De kinderjaren van koning Boudewijn werden gekenmerkt door dramatische gebeurtenissen. Zijn grootvader, koning Albert, en zijn moeder kwamen onder tragische omstandigheden om het leven (1934–1935). Toen in 1940 de Tweede Wereldoorlog uitbrak, reisde Boudewijn met zijn broer Albert en zijn zuster Joséphine-Charlotte naar Spanje. In augustus 1940, toen het oorlogsgeweld enigszins was geluwd, keerden de prinsen naar België terug. Op het kasteel van Ciergnon (prov. Namen) en later op het kasteel van Laken kreeg Boudewijn een secundair-onderwijsopleiding. Van juni 1944 tot 7 mei 1945 maakte hij de Duitse gevangenschap en daarna de ballingschap in Oostenrijk en Zwitserland van zijn vader mee, met wie hij pas in juli 1950 naar België terugkeerde. Daar was sinds 1945 hevige politieke beroering ontstaan tussen voor- en tegenstanders van de terugkeer van Leopold III (zie Koningskwestie). Ingevolge de gespannen toestand zag Leopold III zich verplicht de koninklijke prerogatieven aan Boudewijn, met de titel van Koninklijke Prins, over te dragen (Wet van 10 aug. 1950). Het jaar nadien deed Leopold troonsafstand ten gunste van Boudewijn, die op 17 juli 1951 de grondwettelijke eed aflegde.
© 1993-2008 Microsoft Corporation/Het Spectrum. Alle rechten voorbehouden.