| Zoekweergave | Ruckers | Terug |
Ruckers, geslacht van Zuid-Nederlandse klavecimbelbouwers, gevestigd te Antwerpen, van wie vijf instrumententypen, gebouwd tussen ca. 1579 en 1667, bekend zijn: klavecimbels met één of twee klavieren; rechthoekige virginalen; rechthoekige virginalen met ottavino (klein spinet); vijfhoekige virginalen; klavecimbels met ottavino in de holte van de gebogen zijde. De Ruckers-instrumenten genoten grote faam in de 17de en 18de eeuw. Alle belangrijke barokcomponisten (behalve A. en D. Scarlatti) speelden op een klavecimbel van de Ruckers (o.m. Chambonnières) of op een direct van Ruckers afgeleid type (Bach, Händel, Couperin). De Ruckers hebben een bepaald type gecreëerd, dat uitmunt door uiterlijke vormgeving (sobere uitvoering), inwendige ordening (rechthoekig, lange snaren) en sonoriteit (helder, warm, zacht). Ca. 100 instrumenten zijn thans nog traceerbaar in de gehele wereld. De meeste werden sterk gewijzigd, mede ten gevolge van de 18de-eeuwse muziekpraktijk, die volledig-uitgebouwde klavieren benutte, terwijl de Ruckers verkorte octaven bouwden.
De belangrijkste leden van het geslacht zijn:
Hans de Oude Ruckers
Hans de Jonge Ruckers
Andreas de Oude Ruckers