| Zoekweergave | Strauss, Johann [Sohn] | Terug |
Strauss, Johann [Sohn] (Wenen 25 okt. 1825 – aldaar 3 juni 1899), musicus en componist, oudste zoon van Johann (Vater), studeerde tegen diens wil viool. In 1844 richtte hij een eigen dansorkest op, dat een concurrent werd van dat van zijn vader, waarmee het na diens dood werd verenigd. Als ‘Walzerkönig’ maakte hij grote tournees, o.a. naar de Verenigde Staten (1872). Van 1863 tot 1870 leidde Strauss (die zelf niet danste) de hofbals in Wenen. Tussen 1844 (Sinngedichte, op. 1) en zijn dood componeerde hij meer dan 500 werken, waaronder ca. 165 walsen, die hij door geacheveerde melodiek en ritmiek tot concertstuk wist te verheffen. De Weense wals dankt aan hem zijn klassieke perfectie. Vanaf ca. 1871 componeerde hij ca. 15 operettes – met als hoogtepunt Die Fledermaus (1874; ook wel als opera betiteld) -, waarvan een aantal tot op heden repertoire heeft gehouden. Zijn beste werken zijn door hun melodieënrijkdom en charme ongeëvenaard.
WERK: Walsen: Accellerationen (1860); Morgenblätter (1864); An der schönen blauen Donau (1867); Künstlerleben (1867); Geschichten aus dem Wienerwald (1868); Wein, Weib und Gesang (1869); Wiener Blut (1873); Rosen aus dem Süden (uit de operette Das Spitzentuch der Königin, 1880); Frühlingsstimmen (ca. 1882; m. sopraansolo); Kaiserwalzer (1888). – Polka's: Champagner-, Tritsch-Tratsch-, Sekunden-, Pizzikato-Polka, Leichtes Blut. – Operettes: Indigo (1871); Der Carneval in Rom (1873); Die Fledermaus (1874); Cagliostro in Wien (1875); Prinz Methusalem (1877); Blindekuh (1878); Der lustige Krieg (1881); Eine Nacht in Venedig (1883); Der Zigeunerbaron (1885); Simplicius (1887); Fürstin Ninetta (1893); Jabuka (1894); Waldmeister (1895); Die Göttin der Vernunft (1897). – Opera: Ritter Pázmán (1892). – Ballet: Aschenbrödel (in de nalatenschap gevonden).