| Verenigde Oost-Indische Compagnie | Terug | ||||
| Klik in het menu Bestand op Afdrukken om de gegevens af te drukken. | |||||
| 1. Ontstaansgeschiedenis |
Tegen het einde van de 16de eeuw raakten Nederlandse kooplieden geïnteresseerd in de specerijenhandel op Azië, mede omdat het Portugese monopolie op deze handel wankelde en Nederlandse schepen die Iberische havens aandeden door de Spanjaarden werden geconfisqueerd. Aanvankelijk werd getracht via de Noordelijke IJszee een route naar Azië te vinden, waarbij in 1594 een expeditie onder leiding van Willem Barentsz strandde op Nova Zembla. Een jaar later vertrok een door overwegend Amsterdamse kooplieden gefinancierde expeditie van vier schepen onder leiding van Cornelis de Houtman naar Zuidoost-Azië, waarbij via Kaap de Goede Hoop werd gevaren in de richting van de specerijeneilanden. In juli 1596 kwamen de schepen voor de kust van Java aan. Andere expedities volgden, waarbij de commerciële resultaten pover waren. De komst van Nederlandse schepen in de Indische archipel dreef de inkoopsprijzen voor specerijen juist op, terwijl Aziatische en Engelse concurrenten op de loer lagen.
Tegen deze achtergrond besloten op initiatief van Johan van Oldenbarnevelt de Staten-Generaal de verschillende compagnieën die zich met de handel op Azië bezighielden te dwingen zich te verenigen in één onderneming. De Staten-Generaal verleenden deze nieuwe onderneming, die als naam de Verenigde Oost-Indische Compagnie (VOC) kreeg, op 20 maart 1602 in een zogeheten octrooi allerlei bijzondere rechten, zoals het monopolie van alle Nederlandse handel en scheepvaart op Azië, alsmede het recht om ten oosten van Kaap de Goede Hoop verdragen te sluiten en oorlog te voeren. De compagnie mocht ook forten en handelsposten bouwen en bestuurders aanstellen.
In de Republiek kreeg zij zes lokale vestigingen - ‘Kamers’ – in Amsterdam, Middelburg, Delft, Rotterdam, Hoorn en Enkhuizen. De Kamer van Amsterdam zou de helft van de kosten en werkzaamheden voor zijn rekening nemen. De Kamers waren onder meer verantwoordelijk voor het bouwen van schepen, het veilen van goederen en het aannemen van personeel. Het algemene beleid van de compagnie werd bepaald door een uit zeventien personen bestaande hoofddirectie, de ‘Heren XVII’.