. Bij Internet Explorer vind je deze optie in het menu Bewerken.

Er wordt gezocht naar het exacte woord of de exacte zin die je hebt ingetypt. Als er niets wordt gevonden, kun je zoeken naar een trefwoord binnen het onderwerp of de spelling controleren van wat je hebt getypt.

Afghanistan
Introductie

Afghanistan, officieel: Islami Dawlat (in het Pasjtoe) of Dowlat-e Eslami-ye Afqanestan (in het Dari) (= Islamitische Staat Afghanistan), republiek in Zuidwest-Azië, 652 225 vierkante kilometer (1998 reëel), met 31 889 923 inwoners (2007 schatting); 49 personen per vierkante kilometer (2007 schatting). De hoofdstad is Kabul. Afghanistan grenst aan Iran, Turkmenistan, Oezbekistan, Tadzjikistan, de Volksrepubliek China en Pakistan. De nationale munt is de afghani, die onderverdeeld is in 100 puls. Nationale feestdag is 19 augustus, die de onafhankelijkheid van Britse controle over de Afghaanse buitenlandse politiek op 19 augustus 1919 herdenkt. De internetlandcode (TLD) is af.

Na het vertrek van de sovjettroepen, in 1989, en de val van het communistisch bewind, in 1992, viel Afghanistan ten prooi aan een burgeroorlog tussen verschillende groepen moedjahedien (islamistische strijders). Vanaf 1994 namen de Taliban de macht over. Alleen het noorden bleef in handen van de Noordelijke Alliantie. Onder leiding van mullah Omar vestigden de Taliban een representatief bewind gebaseerd op een extreme interpretatie van de islamitische wetgeving (sharia). Het beschermen van Osama bin Laden werd de Taliban noodlottig. De Amerikaanse militaire operatie Enduring Freedom leidde in december 2001 tot de val van het Talibanregime. Er werd een overgangsregering geïnstalleerd onder leiding van Hamid Karzai, die werd ondersteund door de internationale troepenmacht ISAF. Sinds 2004 heeft Afghanistan een nieuwe grondwet en regeert Hamid Karzai als democratisch gekozen president. De belangrijkste uitdagingen voor de regering van Karzai zijn het terugdringen van geweld, het bevorderen van economische groei en het versterken van het centraal gezag.

1. Landschap, klimaat en natuur
1.1 Landschap

Afghanistan behoort geografisch tot het Hoogland van Iran, waarvan het het noordoostelijk deel vormt. Het heeft in het noorden nog enig aandeel aan de vlakten van West-Turkestan (Toeran). In het zuiden liggen de woestijn- en halfwoestijngebieden van het afvoerloze Helmendbekken. Daartussen strekt zich een berglandschap uit, waarvan de hoofdketens een zuidwest-noordoostelijk verloop hebben; het noordoostelijk gedeelte hiervan staat bekend als Hindoe Koesj (Tirich Mir, 7699 m, in Pakistan), het middendeel als Koeh-i-Baba (tot 5200 m); in het oostelijk gedeelte, dat voor een deel wordt aangeduid als Sefid-Koeh, ligt de Khyberpas (ca. 1100 m). Het zuidelijk woestijngebied omvat de woestijnen Registan en Dasjt-i-Margo. In het noorden, waar de Amu Darya de grens met Toerkmenistan, Oezbekistan en Tadzjikistan vormt, liggen de vruchtbare, bevloeide dalen met de belangrijkste steden.

Rivieren en meren. Het centrale bergland vormt de scheiding tussen een drietal stroomstelsels. Van de noordwaarts stromende rivieren bereikt slechts een enkele (Koendoez) de Amu Darya, die over een lengte van bijna 1000 km de grens met Pakistan vormt; de overige worden merendeels in hun eindfase voor bevloeiing benut. In het oosten behoort de Kabul met haar zijrivieren (Panjsir, Alisjang, Koenar) tot het stroomgebied van de Indus. De Hariroed en de Helmend, resp. in westelijke en zuidwestelijke richting stromend, bevatten slechts periodiek water. Afghanistan heeft geen meren van betekenis. De Helmend mondt uit in het moerassige Hamoen-i-Saberi, op de Afghaans-Iraanse grens. Ongeveer 100 km ten zuiden van Ghazni ligt het meer Istadeh-i-Moekoer. Op een hoogte van bijna 3000 m in het centrale hoogland van Hazajarat, ca. 70 km ten zuiden van de Bamianvallei, bevindt zich de Band-i-Amir: vijf kleine meertjes waarvan de kleur als gevolg van het onderliggende rotsgesteente varieert van melkwit via blauw tot donkergroen.

1.2 Klimaat

Afghanistan heeft een overwegend continentaal steppeklimaat, met hete, droge zomers en koude winters; slechts het oosten wordt nog bereikt door de vochtige Indische zomermoesson, die voldoende neerslag levert voor de woudgebieden van Noeristan. In de bergstreken is een schrale regenveldbouw mogelijk, dankzij wat schaarse neerslag in winter en voorjaar. In het uiterste noorden en het zuiden gaat het continentale klimaat over in een halfwoestijn- tot woestijnklimaat. In Registan worden soms temperaturen tot 50 °C in de schaduw gemeten. Kabul heeft in de warmste maand (augustus) een temperatuur van ca. 28,5 °C en een jaarlijkse neerslag van 315 mm.

1.3 Plantengroei

Slechts in het noordoostelijk deel (Noeristan) ligt een groot, samenhangend bosgebied. In het centrale bergland is de lichte bosbedekking door de mens sterk aangetast, m.n. door extensieve veeteelt. De gebieden in het noorden en zuiden hebben een steppe- en halfwoestijnvegetatie. Ten zuiden van het bergland, in het subtropische zgn. Garmsirgebied, komt de dadelpalm voor.

1.4 Dierenwereld

De rijk geschakeerde dierenwereld van Afghanistan reflecteert de invloed van het gevarieerde landschap. In de steppen in het zuidwesten komen o.a. nog gazellen en halfezels voor; in de bergen leven wilde geiten en schapen met als roofvijand de sneeuwpanter (deze laatste is een zeer bedreigde diersoort ter plaatse). Ook de lammergier komt nog in onherbergzame streken voor. Wapengeweld op grote schaal in de jaren tachtig heeft de wildstand zeer negatief beïnvloed.

2. Bevolking
2.1 Samenstelling en spreiding

De jaarlijkse bevolkingsgroei is aanzienlijk (2,7%). Na de val van het Talibanregime bedroeg de groei enige tijd meer dan 4%.

Traditioneel woonde het grootste gedeelte van de bevolking op het platteland, maar door de burgeroorlog zijn delen van het platteland ontvolkt geraakt en zijn veel Afghanen naar de steden getrokken. De grootste steden zijn Kabul, Kandahar, Herat en Mazar-e-Sharif, gevolgd door Jalalabad en Koendoez. Vooral de hoofdstad Kabul is in enkele jaren tijd snel gegroeid. In Afghanistan wonen diverse, veelal in stamverband georganiseerde, volken. De grootste en overheersende bevolkingsgroep is die van de Pathanen (of Pasjtoes), die ca. 43% van de bevolking uitmaken en overwegend in het zuiden wonen. De Tadzjieken in het noordoosten maken ca. 28% van de bevolking uit. Verder wonen er Hazara's, een sjiietische bevolkingsgroep van Mongoolse afkomst, in het centrale bergland (8%). In het noorden wonen Oezbeken (9%) en Toerkmenen (3%), terwijl tot de kleinere bevolkingsgroepen o.a. behoren de Noeristani, de Kirgiezen, de Kazachen en de Perzische Baluchi's.

2.2 Taal

De Afghanen spreken het Pasjtoe, dat in 1936 naast het Perzisch (Farsi, in Afghanistan ook Dari genoemd) tot officiële taal werd verheven. Het Dari wordt gesproken door de Tadzjieken.

2.3 Religie

Vrijwel alle inwoners van Afghanistan (98%) zijn aanhangers van de islam, de staatsgodsdienst; de Afghanen, Tadzjieken, Toerkmenen en Oezbeken zijn overwegend soennieten, de Hazara's en Iraniërs sjiieten. De Noeristani werden pas op het eind van de 19de eeuw tot de islam bekeerd; tot voor kort werden zij nog kafirs (= ongelovigen) genoemd. Onder de stedelijke bevolking worden kleine groepen joden, hindoes en Sikhs aangetroffen.

3. Staatsinrichting en samenleving
3.1 Bestuur

Sinds 1973 is Afghanistan een republiek. Bij de communistische machtsovername in april 1978 werd de grondwet opgeschort. Nadat eind 2001 een einde kwam aan het regime van de Taliban werd op instigatie van de gebundelde oppositie tegen de Taliban op 22 december 2001 een voorlopige regering onder leiding van de Pathaanse verzetsleider Hamid Karzai geïnstalleerd. In 2004 werd door een vergadering van stamoudsten een nieuwe grondwet aangenomen, die voorzag in een presidentieel stelsel. Afghanistan werd formeel een islamitische republiek; wetten mogen niet in strijd zijn met de islam. Karzai werd in dat jaar door de bevolking tot president gekozen.

Het parlement, de Nationale Assemblée, bestaat uit twee huizen: het Huis van het Volk en het Huis van de Ouderlingen. Het Huis van het Volk (Wolesi Jirga) telt 249 leden, direct gekozen in een stelsel van evenredige vertegenwoordiging. 68 zetels zijn voorbehouden aan vrouwelijke kandidaten. Het Huis van de Ouderlingen (Meshrano Jirga) heeft vooral een adviserende rol. Twee derde van de leden worden gekozen door provinciale en districtsraden, een derde wordt benoemd door de president. In 2005 werden voor het eerst sinds 1969 vrije parlementsverkiezingen gehouden.

3.2 Administratieve indeling

Afghanistan is administratief verdeeld in 34 provincies.

3.3 Lidmaatschap van internationale organisaties

Afghanistan is sedert 1946 lid van de Verenigde Naties en maakt deel uit van de belangrijkste organen en commissies van de VN. Het land is actief binnen de organisatie van niet-gebonden landen en binnen de Groep van 77.

3.4 Partij en vakbondswezen

Sinds de verdrijving van de Taliban in november 2001 is de Afghaanse politiek georganiseerd rondom de belangrijkste etnische en tribale leiders en krijgsheren, zoals de Pathaanse president Hamid Karzai, de Oezbeek Rashid Dostum, de Tadzjiekse gouverneur van Herat Ismail Khan, en de Tadzjiek Mohammed Atta. Voorts speelden de Tadzjiekse erfgenamen van de in september 2001 vermoorde Massoud een belangrijke rol op het politieke toneel: vice-president en minister van Defensie Mohammed Fahim, minister van Buitenlandse Zaken Abdullah Abdullah en minister van Onderwijs Younis Qanooni. Voormalig president Rabbani en de ex-koning Mohammed Zahir Shah schaarden zich uiteindelijk achter Karzai en gaven hun zelfstandige politieke aspiraties op. De autoriteit van de regering Karzai beperkt zich in feite tot de hoofdstad Kabul, waar troepen van ISAF gelegerd zijn. In de overige delen van Afghanistan hebben de lokale krijgsheren het grotendeels voor het zeggen, wat herhaaldelijk leidt tot etnische en intertribale rivaliteit.

4. Economie
4.1 Algemeen

Afghanistan behoort tot de armste landen van de wereld. Ruim twintig jaar burgeroorlog en economisch wanbestuur leidden tot het verlies van arbeid en kapitaal, de ontwrichting van de landbouw, productie, handel en transport en brachten het land op de rand van de afgrond. Perioden van ernstige droogten, zoals in de jaren 1998-2001, verergerden de situatie. Volgens schattingen van de VN is eenderde van de graanvelden onbruikbaar door mijnenvelden en niet-geëxplodeerde bommen en is 40% van de irrigatiesystemen vernietigd. Volgens de Wereldbank worden zeven miljoen mensen bedreigd door hongersnood en er bestaat een hoge kindersterfte van 280 kinderen onder de vijf jaar op 1000 geboortes. Het Wereldvoedselprogramma van de VN (WFP) speelt een grote rol bij de verspreiding van voedsel onder de bevolking. Vooral de bakkerijen van de WFP, een van de weinige sectoren waren vrouwen mochten werken onder de Taliban, vormen een belangrijke schakel in de voedseldistributie. Maar deze bakkerijen zijn geconcentreerd in Kabul. De regering van Karzai werd tijdens de wederopbouw met talrijke problemen geconfronteerd. Allereerst waren er grote financiële en economische problemen. Volgens de Wereldbank kost de wederopbouw van Afghanistan de komende tien jaar bijna 15 miljard dollar. Afghaanse functionarissen becijferden het drievoudige bedrag. De toegezegde hulp van $ 4,5 miljard tot in 2006, die wordt beheerd door het Reconstructiefonds van de Wereldbank, bereikte Afghanistan moeizaam. Dit betekende dat salarissen van ambtenaren niet werden betaald en de start van infrastructurele projecten werd uitgesteld of vertraagd. Begin 2003 had nog maar 23% van de Afghanen de beschikking over veilig water, 12% over adequate riolering en slechts 6% toegang tot het elektriciteitsnet. Een van de grootste uitdagingen voor de regering vormt het onderwijs, speciaal het meisjesonderwijs dat onder de Taliban ernstig werd verwaarloosd. Sinds begin 2002 gaan zo’n drie miljoen kinderen weer naar school, van wie eenderde deel meisjes. Maar de regionale spreiding is zeer groot. In Kandahar gaat bijvoorbeeld maar 10% van de kinderen naar school. Een groot probleem was de hervatte grootschalige papaverteelt voor heroïne, die de groei van de agrarische productie van 82% in 2002 bedreigde en op de langere termijn de binnenlandse voedselvoorziening bedreigt. Daarbovenop kwam de aardbeving in Noord-Afghanistan in maart 2002 met ruim 2000 doden en 15 000 tot 30 000 daklozen. President Karzais grootste probleem vormt het gebrek aan centraal gezag, dat leidt tot onveiligheid en banditisme, hetgeen de wederopbouw ernstig belemmert. Door de economische crisis en wanbestuur zijn betrouwbare recente gegevens over bnp, inkomen per hoofd van de bevolking en inflatie niet voorhanden.

4.2 Land- en bosbouw

Ongeveer 53% van de bevolking van Afghanistan is in de landbouw werkzaam. Bij dit cijfer zijn de nomaden niet meegeteld. De landbouw draagt voor 50% bij aan het bruto nationaal product. Als redenen voor deze verdeling kunnen o.m. genoemd worden: primitieve landbouwmethoden, geringe bedrijfsgrootte die mechanisatie verhindert, ontoereikende agrarische kredieten en een gebrek aan kunstmest. Ca. 12% van de bodem (8 miljoen ha) is voor landbouw geschikt. Ruim de helft is voor akkerbouw bestemd, maar hiervan is wegens een tekort aan water en wegens de oorlogssituatie slechts minder dan de helft in gebruik. Een van de belangrijke doelstellingen is dan ook de uitbreiding van het areaal door middel van bevloeiingswerken, m.n. in het Helmendgebied nabij de Iraanse grens en in de streek ten noorden van Kandahar (Arghandabstuwmeer). De belangrijkste akkerbouwproducten zijn: graansoorten, fruit (vooral druiven), vijgen, amandelen, noten, bonen, tabak, katoen, suikerbieten, suikerriet, drugs en een tropische verfstofplant (Rubia tinctorum). Een groot deel van deze producten dient voor inheemse consumptie. Belangrijker is de veeteelt (op ca. 38% van het grondgebied), vooral beoefend door nomadische en halfnomadische stammen, zoals de Toerkmenen in het noorden. Met name het karakoelschaap speelt in de veeteelt een belangrijke rol. Ten gevolge van grote droogte in de jaren 1969–1971 is het aantal schapen echter drastisch teruggelopen, in het noorden en noordoosten in sommige streken met 80 à 95%. Van regeringszijde is er sedertdien naar gestreefd de omvang van de veestapel op het oude niveau terug te brengen, maar de burgeroorlog sinds 1978 eiste opnieuw een zware tol. De lamspels van het karakoelschaap vormt een van de belangrijkste exportartikelen; de verhandeling is staatsmonopolie. Bovendien levert het karakoelschaap vlees en wol, terwijl het vet uit de staart gebruikt wordt bij de voedselbereiding. Een groot probleem voor de veeteelt in Afghanistan is de beperkte hoeveelheid weidegrond. De overbegrazing die hiervan het gevolg is, draagt bij aan de bodemerosie. In plaats van een kwantitatieve verbetering van de veestapel na te streven, tracht men door raskruising de kwaliteit van het vee te verhogen (m.n. van het karakoelschaap).

Van een geregeld bosbeheer is nog geen sprake. Vooral de wouden in het zuidoosten van het land hebben ernstig te lijden onder roofbouw. De wouden van Noeristan voorzien gedeeltelijk in de inlandse behoefte aan hout.

4.3 Mijnbouw

Hoewel Afghanistan over aanzienlijke minerale reserves beschikt, worden deze als gevolg van de gebrekkige transportmogelijkheden nog slechts in geringe mate benut. In het noorden komen aanzienlijke voorraden lood en ijzererts voor, die nog niet in exploitatie konden worden genomen; de hier ontdekte aardoliereserves worden voor dit doel te klein geacht. In Ainak wordt koper gewonnen en gesmolten. In Hajigah is een ijzermijn. Tevens worden verscheidene steenkoollagen van wisselende kwaliteit met vooral Tsjechische hulp ontgonnen (Hindoe Koesj, Dara-i-Soef). In het noorden, bij Sjiberghan, is een groot aardgasveld ontdekt (geschatte reserve: 100 miljard m3), dat sedert 1967 met Russische hulp wordt geëxploiteerd (het grootste deel van het gas [97%] wordt via een pijpleiding naar de GOS-landen uitgevoerd). Goud wordt gewonnen bij Kandahar in het zuidoosten en als riviergoud in enkele rivieren in het noorden. In Badachsjan in het noordoosten wordt lapis lazuli (lazuursteen) van uitzonderlijk goede kwaliteit gewonnen. Voorts zijn (voorlopig niet exploitabele) voorraden zink, zilver, asbest, mica, zwavel en beryl aangetoond.

4.4 Energievoorziening

De voorziening met elektrische energie berustte tot voor kort bij een aantal kleine thermische centrales, waarbij zich echter geleidelijk een aantal krachtiger hydro-elektrische centrales voegt, gevolg van de bouw van stuwdammen. Tevens wordt elektriciteit betrokken vanuit Rusland. De productie van elektrische energie is gestegen van 123 miljoen kWh per jaar in 1961 tot 1100 miljoen kWh per jaar in 1988/1989, maar daalde in 2000 tot 375 miljoen kWh.

4.5 Industrie

In 1976 bedroeg het aandeel van de industrie in het bnp slechts 2,5%; in 1987 bijna 10%; en in 1990 was dit gestegen tot 33%. Maar door de burgeroorlog was dit in 2002 teruggelopen tot 20%. De opkomende, maar nog zeer bescheiden industrie is voor 90% geconcentreerd in het noordoosten van het land, vooral rond Kabul en biedt aan 10% van de beroepsbevolking werk. Ambachtsproducten (textielhandwerk), de textielindustrie (katoen, wol, zijde) en de landbouwverwerkende industrie zijn de belangrijkste takken.

4.6 Handel

De totale waarde van de Afghaanse export in 2001 werd geschat op 1,2 miljard dollar; de import op 1,3 miljard dollar. In 1999 waren de belangrijkste exportpartners: Pakistan (32%), India (8%), België (7%), Duitsland (5%), Rusland (5%) en de VAE (4%). Naast de illegale export van opium exporteerde Afghanistan vooral fruit en noten, handgeweven tapijten, wol, katoen, huiden, en edelstenen. De voornaamste importpartners waren: Pakistan (19%), Japan (16%), Kenia (9%), Zuid-Korea (7%), India (6%), en Turkmenistan (6%). De Afghaanse import tekent de afhankelijkheid van de economie: kapitaalgoederen, voedsel, olieproducten, en consumptiegoederen. Het ontbreken van een sterk centraal gezag buiten de hoofdstad Kabul stimuleert de smokkelhandel (opium) en vormt een belemmering voor de officiële handelsstromen.

4.7 Infrastructuur

Afghanistan kent een wijdmazig wegennet van 22 000 km, waarvan ruim 13% verhard, met name de rondweg om het Hindukush-massief, en het begin van een spoorwegnet. Door de oorlog zijn veel bruggen en tunnels vernield. Bovendien vormen de vele nog niet opgegraven landmijnen een gevaarlijk obstakel voor transport over de weg. Veel goederen worden vervoerd per kameel, ezel of paard. In het noorden werd met Sovjethulp de infrastructuur uitgebreid, maar die is merendeels gericht op Centraal-Azië (de Salangtunnel en een brug over de Amu Darya of Oxus, die in 1982 gereed kwam, vormen de voornaamste schakels). Een belangrijke verbinding met Pakistan vormt de Khyberpas.

De rivieren zijn, op de noordelijke grensrivier Amu Daryov na, vrijwel onbevaarbaar. Op de Kabul en de Koenar wordt hout gevlot. Een groot aantal vooral militaire vliegvelden is door de voormalige Sovjet-Unie aangelegd. Grote internationale luchthavens bevinden zich in Kabul en Kandahar. De nationale luchtvaartmaatschappij Ariana onderhoudt het internationale en het binnenlandse luchtverkeer.

Grote gasleidingen verbinden de Afghaanse gasvelden met Rusland. De leidingen waren, evenals andere infrastructurele voorzieningen, vaak doelwit van sabotageacties door het verzet.

In 2000 waren er slechts 1,2 telefoonlijnen en mobiele telefoons per 1000 inwoners.

5. Geschiedenis
5.1 De oudste tijd

In het midden van het eerste millennium v.C. behoorde Afghanistan tot het Perzische Rijk van koning Cyrus (ca. 550 v.C.). Het werd met dit rijk veroverd door Alexander de Grote (325), die er dwars doorheen trok en er verschillende nederzettingen van Grieken en Macedoniërs stichtte met de naam Alexandria. Bij de verdeling van zijn rijk kwam Afghanistan aan de Seleuciden, maar een deel van het gebied maakte zich toen al onafhankelijk van die westerse invloeden, een tendens die de gehele geschiedenis door het geval is geweest, terwijl daarnaast typerend is dat de lokale groten er een min of meer zelfstandige rol hebben gespeeld. Niet veel later drong een nieuw volk het land binnen, de Yiieh-chi, en veroverde het. Bij het begin van onze jaartelling heerste de Kushandynastie er. In die tijd verbreidde zich het boeddhisme. Dat was weer invloed van het Oosten: Afghanistan was het scheidingsgebied tussen Perzië en Indië, tussen Oost en West. Dat bleek ook toen de islam er doordrong: reeds in de 7de eeuw werd het grootste deel veroverd door de kaliefen van Damascus, maar het oostelijk deel (Kabul) bleef apart onder een hindoedynastie (zie hindoeïsme).

5.2 De islamitische periode

De scheiding in een islamitisch en een hindoeïstisch gebied, gevoegd bij het verlangen naar zelfstandigheid van de plaatselijke heersers, deed veel oorlogen ontstaan. Daarbij kwam dat het kalifaat vrij spoedig zijn kracht verloor. Zo vormde zich dan ook al ca. 1000 een afzonderlijk islamitisch rijk onder Mahmoed, waarvan Afghanistan het hart vormde en waarvan Ghazni het belangrijke handelscentrum was. Maar nog geen eeuw later drongen de Turken er binnen, Ghazni werd verwoest en door het volk van de Choci werd een nieuw rijk gesticht, islamitisch, maar met een krachtige hindoe-invloed, want dit rijk strekte zich ook over het noorden van Indië uit (1153, Ala-uddin Hoessein). Nadat de provinciale gouverneurs zich weer meer zelfstandig hadden gemaakt, kwam de tijd van de grote Mongolen-veroveringen, waarvan ook Afghanistan de vreselijke gevolgen ondervond. Tot de tijd van Timoer (ca. 1400) bleven de Mongolen er heersen.

Ook daarna kende het land geen rust: vele oorlogen verwoestten het grotendeels, ook nadat het zgn. Rijk van de Groot-Mogol in de 16de eeuw was gesticht, dat zijn bloeitijd had onder Akbar. Afghanistan was toen weer als vanouds verdeeld en zo bleef het nog eeuwenlang, ondanks de veroveringsoorlogen aan beide zijden gevoerd: Kabul behoorde gewoonlijk bij het Oosten en Herat bij Perzië. Dit laatste rijk had pas vanaf de 18de eeuw meer succes: de machtige Perzische vorst Nadir Sjah veroverde in 1737 geheel Afghanistan. Hij stelde er een stadhouder aan, Ahmed Chan, die zijn gebied in 1747 tot een zelfstandig koninkrijk maakte. Toen kwam eigenlijk voor het eerst Afghanistan als een afzonderlijke eenheid in de geschiedenis voor. Omstreeks het begin van de 19de eeuw was het rijk weer verkleind en Herat weer bij Perzië, met welk land Napoleon zich in verbinding stelde om het Britse bezit vanuit het westen te bedreigen. Daarmee begon de periode van het Europese imperialisme, dat ook Afghanistan in zijn greep kreeg.

5.3 De tijd van de Britse invloed

Het is vooral Groot-Brittannië dat voortdurend geprobeerd heeft zijn invloed ook uit te strekken over dit knooppunt, dat met de Khyberpas een toegangsweg naar het westen en naar Centraal-Azië beheerst. Ook Rusland wierp begerige blikken op dit land, sinds het in Toerkestan macht had en in Perzië probeerde invloed te krijgen.

De eerste Britse expeditie drong in 1838 het land binnen ter gelegenheid van een troonstrijd: de Britten namen het op voor sjah Sjoeya en hadden tijdelijk succes, maar toen deze hervormingen in het leger invoerde, laaide het verzet tegen Groot-Brittannië weer op en na een bloedige strijd, waarbij vreselijke verwoestingen werden aangericht, moest Groot-Brittannië het land ontruimen: Sjoeya's tegenstander Dost Mohammed werd als emir erkend (1855) en was iets meer toegankelijk voor Perzische en Russische invloed. Daartegen verzette Groot-Brittannië zich weer, dat wegens moeilijkheden in India voorlopig niet krachtig kon optreden, maar in 1873 een traktaat met Rusland sloot, waarbij dit land afzag van invloed in het grootste deel van Afghanistan. De emir begreep dat hij de twee mogendheden tegen elkaar moest uitspelen en was dus Rusland gunstig gezind. Toen trad Groot-Brittannië krachtiger op: de grote Afghaans-Britse oorlog brak uit (1878–1881). Een leger drong het land binnen, de emir vluchtte, zijn zoon werd op de troon geplaatst, maar Kabul en andere steden bleven bezet en het land kwam onder een soort protectoraat (1879). Een Britse resident oefende controle uit op de buitenlandse politiek. Het nationalistische deel van het volk kwam daartegen in verzet en nog in 1879 werd de Britse resident met vele anderen vermoord. Dat was aanleiding tot een strafexpeditie onder generaal Roberts.

Door hem werd Abdoer-Rahman (1880–1901) emir en deze bleef zijn gehele regering een bondgenoot van Groot-Brittannië, dat garanties voor de onafhankelijkheid toezegde en financiële steun verleende. Met deze hulp moderniseerde Abdoer-Rahman het bestuur enigszins, maar overigens was hij tegen het binnendringen van westerse hervormingen gekant. Zijn zoon Habib Oellah (1901–1919) was daarvoor iets meer vatbaar (er werd een hogeschool te Kabul gesticht, auto's werden toegelaten), maar hij bleef wantrouwig tegen Groot-Brittannië, ook omdat hij rekening had te houden met een groeiende oppositie van de conservatieven, o.a. de Ulama of geestelijken, in zijn land. In 1907 wist Groot-Brittannië de Russen geheel te verdringen: bij verdrag zag de tsaar af van alle invloed in deze streken, terwijl Groot-Brittannië beloofde geen veranderingen aan te brengen in de staatsinstellingen van Afghanistan. Gedurende de Eerste Wereldoorlog bleef de emir geheel neutraal.

5.4 Afghanistan als onafhankelijke staat

In 1919 werd emir Habib Oellah vermoord en maakte zijn zoon Amanoellah zich meester van de regering. Deze werd door de nationalisten en door eigen overtuiging ertoe gebracht de oorlog aan Groot-Brittannië te verklaren. Na een inval in India moest hij echter, geconfronteerd met het moderne Britse leger, de strijd staken. In 1921 sloten Afghanistan en Groot-Brittannië te Kabul een vredesverdrag, waarbij Afghanistan als een ‘absoluut-onafhankelijke staat’ werd erkend. Kort daarna toonde de emir zich een overtuigd voorstander van westerse hervormingen, daarin bijgestaan door zijn vrouw Soeraja, vooral nadat zij een reis naar Europa hadden gemaakt. Allerlei technische verbeteringen werden aangebracht, de spoorweg tot de Khyberpas doorgetrokken, het onderwijs verbeterd, wegen aangelegd. Lager onderwijs werd verplicht gesteld, er verschenen binnenlandse kranten en met vele mogendheden werden relaties aangeknoopt. In 1923 kreeg het land een grondwet, in 1925 werd het een koninkrijk. Ook schafte de koning de sluier van de vrouw af en de fez van de mannen. Maar toen groeide het verzet tegen al dit ‘duivelswerk’ tot een opstand onder leiding van de priesters: einde 1928 moest Amanoellah, tegen wie al in 1923–1924 een – mislukte – militaire opstand was uitgebroken, vluchten en afstand doen van de troon. Zijn broer Inajatoellah kon evenmin gezag verwerven, tijdelijk besteeg de rebellenleider Batsja-i-Sacha de troon, zich noemend Habib Oellah II, die echter verslagen werd door Nadir Chan, afstammeling van Dost Mohammeds oudere broer. Deze handhaafde slechts enkele van de hervormingen, maar erkende alle met andere staten gesloten verdragen. In 1933 werd hij door een paleisbediende vermoord en door zijn zoon Mohammed Zahir Shah opgevolgd, onder wiens regering in 1937 het Verdrag van Saadabad met Turkije, Irak en Perzië werd gesloten.

5.5 Na de Tweede Wereldoorlog

In de Tweede Wereldoorlog bleef Afghanistan neutraal, hoewel het, aan Brits-Russische druk toegevend, in 1941 de Duitsers en Italianen het verblijf in het land moest ontzeggen. In 1946 kreeg het van de Sovjet-Unie concessies in de grensrivier Koesjka, terwijl het afzag van stad en district Koesjka. Het volgde na 1945 een neutrale koers tussen de grote machtsblokken. De betrekkingen met de buurlanden waren goed, behalve met Pakistan. Dat was een gevolg van de steun die Afghanistan gaf aan het onafhankelijkheidsstreven van de Pathanen (= Afghanen) in de Pakistaanse provincies Baluchistan en North West Frontier, die tot in de 19de eeuw aan Afghanistan hadden behoord. Dit gebied zou een nieuwe staat, Pakhtoonistan, moeten vormen, die met Afghanistan zou moeten worden herenigd. Een voorstander van steun aan de Pathanen was vooral de neef en zwager van de koning, Mohammed Daoed Khan, die van 1953 tot 1963 premier was met vrijwel onbeperkte macht. In Afghanistan was toen sprake van een strak moderniseringsbeleid. Daoed kwam ten val door de economische gevolgen van de crisis met Pakistan (in 1961 verbrak Afghanistan de verbindingen met dit land). Bij een staatsgreep op 17 juli 1973 zette Daoed koning Zahir Shah af en riep hij de republiek uit, waarvan hij zelf de eerste president werd. De eerste jaren van de republiek brachten nauwelijks hervormingen, hetgeen erop wees dat de coup meer een paleisrevolutie dan een sociale beweging was. Belangrijkste verandering na de machtsovername van Daoed was een verscherping van de spanningen met Pakistan over de Pakhtoonistankwestie. Een grondwetswijziging gaf de president grote macht. Bij een bloedige staatsgreep (de Grote Saur-Revolutie) door communisten in Kabul kwam president Daoed op 27 april 1978 om het leven. De Democratische Volkspartij van Afghanistan DVPA nam de macht over, maar binnen deze partij manifesteerde zich al snel een machtsstrijd tussen de radicale, nationalistische Khalq- (Massa-)vleugel en de gematigder, pro-Russische vleugel Parcham (Vlag). Khalq-leider Noer Mohammed Taraki werd president en premier. Hij kondigde ingrijpende nationalisaties, landhervormingen en een gedwongen alfabetiseringscampagne af, die echter felle weerstanden opriepen bij conservatieve etnische en islamitische leiders. Al snel had het communistische bewind in Kabul, dat slechts steunde op een kleine groep intellectuelen en officieren, te kampen met een grote opstand op het platteland. In het voorjaar van 1979 moest Taraki het premierschap afstaan aan de nog radicaler Hafizoella Amin. Deze bracht in september 1979 Taraki definitief ten val en liet hem liquideren. Amin nam hierna ook het presidentschap op zich.

5.6 Burgeroorlog

De strijd tegen het communistische bewind had inmiddels het karakter van een burgeroorlog aangenomen. De diverse organisaties van moedjahedien (verzetsstrijders) beheersten al spoedig grote delen van het platteland. Formeel op basis van een vriendschapsverdrag van 7 november 1979 intervenieerde de Sovjet-Unie op 27 december door middel van een grote invasie. De in Russische ogen onberekenbare bondgenoot Amin werd terechtgesteld en vervangen door de Parcham-politicus Babrak Karmal. Deze streefde tevergeefs naar toenadering tot het verzet. Landhervormingen werden teruggedraaid en de rol van de islam werd opgewaardeerd.

Het Afghaanse leger, dat te kampen had met een laag moreel en massale desertie, en de sovjettroepenmacht die uitgroeide tot 120 000 man, slaagden er evenwel niet in de vooral vanuit Pakistan en Iran gesteunde moedjahedien te verslaan. Naar schatting 4,5 à 5 miljoen Afghanen vluchtten voor het oorlogsgeweld naar Pakistan en Iran. De met o.a. Amerikaanse wapens uitgeruste moedjahedien beheersten niet alleen grote delen van het platteland, maar vielen ook strategische verbindingen (zoals de Salangtunnel) en grote steden (Herat, Kandahar en Koendoez) aan. Hun organisaties in Peshawar (Pakistan) hadden zich, ondanks grote onderlinge meningsverschillen, in één front gebundeld.

Op 4 mei 1986 moest Karmal onder Sovjetdruk het veld ruimen als partijleider en later ook als president voor Mohammed Nadjiboella. Deze poogde de basis van het regime in Kabul te verbreden door ook niet-communisten in de regering op te nemen en (tevergeefs) toenadering te zoeken tot islamitische leiders en ex-koning Zahir Shah, die in ballingschap in Rome verbleef. De nieuwe sovjetpartijleider M. Gorbatsjov liet inmiddels weten de Russische militaire aanwezigheid in Afghanistan te willen beëindigen.

Mede daardoor kwam er vooruitgang in het indirecte vredesoverleg, dat onder bemiddeling van de VN in Genève tussen Afghanistan en Pakistan plaatsvond. Op 14 april 1988 leidde dit tot een akkoord, dat mede-ondertekend werd door de Verenigde Staten en de Sovjet-Unie. Overeenkomstig dit akkoord verlieten onder VN-toezicht (UNIMAG, United Nations Implementation Assistance Group) op 15 februari 1989 de laatste Russische troepen Afghanistan.

Het akkoord van Genève bracht echter geen bestand mee. De diverse organisaties van moedjahedien verhevigden hun aanvallen en weigerden met het communistisch bewind in Kabul te onderhandelen over een overgangsregering. Op 18 februari 1989 vormden zij een regering in ballingschap.

Terwijl de burgeroorlog onverminderd woedde, probeerden de VN te bemiddelen. In 1991 spraken de Verenigde Staten en de Sovjet-Unie af alle wapenleveranties aan enerzijds de moedjahedien en anderzijds de Afghaanse regering per 1 januari 1992 te staken. De moedjahedien voerden de druk op Kabul dusdanig op dat op 15 april 1992 Nadjiboella werd afgezet door een militaire Staatsraad.

De Staatsraad onder Abdul Rahim Hatif begon onmiddellijk onderhandelingen over de machtsoverdracht met commandant Ahmed Shah Massoud van de Jamiat-i-Islami. Op 25 april bereikten zes van de zeven grootste verzetsgroepen in Peshawar (Pakistan) overeenstemming over de vorming van een raad van 50 leden, die de macht in Kabul moest overnemen. In Afghanistan werd de islamitische staat uitgeroepen. Bars werden gesloten, vrouwen opgeroepen de sluier te dragen en het islamitisch strafrecht werd ingevoerd (zie islamitisch recht). De verzetsbewegingen in en rond Kabul raakten echter onderling slaags, waarbij vele doden vielen. In maart 1993 tekenden president Burhanuddin Rabbani (sinds juni 1992 formeel in functie) en zijn rivaal Gulbuddin Hekmatyar een akkoord dat een einde moest maken aan de onderlinge gevechten. Rabbani zou president blijven tot 18 maanden na 30 december 1992, de dag waarop hij voor twee jaar werd gekozen. Hekmatyars Hezb-i-Islami factie zou de minister-president en daarmee de regering mogen benoemen. Hekmatyar werd vervolgens minister-president in juni, maar niet dan nadat er nogmaals onderlinge gevechten waren uitgebroken.

5.7 De Taliban

Door de strijd tussen de verschillende krijgsheren viel het land langs etnische lijnen uiteen. Centraal gezag ontbrak en de bevolking viel ten prooi aan sociale chaos, politieke willekeur en banditisme. In deze context kwam een nieuwe beweging naar boven drijven: de Pathaanse militie van de Taliban (in naam religieuze studenten, maar veelal eenvoudige dorpsjongens). Najaar 1994 maakten zij zich onder leiding van de mysterieuze leider molla Mohammed Omar meester van een groot deel van het land. In september 1996 viel Kabul zonder slag of stoot in hun handen. Zij hingen de vroegere communistische leider Nadjiboella in het openbaar op en dwongen de bevolking tot een strikte naleving van hun extreme interpretatie van de islamitische wet. Het centrale gezag en de orde werd hersteld maar ten koste van sociale en politieke rechten en vrijheden. Bioscopen, voetbalstadions, meisjesscholen en televisiestations werden gesloten. Vooral religieuze minderheden (sjiieten) en vrouwen werden onderdrukt. Vrouwen mochten niet meer buitenshuis werken en geen onderwijs volgen, en werden verplicht tot het dragen van een burqa, een gewaad dat het hele lichaam bedekt en slechts ruimte voor de ogen openlaat.

Een monsterverbond tussen de verjaagde president Rabbani, de Oezbeekse krijgsheer Dostum, de Tadzjiekse aanvoerder Massoud en de sjiitische Hezb-i-Wansat van Abdul Karim Khalili kon niet verhinderen dat eind 1996 tweederde deel van het land in handen van de Taliban viel. Na internationale druk verklaarden beide partijen zich in 1997 bereid tot een vergelijk, maar wat volgde was een politieke impasse. Sociaaleconomisch stond het land aan de afgrond. Volgens een VN-rapport uit 1997 stierf een kwart van de baby’s tijdens het eerste levensjaar, werden Afghaanse burgers dagelijks slachtoffer van landmijnen, veroorzaakten de economische blokkades door de verschillende milities hongersnood en konden internationale hulporganisaties hun werk vaak niet uitvoeren. Honderdduizenden ontvluchtten het land naar vooral Pakistan en Iran. Bovendien werd het noordoosten van Afghanistan begin februari 1998 getroffen door een zware aardbeving, die naar schatting 4500 slachtoffers eiste.

Nadat de Noordelijke Alliantie door interne twisten uiteen was gevallen, begonnen de Taliban een nieuw offensief en veroverden de noordelijke provinciale hoofdsteden Maimana en Shiberghan. Op 8 augustus 1998 trokken Talibanstrijders Mazar-e-Sharif binnen en richtten een bloedbad aan onder de sjiitische bevolking. Dit leidde tot grote internationale verontwaardiging en een verder isolement van het Talibanregime. Door de moord op acht Iraanse journalisten en diplomaten door de Taliban raakten Iran en de Taliban op voet van oorlog. Slechts VN-bemiddeling kon een daadwerkelijke oorlog voorkomen. In Afghanistan zelf gingen, ondanks herhaaldelijke vredesinitiatieven, de gevechten door. In mei 1999 veroverden de Taliban de stad Bamian in Centraal-Afghanistan, waarmee ze 90% van het land controleerden.

Vanaf zomer 1998 kwam Afghanistan sterker in het internationale voetlicht omdat de Taliban de door de VS gezochte terrorist Osama bin Laden en strijders van diens organisatie al-Qaida onderdak verschaften. Op 20 augustus 1998 voerden de VS een aanval met kruisraketten uit op een al-Qaida kamp in Afghanistan. Dit leidde tot een verbreking van de relaties tussen de Taliban en de VS. Bij heftige anti-Amerikaanse betogingen vond een VN-medewerker de dood waarop alle internationale hulporganisaties Kabul verlieten. In november 1999 werden economische sancties tegen Afghanistan van kracht, waartoe de VN-Veiligheidsraad had besloten omdat de Taliban weigerden Bin Laden uit te wijzen aan de VS.

6. De 21ste eeuw
6.1 Talibanoffensief

Gedurende het jaar 2000 en de eerste maanden van 2001 slaagden de Taliban erin de greep op het land en de bevolking te versterken en gelijktijdig het internationale isolement van Afghanistan te vergroten.

In de omgeving van Kabul en in het noordoosten veroverden de Taliban gebied, ondanks verenigde tegenstand van krijgsheer Ahmed Shah Massoud en zijn oude vijanden Abdur Rashid Dostum en Abdul Malik. Massoud werd gesteund door Rusland, dat vreesde dat Afghanistan een uitvalsbasis voor Tsjetsjeense verzetsstrijders zou worden. De Noordelijke Alliantie werd ingesloten in het noordoosten, de thuisbasis van leider Massoud. Massoud raakte op 9 september 2001 zwaar gewond bij een aanslag en overleed enkele dagen later.

In de loop van 2000 keerden enkele honderdduizenden Afghaanse vluchtelingen terug uit Iran. In Iran verbleven nog bijna anderhalf miljoen Afghanen.

Aanvallen door de Taliban op VN-kantoren in 2000 deden de VN besluiten zich terug te trekken uit het zuiden. Het buitenshuis werken door vrouwen werd verder aan banden gelegd. De weigering van het regime om de door de VS gezochte terroristenleider Osama bin Laden uit te wijzen, leidde in december 2000 tot sancties van de VN-Veiligheidsraad. Internationale druk leek de Taliban echter niet te imponeren. In maart 2001 reageerde de wereld geschokt toen de Taliban hun dreigement om twee gigantische in de rotsen uitgehouwen boeddhabeelden uit de 4de–5de eeuw in de Bamianvallei op te blazen, uitvoerden. De UNESCO had er tevergeefs bij het Talibanleiderschap op aangedrongen de beelden te sparen. Begin mei 2001 werden de VN-kantoren op last van het Talibanregime gesloten. Dit bemoeilijkte de hulpverlening aan de ruim een miljoen Afghaanse vluchtelingen, die zwaar onder de winter hadden geleden. Eind mei kondigde het Talibanbewind een nieuwe religieuze maatregel af: niet-moslims moesten gele insignes dragen en hindoes moesten hun huizen markeren door stukjes gele stof aan de deuren te hangen. Voor niet-moslims die trachtten moslims tot het christendom te bekeren, wachtte volgens Talibanleider mullah Mohammed Omar de doodstraf. In juni dreigden de Taliban de bakkerijen van het Wereldvoedselprogramma van de VN te sluiten, omdat Afghaanse vrouwen bij de organisatie waren betrokken. Een compromis redde de voedselverstrekking aan zo’n 300 000 mensen. In diezelfde maand werd het werk van buitenlandse hulpverleners bemoeilijkt doordat de islamitische wetten van de sharia in de extreme Talibaninterpretatie ook op hen van toepassing werden verklaard. Begin augustus werden 8 westerse en 16 Afghaanse hulpverleners gearresteerd op beschuldiging van verspreiding van het christendom, waarop de doodstraf stond. In november werden ze bevrijd.

6.2 Val van de Taliban

De Verenigde Staten wezen Osama bin Laden aan als de verantwoordelijke voor de aanslagen van 11 september 2001 op het World Trade Center in New York en het Pentagon in Washington. Overeenkomstig de VN-resoluties eiste Washington van de Taliban de onvoorwaardelijke uitlevering van Bin Laden en de leiders van diens al-Qaida-netwerk. Ook na sterke Amerikaanse en Pakistaanse diplomatieke druk bleef het Talibanleiderschap bij zijn weigering Bin Laden uit te wijzen en groeide de dreiging van een Amerikaanse militaire actie. Hierdoor ontstond een nieuwe stroom vluchtelingen, vooral richting Pakistan, maar de Pakistaanse regering beperkte de instroom.Eind september maakten de Verenigde Staten en Groot-Brittannië bekend dat speciale militaire eenheden actief waren in Afghanistan, en op 7 oktober begon de militaire operatie Enduring Freedom.

Het primaire doel van de militaire operatie, de arrestatie of uitschakeling van Osama bin Laden en diens al-Qaida-netwerk, verschoof langzaam maar zeker naar het ten val brengen van het Talibanbewind. Amerikaanse bombardementen waren er vanaf dat moment op gericht de offensieven van de Noordelijke Alliantie tegen de Talibantroepen te ondersteunen, ondanks kanttekeningen van de Amerikaanse partner Pakistan, tot 11 september 2001 de belangrijkste bondgenoot van de Taliban. De Noordelijke Alliantie, die in eerste instantie was verzwakt door de dood van haar leider Ahmed Shah Massoud nam het initiatief over, geholpen door de terugkeer van de Oezbeekse krijgsheer Abdul Rashid Dostum in haar kamp. Ook bij de Pathaanse stammen nam het verzet tegen de Taliban toe. Hamid Karzai, die vanuit Pakistan Afghanistan was binnengedrongen, ontpopte zich als belangrijk Pathaans leider. Ook oud-koning Zahir Shah, die in Rome in ballingschap verbleef, speelde een nadrukkelijke rol.

In november 2001 ging de opmars van de Noordelijke Alliantie onverwacht snel. Achtereenvolgens werden ingenomen de strategische noordelijke stad Mazar-e-Sharif, de westelijke stad Herat, en op 13 november de hoofdstad Kabul. Pathaanse anti-Talibanstrijders namen op 15 november de oostelijke stad Jalalabad in. Het al weken omsingelde Konduz, in het noorden, gaf zich op 26 november aan de Noordelijke Alliantie over. Ten slotte viel op 7 december 2001 Kandahar, het bolwerk van de Taliban, nadat de stad was ingesloten door speciale Amerikaanse eenheden en Pathaanse anti-Talibanstrijders. Van Talibanleider mullah Omar ontbrak ieder spoor. De Amerikaanse bombardementen concentreerden zich hierna op het grottencomplex bij Tora Bora, in het oosten. De Amerikanen vermoedden dat Bin Laden zich daar schuilhield, maar hij kon niet worden getraceerd.

6.3 Overgangsregering

Op 22 december 2001 werd Hamid Karzai als leider van een overgangsregering geïnstalleerd. Hieraan gingen, in het Duitse Königswinter, onderhandelingen vooraf tussen vertegenwoordigers van de diverse Afghaanse facties, onder leiding van VN-onderhandelaar Lakhdar Brahimi. Tijdens de onderhandelingen werd duidelijk dat de rol van president Burhanuddin Rabbani, die door de VN tot dat moment in zijn functie werd erkend, in de Noordelijke Alliantie was uitgespeeld. Zijn rol werd overgenomen door een jongere generatie onder leiding van Yunus Qanuni en Abdullah Abdullah. Het akkoord hield in dat voor de duur van zes maanden een overgangsregering werd benoemd die een zgn. Loya Jirga moest voorbereiden. Deze vergadering van etnische leiders, waarin een belangrijke rol was gereserveerd voor oud-koning Zahir Shah, moest een nieuwe overgangsregering voor de duur van anderhalf jaar voorbereiden, die een nieuwe grondwet moest samenstellen. Twee jaar na de Loya Jirga stonden vrije verkiezingen gepland. Een internationale troepenmacht, de International Security Assistance Force (ISAF), onder leiding van Groot-Brittannië, moest de overgangsregering steunen en beschermen. Van de ISAF-troepenmacht van zo’n 5000 militairen maakten ook Nederlandse eenheden deel uit. Tegelijkertijd bleef het Amerikaanse leger actief met de opsporing van Osama bin Laden en mullah Omar en de arrestatie en uitschakeling van al-Qaida-strijders. Doordat bij de Amerikaanse bombardementen ook een aantal burgerslachtoffers viel, groeide het verzet tegen de Amerikaanse militaire acties. Eind 2002 verscheen een VN-onderzoeksrapport, dat concludeerde dat al-Qaida bezig was met het opzetten van nieuwe trainingskampen in het grensgebied tussen Afghanistan en Pakistan.

De interrimregering van Hamid Karzai werd in haar streven Afghanistan op te bouwen met talrijke problemen geconfronteerd. Allereerst waren er grote financiële en economische problemen. De toegezegde hulp (US$ 4,5 mld, waarvan US$ 2 mld voor 2002) bereikte Afghanistan moeizaam. Een groot probleem was de hervatte grootschalige papaverteelt voor heroïne, die de binnenlandse voedselvoorziening bedreigde. Onder het Talibanregime was de papaverteelt fel bestreden. Daarbovenop kwam in maart 2002 een aardbeving in Noord-Afghanistan, met meer dan 1800 doden en 15.000 tot 30.000 daklozen.

Karzais grootste probleem vormde het gebrek aan centraal gezag, dat leidde tot onveiligheid en banditisme. Diverse politieke aanslagen tekenden de instabiliteit. Op 6 juli 2002 werd vice-president Abdul Qadir vermoord en op 5 september ontsnapte Karzai bij een aanslag zelf ternauwernood aan de dood.

Karzai beschikte niet over een regeringsleger, en het mandaat van de internationale troepenmacht ISAF bleef beperkt tot Kabul, ondanks herhaaldelijke oproepen van Karzai en VN-secretaris-generaal Annan om het mandaat te verbreden tot buiten Kabul en de troepenmacht uit te breiden. Buiten Kabul lag de macht in handen van de verschillende krijgsheren, die al snel de wapens weer oppakten

In deze instabiele situatie vond in juni 2002 de Loya Jirga, de vergadering van stamoudsten, plaats. De vergadering, die moest leiden tot de installatie van een nieuwe president, regering, en parlement, verliep moeizaam. Karzai werd met 80% van de stemmen gekozen tot president, maar kreeg ernstige kritiek van zijn Pathaanse achterban. Ten eerste was er de Amerikaanse druk op ex-koning Zahir Shah om ten gunste van Karzai geen hoofdrol op te eisen. Dit om kritiek van de noordelijke niet-Pathaanse partijen op een Pathaanse dominantie de wind uit de zeilen te nemen. Voorts was er ernstige Pathaanse kritiek op de samenstelling van Karzais nieuwe regering, die de Tadzjiekse invloed bestendigde. De Loya Jirga slaagde er niet in een nieuw parlement te kiezen.

In 2003 werd een ontwerp-grondwet opgesteld, die in 2004 door een nieuwe Loya Jirga werd aangenomen. In de grondwet kregen man en vrouw gelijke rechten en werd een presidentieel stelsel ingevoerd, zonder premier. Afghanistan werd een islamitische republiek; geen enkele wet mocht strijdig zijn met de islam.

Op 9 oktober 2004 vonden presidentsverkiezingen plaats, waarvoor 18 kandidaten waren en waarbij een opkomst van 70% werd bereikt. Zittend interim-president Hamid Karzai kwam met ruim 55% van de stemmen als winnaar uit de bus.

In Karzais nieuwe regering werd de invloed van de lokale krijgsheren beperkt, doordat een aantal van hen niet terugkeerde op hun ministersposten, waaronder de Tadzjiekse krijgsheer Fahim.

6.4 Verslechterende veiligheidssituatie

In februari 2003 namen Nederland en Duitsland gezamenlijk het commando over de vredesmacht ISAF op zich, om dit in augustus over te dragen aan de NAVO. Begin oktober besloot de NAVO met instemming van de VN het bereik van ISAF uit te breiden van het gebied rondom Kabul naar de noordelijke regio Konduz. Voor de stabilisatie van de regio’s buiten Kabul werden ‘regionale opbouwteams’ opgericht, bestaande uit militairen en civiele hulpverleners. Deze teams moesten het lokale bestuur bijstaan bij de wederopbouw en demobilisatie. De veiligheidssituatie verslechterde vooral in het zuiden en oosten van het land. Er werden verscheidene aanslagen gepleegd op internationale hulpverleningsorganisaties, zoals de UNHCR en het Rode Kruis. Ook ISAF was doelwit van aanslagen.

Ondertussen duurde de Amerikaanse operatie Enduring Freedom voort. Ondanks de technologische suprematie van de VS bleken de Taliban moeilijk te bestrijden, mede omdat voor veel Pathaanse jongeren een bestaan als strijder financieel aanlokkelijk was. In hun jacht op Taliban en al-Qaida-strijders werden de VS soms gesteund door het Afghaanse leger.

Het toenemende geweld in Afghanistan werd enerzijds veroorzaakt door drugssmokkel en door krijgsheren die een groot deel van het land controleerden, maar anderzijds steeds vaker ook door militante groepen. Onder anderen de Taliban pleegden aanslagen op lokale en internationale hulpverleners en op personeel van de Verenigde Naties.

De regering voerde in 2004 in samenwerking met de Verenigde Naties een demobilisatieprogramma uit om lokale strijders te ontwapen. De krijgsheren werkten hieraan slechts mondjesmaat mee en hielden hun privélegers achter de hand. De NAVO-vredesmissie ISAF en de door de Amerikanen geleide operatie Enduring Freedom werkten vanaf 2004 meer samen.

De hulporganisatie Artsen zonder Grenzen trok zich in 2004 na 24 jaar uit Afghanistan terug nadat bij een aanslag vijf van haar stafleden waren gedood in de westelijke provincie Badghis.

6.5 Parlementsverkiezingen 2005

In september 2005 werden de eerste vrije parlementsverkiezingen sinds 1969 gehouden. De parlementariërs werden op persoonlijke titel voor vijf jaar gekozen. Ze namen niet deel aan de verkiezingen namens een politieke partij. Volgens waarnemers van de EU bedroeg de opkomst 50 procent. De opkomst verschilde sterk van streek tot streek, van 60 procent in het relatief rustige noorden tot dertig in het zuidoosten waar de Taliban het meest actief waren. De opkomst in Kabul was met 34 procent verrassend laag. De inhoud van 650 stembussen, circa 3 procent van het totaal, mocht niet worden geteld omdat ermee zou zijn geknoeid. De fraude was gepleegd in de provincie Kandahar.