| Verenigde Oost-Indische Compagnie | Terug | ||||
| Klik in het menu Bestand op Afdrukken om de gegevens af te drukken. | |||||
| 4. De ondergang van de VOC |
In de loop van de 18de eeuw traden enkele structurele veranderingen in de Aziatische handel op waarvan vooral de Engelse East India Company (EIC) wist te profiteren. Zo boette de handel in specerijen – in de 17de eeuw nog de sleutel van het VOC-succes – aan belang in. In de 18de eeuw waren het thee en Indiaas textiel waarmee veel geld te verdienen viel, waarbij de Engelsen de betere textielgebieden in India bleken te bezitten, terwijl zij met de verovering van Bengalen ook over opium konden beschikken. Dit laatste product bleek een belangrijk ruilmiddel om zilver te verwerven, waarmee op de Kantonese markt weer Chinese thee kon worden gekocht. De positie van de East India Company werd nog versterkt door het optreden van Engelse country-traders, particuliere handelaren die een belangrijk deel van de intra-Aziatische handel voor hun rekening namen. De EIC kon zich hierdoor concentreren op de handel tussen Azië en Europa en een relatief klein en efficiënt bedrijf blijven.
De VOC had hierbij het toekijken. De ondoorzichtige bedrijfsvoering in Nederland en de corruptie van compagniesdienaren in Azië hielpen niet mee. Ook het feit dat de compagnie langzaam maar zeker een soevereine macht in Azië was geworden, met alle uitgaven voor het instandhouden van een ambtelijk en militair apparaat van dien (in 1780 had de VOC in Azië zo'n 27.000 man in dienst, tegen nog geen 8000 in 1625), zorgde ervoor dat de bedrijfsresultaten steeds meer onder druk kwamen te staan.
De Vierde Engels-Nederlandse Oorlog (1780–1784) betekende voor de VOC het definitieve begin van het einde. Vele schepen met kostbare goederen vielen in Engelse handen, terwijl pogingen de handel onder neutrale vlag voort te zetten, weinig succes hadden. De inkomsten droogden op en de compagnie kwam zwaar in de rode cijfers te staan, waardoor de Heren XVII zich genoodzaakt zagen bij de Staten-Generaal om financiële steun aan te kloppen. Aangezien iedereen in Nederland nog steeds overtuigd was van het grote belang van de VOC voor de economie van de Republiek, kon de compagnie inderdaad een aantal forse leningen afsluiten, maar haar positie in Azië was een beslissende klap toegebracht. Nederlandse bezittingen in India en op Sumatra waren door de Engelsen veroverd en geplunderd. Bij de Vrede van Parijs moest de compagnie verder haar monopoliepositie in de Indische archipel opgeven, waardoor Britse kooplieden zich nu vrijelijk op de specerijenhandel konden storten.
In maart 1794 waren de tekorten van de VOC tot grote hoogte opgelopen, terwijl de val van het stadhouderlijk bewind van Willem V in maart 1795 de verbreking van de contacten met Azië betekende. De schepen die naar Nederland onderweg waren, werden óf door de Engelse marine opgebracht óf moesten hun toevlucht zoeken in vreemde havens. Onder deze omstandigheden viel het bedrijf niet meer te redden. In december 1795 besloten de door de patriotten gedomineerde Staten-Generaal het octrooi van de VOC weliswaar tot het einde van 1798 te verlengen, maar tevens per 1 maart 1796 de Heren XVII te vervangen door een ‘Committé tot de zaken van de Oost-Indische Handel en Bezittingen’. Hoewel het octrooi van de VOC pas eind 1799 nietig zou worden verklaard, was de compagnie met de besluiten van december 1795 in feite genationaliseerd en had opgehouden te bestaan.