| eerste eeuw | Terug | ||||
| Klik in het menu Bestand op Afdrukken om de gegevens af te drukken. | |||||
| 1. DE WERELD IN VOGELVLUCHT |
| 1.1 De wereldbevolking |
Over de omvang van de totale wereldbevolking is weinig bekend. Schattingen komen uit op rond 450 miljoen zielen. Slechts enkele gebieden of clusters van gebieden hebben een relatief hoge bevolkingsconcentratie: China (in de dalen van de grote rivieren, met een bevolking van naar schatting 70 miljoen zielen), Voor-Indië (vooral het Indus- en het Gangesdal, met, naar men aanneemt, omstreeks l00 miljoen mensen) en het gebied van het Romeinse Rijk (met naar schatting 54 miljoen mensen). In deze drie gebieden bloeien - vrijwel geïsoleerd van elkaar - hoge culturen. Men gebruikt er het schrift om de eigen tradities vast te leggen en onderscheidt zich mede daardoor van het merendeel van de andere volken, waarvan sommige overigens in deze tijd relatief hoge beschavingen kennen.
In grote delen van de wereld echter leeft men nog in het stenen tijdperk. Er zijn, in Australië, in noordelijk Azië, in Afrika ten zuiden van de Sahara en in Amerika, tal van volken die alleen stenen werktuigen en wapens kennen. Ons zicht op de cultuur van deze volken is uiterst vaag, ook omdat er weinig of geen contact bestaat met beschavingen die meer middelen tot hun beschikking hebben. Maar wij kunnen ons toch voorstellen hoe zij leven.
Toch is op vele plaatsen buiten de grote cultuurgebieden inmiddels ook het gebruik van metalen doorgedrongen, meestal door contact met volken die dit al kenden, soms ook door zelfstandige ontwikkeling. Voor grote gebieden in de wereld zijn trouwens de wijze van voedselproductie en de nederzettingsvormen (landbouw- resp. stadsculturen) veel kenmerkender gegevens voor het culturele ontwikkelingsniveau dan het bezit van metalen werktuigen of de kennis en het gebruik van het schrift.
| 1.2 Midden-Amerika |
In Midden-Amerika bloeit omstreeks deze tijd bijvoorbeeld een hoog ontwikkelde stadscultuur op, goed vergelijkbaar met de (vroegere) stadsculturen van de Oude Wereld, maar zonder de kennis van metallurgie en zonder de beschikking over wagens, wielen en lastdieren. Toch slaagden de Olmeken er in (al enkele eeuwen vóór de nu beschreven periode) meters hoge en tot 50 ton zware steenblokken over water te transporteren over afstanden groter dan l00 km; deze gebruikten ze om er hun karakteristieke beeldhouwwerken uit te vervaardigen. In La Venta, aan de kust van de Golf van Mexico, bouwden zij een ruim 30 m hoge piramide, waarin 800 000 manuren arbeid moet zijn gestoken. De door de Olmeken tot ontwikkeling gebrachte wiskundige kennis, hun nauwkeurige kalender en hun hiërogliefenschrift hebben zich verbreid naar Monte Albán, een reeds enkele eeuwen oude stad in het Oaxacadal, en naar het gebied van de Mayacultuur op het schiereiland Yucatán, waar zich verscheidene verstedelijkte religieuze centra bevinden, zoals Tikal en Palenque. Men kent er geen eigen metallurgie, maar beschikt wel over metaalwaren die via handelswegen uit andere gebieden worden aangevoerd. Met werktuigen van vuursteen en obsidiaan is een gespecialiseerde nijverheid in opkomst. De basis van de welvaart schuilt in de rijke opbrengsten van de maïscultuur. Katoen, obsidiaan, zout en cacaobonen zijn belangrijke handelsproducten. Balspelen, gespeeld met een massieve bal van rubber, hebben een sacrale functie. Een opmerkelijke tempelarchitectuur is in ontwikkeling. Inmiddels wint in het hoogland van Mexico de stedelijke cultuur van Teotihuacán snel aan invloed. In de voorafgaande eeuw heeft een nederzetting van middelmatige omvang zich hier ontwikkeld tot een politiek en religieus centrum, dat nu geleidelijk aan het uitgroeien is tot het belangrijkste van geheel Midden-Amerika.
| 1.3 Het Andesgebied |
Sterk in contrast met de Midden-Amerikaanse culturen staan die van het Andesgebied, waar een hoog ontwikkelde agrarische en technische bedrijvigheid is ontstaan, met inbegrip van metaalbewerking (goud, koper, zilver). Hier is echter nog geen spoor van verstedelijking, noch van enige vorm van schrift of kalender. In het kustgebied van Peru komen technische vernieuwingen op: irrigatiesystemen worden ingevoerd, op de berghellingen worden terrassen aangelegd en er wordt een nieuwe graansoort gekweekt die kan groeien op hoogten waar maïsteelt niet meer mogelijk is. Er is in deze periode een sterke bevolkingsgroei.
| 1.4 Noord-Amerika |
Uitgestrekte gebieden van Noord-Amerika worden slechts bewoond door voedselverzamelende volken. In twee gebieden vindt men landbouwgemeenschappen: in het zuidwesten in de Mogollon Mountains vanNew Mexico, waar reeds lang een maïs- en bonencultuur bestaat en sinds kort ook keramische producten worden vervaardigd; in het noordoosten in Ohio en omgeving, waar monumentale graven worden aangetroffen van de religieus georiënteerde Hopewell-cultuur, die eenvoudige metaalbewerking kent (koud gesmeed koper en ijzer) en handelsbetrekkingen onderhoudt met grote gedeelten van het Noord-Amerikaanse continent.
| 1.5 Afrika |
In Afrika vormt de Sahara een barrière tussen het mediterrane en het tropische gebied, waardoor een groot deel van dit continent is geïsoleerd van de ontwikkelingen in het noordelijke cultuurgebied. Deze natuurlijke hindernis is twee en een half duizend jaar eerder ontstaan ten gevolge van een ingrijpende klimatologische verandering. Sindsdien zijn, zowel in het Ethiopische gebied als onder de negerbevolking van de savannen in West- en Centraal-Afrika, van elkaar verschillende landbouwgemeenschappen ontstaan, die zich sinds kort de metaalbewerking hebben eigen gemaakt. Deze culturen beginnen zich in deze tijd uit te breiden naar het zuiden, voornamelijk door kolonisatie.
| 1.6 Zuidoost-Azië |
In grote gedeelten van Zuid-Oost zijn reeds lang geleden rijstverbouwende landbouwculturen tot ontwikkeling gekomen. In deze eeuw is er een zekere culturele uitstraling van Voor-Indië naar deze gebieden bemerkbaar. De eilandengroepen oostelijk van Micronesië en Australië, inclusief Nieuw-Zeeland, zijn onbevolkt.
| 1.7 Japan en Korea |
Japan en Korea zijn vrijwel volledig buiten de invloed van de nabije Chinese beschaving gebleven. Pas sinds enkele eeuwen zijn daar rijstverbouwende landbouwgemeenschappen tot ontwikkeling gekomen, die sinds kort onder Chinese invloed het ijzer zijn gaan gebruiken.
| 1.8 Centraal-Azië |
Op de grassteppen van Centraal-Azië en Rusland en aan de voet van de berglanden van de Kaukasus en Turkestan bestaan al sinds ongeveer drieduizend jaar sedentaire veehoudersgemeenschappen. De ontdekking van het brons heeft hier weinig verandering gebracht. Omstreeks 2000 v.C. is in dit steppegebied door nog onbekende oorzaak het nomadendom ontstaan. Sindsdien hebben deze nomaden, van Scythen tot Mongolen, een onevenredige invloed op de wereldgeschiedenis, gerekend naar hun aantal en hun cultureel ontwikkelingsniveau. Zij vormen enerzijds een voortdurende bedreiging voor de omringende cultuurgebieden en voorzien anderzijds in verbindingen tussen de culturen in het oosten en het westen van het Euraziatisch continent. Er bestaan ook enige handelsbetrekkingen. Zo wordt Chinese zijde via het door nomaden beheerste Bactrië naar het Romeinse Rijk geëxporteerd.
| 1.9 Noord- en Noordwest-Europa |
In Noord- en Noordwest-Europa kent men al sinds ca. 600 v.C. het gebruik van ijzer. Er bloeit daar in deze periode een hoge cultuur (ontstaan ca. 500 v.C. in het zuidelijk Rijngebied), die veel contacten heeft met de Grieks-Romeinse cultuur. Dragers van deze cultuur zijn de Kelten en de Germanen.
| 1.9.1 De Kelten |
De Kelten vormen niet één volk, maar een groep volken of stammen met een gemeenschappelijke taal en cultuur. Vanuit hun stamland, het gebied van Boven-Rijn en Boven-Donau, hebben zij zich sinds ongeveer 400 v.C. in gedurfde tochten verspreid in Frankrijk (waar zij nu Galliërs heten), in Italië (waar zij zich alleen konden handhaven in de Povlakte), op het Iberisch Schiereiland en de Balkan, tot in Klein-Azië, waar zij het rijk der Galaten hebben gesticht. In deze eeuw zijn er op heel het vasteland geen onafhankelijke Kelten meer, en op het eind van de eeuw (78–85 n.C.) worden ook de Keltische stammen die in Britannia al enige eeuwen lang de heersende bovenlaag vormen, door de Romeinen onderworpen. Alleen in het noorden van Britannia en in Ierland zijn de Kelten nog buiten het bereik van de machtige arm van Rome. Hier vindt men dan ook de Keltische cultuur in haar zuiverste vorm. Gallia (Gallië), in deze tijd het voornaamste thuisland van de Kelten op het vasteland, is sinds de veroveringen van Julius Caesar reeds in vergevorderde mate geromaniseerd. In mindere mate is dat het geval in Zuid- en Midden-Britannia.
De sinds de derde eeuw v.C. sedentair geworden Kelten zijn nu vooral landbouwers en ambachtslieden. De grote technische vaardigheid die zij van oudsher ontwikkeld hebben, geeft hun, economisch gezien, een geweldige ruggensteun. Zij zijn meesters in het bewerken van metaal (ijzer, maar ook goud en zilver) en in het exploiteren van hoogovens. Hun handvaardigheid is dikwijls tegelijk kunstvaardigheid, die zich uitleeft in het rijkelijk versieren van de gebruiksvoorwerpen die zij maken. Ook de leer- en houtbewerking, maar ook de pottenbakkerskunst hebben bij hen een hoge graad van perfectie bereikt. Hun producten doen in technisch opzicht niet onder voor de beste voortbrengselen van de Romeinse wereld. In het bezette Gallia blijft de inheemse industrie dan ook in eigen stijl verder produceren voor de Romeinse markt. In de landbouw domineert het kleinbedrijf, dat vooral rendabel is door de varkensteelt. Er wordt beweerd dat ham en spek Keltische vindingen zijn. In ieder geval zijn het vaak hammen uit Gallia die menige Romeinse tafel verrijken.
De oorspronkelijke Keltische cultuur is geen stadscultuur. De Kelten wonen in grote familiegroepen van verwante gezinnen bij elkaar. Wel hebben zij beveiligde steunpunten, waar ook jaarmarkten en volksvergaderingen worden gehouden. Die versterkte nederzettingen hebben zich vaak ook ontwikkeld tot culturele middelpunten, vooral als er een 'koning' resideert. In de niet door de Romeinen bezette Keltische gebieden vindt men namelijk tal van uiterst kleine 'koninkrijkjes', die bijna constant onderlinge vetes uit te vechten hebben. De culturele tradities worden vooral in stand gehouden door aan de vorstenhoven verbonden rechtsgeleerden (filid) en door zgn. barden, rondtrekkende dichters en zangers. Deze barden bezingen de dappere daden van vroegere en eigentijdse helden, maar ze zien er ook niet tegen op om van tijd tot tijd scherpe, alom gevreesde kritische satiren te debiteren. De barden en rechtsgeleerden zijn samen met de priesters (druïden) de bewaarders van een rijke schat mondeling overgeleverde kennis. Het is eigenlijk verwonderlijk dat de Kelten, gezien hun hoge culturele ontwikkeling, het schrift niet hebben gebruikt om hun tradities vast te leggen.
| 1.9.2 De Germanen |
Met de verzamelnaam Germanen worden de volken en stammen aangeduid die wonen ten noorden van de Alpen en ten oosten van de Rijn. Zij hebben lang niet de hoge technische beschaving bereikt van de meer westwaarts wonende Kelten. Net als de Kelten kennen zij geen steden. Zij wonen met een aantal families bij elkaar, in een soort dorp of over een groter gebied verspreid. Deze familiegroepen of stammen zijn nog halve nomaden; hun huisvesting is zeer eenvoudig (een boerenhuis zonder vensters, met een opening bovenin, die dient als licht- en rookgat) en zij breken gemakkelijk op om elders een woonplaats te zoeken. Enkele stammen zijn de Rijn overgetrokken en zijn daar opgenomen in de Keltische cultuursfeer. De Romeinen hebben getracht het gebied ten oosten van de Rijn tot aan de Elbe te veroveren, maar sinds de verschrikkelijke nederlaag van het Romeinse leger in het Teutoburgerwoud (in 9 n.C.) is de Rijn de grens gebleven tussen de Germanen en het door de Romeinen beheerste gebied.
In deze eeuw (in 98 n.C.) verschijnt voor het eerst een geschrift dat speciaal aan de Germanen is gewijd. Het is van de hand van de bekende geschiedschrijver Tacitus. Het boekje (bekend als Germania) beschrijft de herkomst van de Germanen, hun levensgewoonten, de diverse Germaanse volken en het land waarin zij wonen:
'Het land vertoont weliswaar verschillen, maar over het geheel genomen is het bedekt met ruige bossen en afschuwelijke moerassen. In de richting van Gallia is het tamelijk vochtig, de kant van Noricum en Pannonia op staat er altijd veel wind. Het levert graan op, maar is niet geschikt voor het kweken van vruchtbomen. Er is veel vee, merendeels klein in zijn soort, en het grootvee heeft ook niet dat edele voorkomen en die prachtige horens waaraan wij gewend zijn. Wat hun interesseert is de omvang van hun veestapel, want vee is hun enige en meest begerenswaardige rijkdom.'
(Germania, 5)
De kern van elke stam wordt gevormd door de vrije grondbezitters, tevens soldaten. Uit hun midden is meestal een aristocratische groep ontstaan, de adel. Naast de vrijen kent men de onvrijen of slaven, waartoe o.a. de krijgsgevangenen behoren. Een tussenklasse wordt gevormd door de vrijgelatenen. Er is een ver doorgevoerde democratie:
'Koningen worden gekozen uit de adel, legeraanvoerders uit de dappersten. De koningen hebben geen onbeperkte macht en zijn evenmin vrij in de uitoefening ervan. De legeraanvoerders geven leiding meer door hun voorbeeld dan door het gezag waarmee ze zijn bekleed,- zij zijn op het kritieke moment steeds ter plaatse, zij laten zich overal zien, zij vechten in de voorste linie en wekken zo ieders bewondering. (… ) Over minder belangrijke zaken beraadslagen de aanzienlijken, over belangrijkere het hele volk. Wel worden die kwesties waarover het volk te beslissen heeft, van tevoren door de aanzienlijken behandeld. Als er geen onvoorziene en onverwachte dingen gebeuren, komen zij op bepaalde dagen tezamen, bij nieuwe of volle maan. (…) Een niet welgevallige mening wordt door gemor verworpen als iets hun instemming heeft, dan laten zij hun speren tegen elkaar kletteren.'
(Germania, 7. 11)
De strijdlust van de Germanen springt behoorlijk in het oog:
'Als er in de streek waarin zij wonen lange tijd vrede heerst en niets te doen is, dan zoeken de meeste adellijke jongemannen elders die stammen op die op dat ogenblik een of andere oorlog voeren. Want rust ligt dit volk niet en in gevaarlijke omstandigheden is het gemakkelijker om beroemd te worden. ( ... ) Men kan ze gemakkelijker ertoe overhalen de vijand uit te dagen en verwondingen te riskeren dan het land te bebouwen en de oogst af te wachten. Het lijkt er zelfs op dat ze het een vorm van luiheid en domheid vinden om met zweet te verwerven wat ze met bloed kunnen verkrijgen.'
(Germania, 14)
Tacitus onderkent ook hun zwakheden:
'Bij het lessen van hun dorst tonen ze niet diezelfde matigheid. AIs men hun drankzucht zou aanmoedigen en hun zoveel te drinken zou geven als zij willen, dan zouden zij even gemakkelijk door hun eigen kwalijke eigenschappen als met wapens overwonnen kunnen worden. ( ... ) Het dobbelspel is voor hen, eigenaardig genoeg, ook als ze nuchter zijn, een serieuze aangelegenheid. Ze spelen zo roekeloos op winst of verlies dat ze, als ze alles verloren hebben, bij de laatste beslissende worp hun eigen lijf en vrijheid inzetten. Die verliest, gaat zonder zich te verzetten in slavernij. Ook al is hij jonger en sterker, hij laat zich binden en verkopen. Zulk een starre vasthoudendheid heerst er in zo'n slechte zaak. Zelf noemen ze het trouw.'
(Germania, 23, 24)
In Tacitus' beschrijving van de Germanen klinkt groot respect door voor hun onweerstaanbare dapperheid, de degelijkheid van hun zeden en hun ongecompliceerde boerenbestaan. Hij ziet daarin iets terug van hetgeen zijn eigen voorvaderen, de mannen die de Romeinse republiek stichtten en de wereld veroverden, bezielde. Maar tegelijk beluistert men tussen de regels door de vrees die hem bevangt voor het gevaar dat uit het noorden dreigt, bij voorbeeld als hij droog ironisch constateert:
'Wij hebben in de laatste tijd meer overwinningen over hen gevierd dan bevochten.'
(Germania, 37)
Zijn boekje ondervindt in Rome veel belangstelling. Het verschijnt dan ook op het tijdstip waarop het onderwerp actueel is: de nieuwe keizer, Trajanus, is in het noorden bezig de verdedigingslinies te versterken en de grens met Germania te beveiligen. Hij vindt dit belangrijker dan direct na de dood van zijn voorganger naar Rome te komen om zich te laten inhuldigen.