| Zoekweergave | eerste eeuw | Terug |
| Introductie |
eerste eeuw. Om een helder beeld te verkrijgen van wat zich in de eerste eeuw n.C. afspeelde en om het leven van de toenmalige mensen in al zijn verscheidenheid nader te kunnen karakteriseren, is het allereerst noodzakelijk een blik te werpen op de geografische situatie van toen.
Ook wanneer men met de grootste zorg, en toegerust met de historische en archeologische kennis die tegenwoordig ter beschikking staat, de wereld van die eerste eeuw van onze jaartelling in kaart brengt, zullen er vele witte plekken en onzekere gegevens op deze kaart voorkomen. In fysisch-geografisch opzicht is het aanzien van de aarde in de laatste tweeduizend jaar weliswaar niet veel veranderd. Twintig eeuwen hebben nauwelijks betekenis op de vele miljoenen jaren die geologische tijdschaal omvat. De kustlijnen van zeeën en oceanen, de loop van de grote rivieren, de grote meren en bergketens zijn zonder meer te herkennen. Wel zal de kaart een opvallend verschil in vegetatie tonen, een verschil dat door de mensen is veroorzaakt. Grote gebieden rondom de Middellandse Zee (Spanje, Zuid-Italië, Griekenland, Noord-Afrika, Palestina), in Voor-Indië en China, in Australië en Nieuw-Zeeland, in de beide Amerikaanse continenten zijn volop bedekt met bossen die tegenwoordig zijn verdwenen.
De grootste verschillen en de meeste vraagtekens doen zich echter voor bij het invullen van de demografische en cultureel-geografische gegevens op de al genoemde wereldkaart. In de eerste plaats hebben wij rekening te houden met een wereldbevolking die naar schatting nog geen tiende bedraagt van de huidige. Dat is van wezenlijke betekenis voor een realistische kijk op de eerste eeuw n.C. en nog vele eeuwen daarna. Verder moet men in gedachten houden dat het grootste deel van die wereld nog behoort tot het domein van de prehistorie, die men slechts zoekend en tastend met behulp van archeologische vondsten en relicten, soms ook door berichtgeving van buitenaf kan reconstrueren.
| 1. DE WERELD IN VOGELVLUCHT |
| 1.1 De wereldbevolking |
Over de omvang van de totale wereldbevolking is weinig bekend. Schattingen komen uit op rond 450 miljoen zielen. Slechts enkele gebieden of clusters van gebieden hebben een relatief hoge bevolkingsconcentratie: China (in de dalen van de grote rivieren, met een bevolking van naar schatting 70 miljoen zielen), Voor-Indië (vooral het Indus- en het Gangesdal, met, naar men aanneemt, omstreeks l00 miljoen mensen) en het gebied van het Romeinse Rijk (met naar schatting 54 miljoen mensen). In deze drie gebieden bloeien - vrijwel geïsoleerd van elkaar - hoge culturen. Men gebruikt er het schrift om de eigen tradities vast te leggen en onderscheidt zich mede daardoor van het merendeel van de andere volken, waarvan sommige overigens in deze tijd relatief hoge beschavingen kennen.
In grote delen van de wereld echter leeft men nog in het stenen tijdperk. Er zijn, in Australië, in noordelijk Azië, in Afrika ten zuiden van de Sahara en in Amerika, tal van volken die alleen stenen werktuigen en wapens kennen. Ons zicht op de cultuur van deze volken is uiterst vaag, ook omdat er weinig of geen contact bestaat met beschavingen die meer middelen tot hun beschikking hebben. Maar wij kunnen ons toch voorstellen hoe zij leven.
Toch is op vele plaatsen buiten de grote cultuurgebieden inmiddels ook het gebruik van metalen doorgedrongen, meestal door contact met volken die dit al kenden, soms ook door zelfstandige ontwikkeling. Voor grote gebieden in de wereld zijn trouwens de wijze van voedselproductie en de nederzettingsvormen (landbouw- resp. stadsculturen) veel kenmerkender gegevens voor het culturele ontwikkelingsniveau dan het bezit van metalen werktuigen of de kennis en het gebruik van het schrift.
| 1.2 Midden-Amerika |
In Midden-Amerika bloeit omstreeks deze tijd bijvoorbeeld een hoog ontwikkelde stadscultuur op, goed vergelijkbaar met de (vroegere) stadsculturen van de Oude Wereld, maar zonder de kennis van metallurgie en zonder de beschikking over wagens, wielen en lastdieren. Toch slaagden de Olmeken er in (al enkele eeuwen vóór de nu beschreven periode) meters hoge en tot 50 ton zware steenblokken over water te transporteren over afstanden groter dan l00 km; deze gebruikten ze om er hun karakteristieke beeldhouwwerken uit te vervaardigen. In La Venta, aan de kust van de Golf van Mexico, bouwden zij een ruim 30 m hoge piramide, waarin 800 000 manuren arbeid moet zijn gestoken. De door de Olmeken tot ontwikkeling gebrachte wiskundige kennis, hun nauwkeurige kalender en hun hiërogliefenschrift hebben zich verbreid naar Monte Albán, een reeds enkele eeuwen oude stad in het Oaxacadal, en naar het gebied van de Mayacultuur op het schiereiland Yucatán, waar zich verscheidene verstedelijkte religieuze centra bevinden, zoals Tikal en Palenque. Men kent er geen eigen metallurgie, maar beschikt wel over metaalwaren die via handelswegen uit andere gebieden worden aangevoerd. Met werktuigen van vuursteen en obsidiaan is een gespecialiseerde nijverheid in opkomst. De basis van de welvaart schuilt in de rijke opbrengsten van de maïscultuur. Katoen, obsidiaan, zout en cacaobonen zijn belangrijke handelsproducten. Balspelen, gespeeld met een massieve bal van rubber, hebben een sacrale functie. Een opmerkelijke tempelarchitectuur is in ontwikkeling. Inmiddels wint in het hoogland van Mexico de stedelijke cultuur van Teotihuacán snel aan invloed. In de voorafgaande eeuw heeft een nederzetting van middelmatige omvang zich hier ontwikkeld tot een politiek en religieus centrum, dat nu geleidelijk aan het uitgroeien is tot het belangrijkste van geheel Midden-Amerika.
| 1.3 Het Andesgebied |
Sterk in contrast met de Midden-Amerikaanse culturen staan die van het Andesgebied, waar een hoog ontwikkelde agrarische en technische bedrijvigheid is ontstaan, met inbegrip van metaalbewerking (goud, koper, zilver). Hier is echter nog geen spoor van verstedelijking, noch van enige vorm van schrift of kalender. In het kustgebied van Peru komen technische vernieuwingen op: irrigatiesystemen worden ingevoerd, op de berghellingen worden terrassen aangelegd en er wordt een nieuwe graansoort gekweekt die kan groeien op hoogten waar maïsteelt niet meer mogelijk is. Er is in deze periode een sterke bevolkingsgroei.
| 1.4 Noord-Amerika |
Uitgestrekte gebieden van Noord-Amerika worden slechts bewoond door voedselverzamelende volken. In twee gebieden vindt men landbouwgemeenschappen: in het zuidwesten in de Mogollon Mountains vanNew Mexico, waar reeds lang een maïs- en bonencultuur bestaat en sinds kort ook keramische producten worden vervaardigd; in het noordoosten in Ohio en omgeving, waar monumentale graven worden aangetroffen van de religieus georiënteerde Hopewell-cultuur, die eenvoudige metaalbewerking kent (koud gesmeed koper en ijzer) en handelsbetrekkingen onderhoudt met grote gedeelten van het Noord-Amerikaanse continent.
| 1.5 Afrika |
In Afrika vormt de Sahara een barrière tussen het mediterrane en het tropische gebied, waardoor een groot deel van dit continent is geïsoleerd van de ontwikkelingen in het noordelijke cultuurgebied. Deze natuurlijke hindernis is twee en een half duizend jaar eerder ontstaan ten gevolge van een ingrijpende klimatologische verandering. Sindsdien zijn, zowel in het Ethiopische gebied als onder de negerbevolking van de savannen in West- en Centraal-Afrika, van elkaar verschillende landbouwgemeenschappen ontstaan, die zich sinds kort de metaalbewerking hebben eigen gemaakt. Deze culturen beginnen zich in deze tijd uit te breiden naar het zuiden, voornamelijk door kolonisatie.
| 1.6 Zuidoost-Azië |
In grote gedeelten van Zuid-Oost zijn reeds lang geleden rijstverbouwende landbouwculturen tot ontwikkeling gekomen. In deze eeuw is er een zekere culturele uitstraling van Voor-Indië naar deze gebieden bemerkbaar. De eilandengroepen oostelijk van Micronesië en Australië, inclusief Nieuw-Zeeland, zijn onbevolkt.
| 1.7 Japan en Korea |
Japan en Korea zijn vrijwel volledig buiten de invloed van de nabije Chinese beschaving gebleven. Pas sinds enkele eeuwen zijn daar rijstverbouwende landbouwgemeenschappen tot ontwikkeling gekomen, die sinds kort onder Chinese invloed het ijzer zijn gaan gebruiken.
| 1.8 Centraal-Azië |
Op de grassteppen van Centraal-Azië en Rusland en aan de voet van de berglanden van de Kaukasus en Turkestan bestaan al sinds ongeveer drieduizend jaar sedentaire veehoudersgemeenschappen. De ontdekking van het brons heeft hier weinig verandering gebracht. Omstreeks 2000 v.C. is in dit steppegebied door nog onbekende oorzaak het nomadendom ontstaan. Sindsdien hebben deze nomaden, van Scythen tot Mongolen, een onevenredige invloed op de wereldgeschiedenis, gerekend naar hun aantal en hun cultureel ontwikkelingsniveau. Zij vormen enerzijds een voortdurende bedreiging voor de omringende cultuurgebieden en voorzien anderzijds in verbindingen tussen de culturen in het oosten en het westen van het Euraziatisch continent. Er bestaan ook enige handelsbetrekkingen. Zo wordt Chinese zijde via het door nomaden beheerste Bactrië naar het Romeinse Rijk geëxporteerd.
| 1.9 Noord- en Noordwest-Europa |
In Noord- en Noordwest-Europa kent men al sinds ca. 600 v.C. het gebruik van ijzer. Er bloeit daar in deze periode een hoge cultuur (ontstaan ca. 500 v.C. in het zuidelijk Rijngebied), die veel contacten heeft met de Grieks-Romeinse cultuur. Dragers van deze cultuur zijn de Kelten en de Germanen.
| 1.9.1 De Kelten |
De Kelten vormen niet één volk, maar een groep volken of stammen met een gemeenschappelijke taal en cultuur. Vanuit hun stamland, het gebied van Boven-Rijn en Boven-Donau, hebben zij zich sinds ongeveer 400 v.C. in gedurfde tochten verspreid in Frankrijk (waar zij nu Galliërs heten), in Italië (waar zij zich alleen konden handhaven in de Povlakte), op het Iberisch Schiereiland en de Balkan, tot in Klein-Azië, waar zij het rijk der Galaten hebben gesticht. In deze eeuw zijn er op heel het vasteland geen onafhankelijke Kelten meer, en op het eind van de eeuw (78–85 n.C.) worden ook de Keltische stammen die in Britannia al enige eeuwen lang de heersende bovenlaag vormen, door de Romeinen onderworpen. Alleen in het noorden van Britannia en in Ierland zijn de Kelten nog buiten het bereik van de machtige arm van Rome. Hier vindt men dan ook de Keltische cultuur in haar zuiverste vorm. Gallia (Gallië), in deze tijd het voornaamste thuisland van de Kelten op het vasteland, is sinds de veroveringen van Julius Caesar reeds in vergevorderde mate geromaniseerd. In mindere mate is dat het geval in Zuid- en Midden-Britannia.
De sinds de derde eeuw v.C. sedentair geworden Kelten zijn nu vooral landbouwers en ambachtslieden. De grote technische vaardigheid die zij van oudsher ontwikkeld hebben, geeft hun, economisch gezien, een geweldige ruggensteun. Zij zijn meesters in het bewerken van metaal (ijzer, maar ook goud en zilver) en in het exploiteren van hoogovens. Hun handvaardigheid is dikwijls tegelijk kunstvaardigheid, die zich uitleeft in het rijkelijk versieren van de gebruiksvoorwerpen die zij maken. Ook de leer- en houtbewerking, maar ook de pottenbakkerskunst hebben bij hen een hoge graad van perfectie bereikt. Hun producten doen in technisch opzicht niet onder voor de beste voortbrengselen van de Romeinse wereld. In het bezette Gallia blijft de inheemse industrie dan ook in eigen stijl verder produceren voor de Romeinse markt. In de landbouw domineert het kleinbedrijf, dat vooral rendabel is door de varkensteelt. Er wordt beweerd dat ham en spek Keltische vindingen zijn. In ieder geval zijn het vaak hammen uit Gallia die menige Romeinse tafel verrijken.
De oorspronkelijke Keltische cultuur is geen stadscultuur. De Kelten wonen in grote familiegroepen van verwante gezinnen bij elkaar. Wel hebben zij beveiligde steunpunten, waar ook jaarmarkten en volksvergaderingen worden gehouden. Die versterkte nederzettingen hebben zich vaak ook ontwikkeld tot culturele middelpunten, vooral als er een 'koning' resideert. In de niet door de Romeinen bezette Keltische gebieden vindt men namelijk tal van uiterst kleine 'koninkrijkjes', die bijna constant onderlinge vetes uit te vechten hebben. De culturele tradities worden vooral in stand gehouden door aan de vorstenhoven verbonden rechtsgeleerden (filid) en door zgn. barden, rondtrekkende dichters en zangers. Deze barden bezingen de dappere daden van vroegere en eigentijdse helden, maar ze zien er ook niet tegen op om van tijd tot tijd scherpe, alom gevreesde kritische satiren te debiteren. De barden en rechtsgeleerden zijn samen met de priesters (druïden) de bewaarders van een rijke schat mondeling overgeleverde kennis. Het is eigenlijk verwonderlijk dat de Kelten, gezien hun hoge culturele ontwikkeling, het schrift niet hebben gebruikt om hun tradities vast te leggen.
| 1.9.2 De Germanen |
Met de verzamelnaam Germanen worden de volken en stammen aangeduid die wonen ten noorden van de Alpen en ten oosten van de Rijn. Zij hebben lang niet de hoge technische beschaving bereikt van de meer westwaarts wonende Kelten. Net als de Kelten kennen zij geen steden. Zij wonen met een aantal families bij elkaar, in een soort dorp of over een groter gebied verspreid. Deze familiegroepen of stammen zijn nog halve nomaden; hun huisvesting is zeer eenvoudig (een boerenhuis zonder vensters, met een opening bovenin, die dient als licht- en rookgat) en zij breken gemakkelijk op om elders een woonplaats te zoeken. Enkele stammen zijn de Rijn overgetrokken en zijn daar opgenomen in de Keltische cultuursfeer. De Romeinen hebben getracht het gebied ten oosten van de Rijn tot aan de Elbe te veroveren, maar sinds de verschrikkelijke nederlaag van het Romeinse leger in het Teutoburgerwoud (in 9 n.C.) is de Rijn de grens gebleven tussen de Germanen en het door de Romeinen beheerste gebied.
In deze eeuw (in 98 n.C.) verschijnt voor het eerst een geschrift dat speciaal aan de Germanen is gewijd. Het is van de hand van de bekende geschiedschrijver Tacitus. Het boekje (bekend als Germania) beschrijft de herkomst van de Germanen, hun levensgewoonten, de diverse Germaanse volken en het land waarin zij wonen:
'Het land vertoont weliswaar verschillen, maar over het geheel genomen is het bedekt met ruige bossen en afschuwelijke moerassen. In de richting van Gallia is het tamelijk vochtig, de kant van Noricum en Pannonia op staat er altijd veel wind. Het levert graan op, maar is niet geschikt voor het kweken van vruchtbomen. Er is veel vee, merendeels klein in zijn soort, en het grootvee heeft ook niet dat edele voorkomen en die prachtige horens waaraan wij gewend zijn. Wat hun interesseert is de omvang van hun veestapel, want vee is hun enige en meest begerenswaardige rijkdom.'
(Germania, 5)
De kern van elke stam wordt gevormd door de vrije grondbezitters, tevens soldaten. Uit hun midden is meestal een aristocratische groep ontstaan, de adel. Naast de vrijen kent men de onvrijen of slaven, waartoe o.a. de krijgsgevangenen behoren. Een tussenklasse wordt gevormd door de vrijgelatenen. Er is een ver doorgevoerde democratie:
'Koningen worden gekozen uit de adel, legeraanvoerders uit de dappersten. De koningen hebben geen onbeperkte macht en zijn evenmin vrij in de uitoefening ervan. De legeraanvoerders geven leiding meer door hun voorbeeld dan door het gezag waarmee ze zijn bekleed,- zij zijn op het kritieke moment steeds ter plaatse, zij laten zich overal zien, zij vechten in de voorste linie en wekken zo ieders bewondering. (… ) Over minder belangrijke zaken beraadslagen de aanzienlijken, over belangrijkere het hele volk. Wel worden die kwesties waarover het volk te beslissen heeft, van tevoren door de aanzienlijken behandeld. Als er geen onvoorziene en onverwachte dingen gebeuren, komen zij op bepaalde dagen tezamen, bij nieuwe of volle maan. (…) Een niet welgevallige mening wordt door gemor verworpen als iets hun instemming heeft, dan laten zij hun speren tegen elkaar kletteren.'
(Germania, 7. 11)
De strijdlust van de Germanen springt behoorlijk in het oog:
'Als er in de streek waarin zij wonen lange tijd vrede heerst en niets te doen is, dan zoeken de meeste adellijke jongemannen elders die stammen op die op dat ogenblik een of andere oorlog voeren. Want rust ligt dit volk niet en in gevaarlijke omstandigheden is het gemakkelijker om beroemd te worden. ( ... ) Men kan ze gemakkelijker ertoe overhalen de vijand uit te dagen en verwondingen te riskeren dan het land te bebouwen en de oogst af te wachten. Het lijkt er zelfs op dat ze het een vorm van luiheid en domheid vinden om met zweet te verwerven wat ze met bloed kunnen verkrijgen.'
(Germania, 14)
Tacitus onderkent ook hun zwakheden:
'Bij het lessen van hun dorst tonen ze niet diezelfde matigheid. AIs men hun drankzucht zou aanmoedigen en hun zoveel te drinken zou geven als zij willen, dan zouden zij even gemakkelijk door hun eigen kwalijke eigenschappen als met wapens overwonnen kunnen worden. ( ... ) Het dobbelspel is voor hen, eigenaardig genoeg, ook als ze nuchter zijn, een serieuze aangelegenheid. Ze spelen zo roekeloos op winst of verlies dat ze, als ze alles verloren hebben, bij de laatste beslissende worp hun eigen lijf en vrijheid inzetten. Die verliest, gaat zonder zich te verzetten in slavernij. Ook al is hij jonger en sterker, hij laat zich binden en verkopen. Zulk een starre vasthoudendheid heerst er in zo'n slechte zaak. Zelf noemen ze het trouw.'
(Germania, 23, 24)
In Tacitus' beschrijving van de Germanen klinkt groot respect door voor hun onweerstaanbare dapperheid, de degelijkheid van hun zeden en hun ongecompliceerde boerenbestaan. Hij ziet daarin iets terug van hetgeen zijn eigen voorvaderen, de mannen die de Romeinse republiek stichtten en de wereld veroverden, bezielde. Maar tegelijk beluistert men tussen de regels door de vrees die hem bevangt voor het gevaar dat uit het noorden dreigt, bij voorbeeld als hij droog ironisch constateert:
'Wij hebben in de laatste tijd meer overwinningen over hen gevierd dan bevochten.'
(Germania, 37)
Zijn boekje ondervindt in Rome veel belangstelling. Het verschijnt dan ook op het tijdstip waarop het onderwerp actueel is: de nieuwe keizer, Trajanus, is in het noorden bezig de verdedigingslinies te versterken en de grens met Germania te beveiligen. Hij vindt dit belangrijker dan direct na de dood van zijn voorganger naar Rome te komen om zich te laten inhuldigen.
| 2. HET ROMEINSE RIJK |
De wereld in deze eerste eeuw wordt gekenmerkt door grote verschillen in ontwikkelingsfase, leefwijze en welvaart tussen de volken. Vaak weten deze niet van elkaars bestaan en van de verworvenheden van de ander, en leiden ze een in meerdere of mindere mate geïsoleerd bestaan. Wie zijn verkenningen in deze tijd wil verfijnen om een meer gedetailleerd inzicht te krijgen in het bestaan van de eerste-eeuwse mens, zal zijn aandacht dan ook op afzonderlijke culturen en gebieden moeten richten. En haast onweerstaanbaar wordt zijn blik dan getrokken naar die volkerenconcentratie rondom de Middellandse Zee: daar heeft zich omstreeks het midden van deze eeuw een ongekend grote staatkundige eenheid geconsolideerd, het Romeinse Rijk, omvattend ca. 10 miljoen km² met in totaal ca. 54 miljoen inwoners.
| 2.1 Het principaat |
Er heerst vrede in dit rijk en welvaart, nu er sinds het begin van het principaat (27 v.C.) een eind is gekomen aan de ongebreidelde expansiedrift die de Republiek had gekenmerkt. De politiek van keizer Augustus – 'princeps' (eerste), zoals hij zich laat noemen – was er een van consolidatie en was gericht op een afronding van het rijk tot natuurlijke, gemakkelijk te verdedigen grenzen: in het westen de Atlantische Oceaan, in het noorden de Rijn en de Donau, in het oosten de Eufraat en in het zuiden de Sahara. Onder Augustus zijn dan ook nog Hispania (West-Spanje), Raetië, Noricum, Pannonië, Moesië, Galatië, Lycië en Pamphylië geannexeerd. De pogingen de Elbe tot rijksgrens te maken in plaats van de Rijn zijn na de nederlaag van Varus in het Teutoburgerwoud (9 n.C.) opgegeven. De enige echte veroveringsoorlog die daarna in deze eeuw is gevoerd, is die van keizer Claudius in 43 n.C., waarbij het zuiden van Britannia onder Romeins bestuur werd gebracht.
Hoezeer de burgeroorlogen van de late Romeinse Republiek een trauma bij de bevolking hebben nagelaten, blijkt uit de literatuur, uit de beeldende kunst en uit de muntsymbolen uit de beginjaren van het keizerrijk. Het succes van keizer Augustus is dan ook goeddeels toe te schrijven aan het vervullen van een diep geworteld verlangen naar vrede. Het is de Pax Romana – de Romeinse vrede – die een aanzienlijk deel van de wereldbevolking van deze tijd bijeenhoudt. Zoals het de specifieke talenten der Romeinen zijn – het zijn geboren militaire en politieke organisatoren, begaafde ingenieurs, technici en beoefenaars der toegepaste wetenschappen – die eerder de fabelachtige ontplooiing van dit rijk hebben mogelijk gemaakt.
Het Romeinse burgerrecht, eens het trotse bezit van een kleine groep, is intussen het voorrecht geworden van een aanzienlijk deel van de ingezetenen van het rijk. En hoe uiteenlopend de volken en culturen ook zijn die dat rijk herbergt, de bezielende invloed van Rome ondergaan zij gelijkelijk: tot in de verste uithoeken vertolkt het Civis Romanus sum (Ik ben Romeins burger) de trots en het zelfbewustzijn van de ingezetenen.
| 2.2 Italië |
Kerngebied van het Romeinse Rijk is Italië, waartoe nu ook het vroegere Gallia Cisalpina (d.w.z. het gehele stroomgebied van de Po, tot ver in de Alpen) behoort. Italië telt ruim 6 miljoen inwoners en 474 steden met een eigen stadsbestuur.
| 2.2.1 Latium |
Midden in Italië ligt de landstreek Latium (Lazio), het gebied rondom de stad Rome, die meestal eenvoudigweg Urbs, 'de Stad', wordt genoemd. Rome telt bijna 1 miljoen inwoners, een aantal dat nog steeds toeneemt, niet door een geboorteoverschot, maar door de toevloed van vele vreemdelingen. Ten zuidwesten van de stad, aan de monding van de Tiber, ligt de grote en drukke havenstad Ostia met haar vele kantoren, graanpakhuizen, winkels, theaters en kroegen. Hier lopen voortdurend, zij het met onregelmatige tussenpozen, de met koren beladen schepen binnen uit Africa en Egypte, waarvan een deel de Tiber wordt opgesleept tot Rome. In 42 n.C. werd begonnen met de aanleg van nieuwe haveninstallaties, die in 54 in gebruik zijn genomen. Daarna is de bevolking nog verder gegroeid; zij nadert in de eerste eeuw de 100 000. Verder naar het zuiden aan de kust, op een in zee uitspringende rots, ligt de oude stad Antium (Anzio), nu de geliefde verblijfplaats van de Romeinse upper ten. Zeker over een afstand van 5 km is de kust hier volgebouwd met prachtige villa's en tempels. Twee keizers zijn hier geboren: Caligula en Nero; de laatste heeft hier een van zijn paleizen gebouwd. Bekende villasteden in de omgeving van Rome zijn ook Tibur (Tivoli), Tusculum (Frascati) en Praeneste (Palestrina).
| 2.2.2 Campanië |
Campanië, de streek rond de Golf van Napels, heeft in veel opzichten nog zijn eigen karakter bewaard. In het binnenland, met name in de omgeving van de industriestad Capua, waar nog altijd iets leeft van de oude wrok tegen Rome, wordt nog het Oskische dialect gesproken. Maar in de oude Griekse kolonies aan de kust, Neapolis (Napels) voorop, is er een volop levende Griekse cultuur, die zich uit in het dagelijks leven, de gewoonten, de spelen en de bouwwerken. Ten noorden van de Golf ligt de oudste Griekse kolonie van betekenis in het westen van de Middellandse Zee, Cumae (Cuma), in de achtste eeuw v.C. gesticht vanuit Euboea. Verre overvleugeld door haar eigen dochtersteden, zoals Napels en Romes tweede grote haven Puteoli (Pozzuoli), is Cumae nu een klein, stil en enigszins vervallen stadje, echter nog steeds in ere gehouden als verblijfplaats van de legendarische Sibille. Ten zuidoosten van Cumae vindt men het kratermeer van Avernus, waarvan de keizerlijke architect Agrippa een binnenhaven heeft willen maken door middel van een kanaal naar de zee; het plan is echter mislukt. In de omgeving van dit zwaveldampen uitstotende kratermeer heeft de dichter Vergilius, zoals bekend, het begin van Aeneas' tocht naar de onderwereld gesitueerd.
De uiterste punt van de landtong die als het ware de noordelijke pier vormt van de Golf van Napels, is Kaap Misenum (Miseno). Hier is sinds het begin van Augustus' regering de voornaamste vlootbasis van het rijk gevestigd. Men vindt er ook de villa waar keizer Tiberius gestorven is. Enkele kilometers noordelijker op dezelfde landtong ligt de meest mondaine badplaats van Italië, Baiae (Baia). De plaats heeft grote bekendheid, niet alleen vanwege haar geneeskrachtige zwavelbronnen, maar ook door het feit dat achtenswaardige Romeinen die zich in dit oord van prostitutie en uiterst losse zeden vertonen, onherroepelijk hun reputatie op het spel zetten. Er is hier langs het strand over een afstand van bijna een halve kilometer een enorm complex van thermen verrezen, waarbij voor het eerst de koepelbouw is toegepast. Interessant is ook het reusachtige waterreservoir dat hier gebouwd is: een ondergrondse zaal met 48 pilaren. Het wordt gevoed door een aquaduct en dient voor de zoetwatervoorziening van de vloot in Misenum.
Deze door de natuur zo gezegende streek is op de 24ste augustus van het jaar 79 door een verschrikkelijke natuurramp getroffen. Op die dag begon de vulkaan de Vesuvius, die hier het landschap bekroont en allang als uitgeblust werd beschouwd, te werken. Dagen achtereen stootte hij te midden van rookwolken en vlammen miljoenen tonnen stof, stenen en lava de lucht in, die de stadjes Pompeji, Herculaneum en Stabiae tot boven de nok van de huizen bedekte. De inwoners van Herculaneum en Stabiae konden nog op tijd worden geëvacueerd; van de ca. 20 000 inwoners van Pompeji – een stadje dat pas weer was opgebouwd, nadat het in 63 door een aardbeving gedeeltelijk was verwoest – verloren er ca. 2000 het leven. De ramp is van nabij meegemaakt door de 18-jarige Plinius uit Como, die zich op het moment van de uitbarsting, samen met zijn moeder, in het landhuis van zijn oom, Plinius de Oude, te Misenum bevond. In twee brieven aan de befaamde geschiedschrijver Tacitus heeft hij de gebeurtenissen beschreven.
| 2.2.3 Noord-Italië |
In de noordelijke helft van Italië zijn geen dergelijke natuurrampen te melden. Men kan hier spreken van een toenemende welvaart, die voor geen gering gedeelte te danken is aan de openbare veiligheid waarvoor Augustus' regering heeft gezorgd. Een heel verschil is dit met de situatie in de tijd van de driemanschappen, toen onteigeningen en onverhoedse demobilisaties aan de orde van de dag waren. Daardoor werd het platteland opgescheept met horden vagebonden, rovers en kidnappers. Nu is er een speciale politiemacht die overal patrouilleert. Haar werk wordt aanzienlijk vergemakkelijkt door de goede verbindingen, waaraan door Augustus, voor het eerst sinds lange tijd, weer veel aandacht is besteed. Zo heeft hij de Via Flaminia, van Rome naar Ariminium (Rimini), uit eigen middelen grondig laten herstellen. Ook het feit dat Augustus de grenzen van Italië heeft verlegd tot in en over de Alpen, heeft de veiligheid met name van het vroegere Gallia Cisalpina – de Povlakte) zeer verhoogd. Om dit gebied beter te kunnen beheersen, zijn er bovendien verscheidene militaire kolonies gesticht, o.a. Augusta Praetoria (Aosta) en Augusta Taurinorum (Turijn), oorspronkelijk de hoofdplaats van de stam der Taurini.
Aan de handelsweg van Comum (Como) naar het zuiden ligt de oude hoofdstad van de Gallische Insubriërs, Mediolanum (Milaan), een stad die sterk in opkomst is en bekendheid heeft als onderwijscentrum. Aan de belangrijke weg die over de Brennerpas naar het noorden (Raetia en Noricum) voert, ligt Verona, dat een amfitheater bezit met 25 000 zitplaatsen. Verscheidene vroegere grensvestingen aan de benedenloop van de Po zijn nu vrij omvangrijke steden: Placentia (Piacenza), Cremona, dat in de burgeroorlog van het jaar 69 veel geleden heeft, en Mantua (Mantova) met daar dichtbij het dorpje Andes, de geboorteplaats van Vergilius.
| 2.2.4 Noordoost-Italië |
Ook heel het gebied rond het noordelijke gedeelte van de Adriatische Zee, inclusief het schiereiland Istrië met de grote havensteden Tergeste (Triëst) en Pola, is sinds 15 v.C. bij Italië getrokken. Precies in de noordpunt van de Adriatische Zee ligt Aquileia, een bloeiend centrum van handel en industrie. Hier is het eindpunt van de Via Postumia, die door het land van de Veneti, met grote en luxueuze steden als Altinum (Altino) en Patavium (Padua), en meer naar het zuiden langs Mutina (Modena) en Bononia (Bologna) bij Ariminum (Rimini) aansluiting geeft op de Via Fiaminia, die over de Apennijnen naar Rome leidt. Een zijweg van de Via Postumia voert naar de oude vesting Ravenna, gebouwd op palen in een moeras. Hier bevindt zich een staatsgevangenis en sinds 22 v.C. is hier de Adriatische vloot gestationeerd (tweede vlootbasis van Italië na Misenum).
| 2.2.5 Etrurië |
Ook de steden in het Etrurische land ten noorden van Rome beleven een zekere opbloei. Perusia (Perugia), dat in 41 v.C. door Augustus, toen nog Octavianus, genadeloos werd platgebrand om het verzet van Lucius Antonius, de broer van de drieman Marcus Antonius, te breken, is als Perusia Augusta gedeeltelijk herbouwd. Arretium (Arezzo), geboorteplaats van Maecenas, heeft wapenfabrieken en is beroemd om zijn keramische producten.
Aan de rivier de Arnus (Arno) ligt aan de voet van de heuvel waarop het Etrurische Faesulae (Fiesole) gebouwd is, de jonge Romeinse kolonie Florentia (Florence). Pisae (Pisa), bij de mond van de Arno, is een van de oudste en interessantste steden van Etrurië, gesticht door Grieken uit de Peloponnesus. Verder naar het noorden vindt men dan nog langs de kust van de Ligurische Zee de havensteden Luna, vanwaar het marmer van Carrara verscheept wordt, en Genua (Genova), in het verleden verscheidene malen, onder andere door de Carthagers, verwoest, maar steeds opnieuw en mooier opgebouwd.
Al deze steden – en vele andere hier niet genoemde – hebben hun eigen theaters en tempels, hun badinrichtingen en bibliotheken, basilica's en aquaducten. Ze hebben geplaveide straten en de meeste huizen zijn op de openbare waterleiding aangesloten. Voor de verfraaiing van hun stad met zuilengangen, schilderingen en beeldhouwwerk worden door vermogende burgers kapitalen uitgegeven. Dat wordt trouwens ook van hen verwacht. Want in feite worden de steden geregeerd door een kleine, maar zeer rijke oligarchie, die zorgt voor het vermaak (door het financieren van spelen, toneelstukken, enz.) en dikwijls ook voor het onderhoud (door het verstrekken van goedkope levensmiddelen) van de rest van de stadsbevolking. Het culturele en sociale leven geeft in de meeste steden van Italië een uiterst levendig en boeiend beeld te zien.
| 2.3 Gallië |
| 2.3.3 Gallia Narbonensis |
Reizigers uit Italië die Gallië bezoeken, verbazen zich gewoonlijk over de welvaart en rijkdom van dit land en over het Romeinse karakter van de steden die men er aantreft. Plinius beschrijft Gallia Narbonensis met zijn talrijke steden als een streek 'die meer weg heeft van Italië dan van een wingewest'. Nu is dit laatste niet zo verwonderlijk, omdat dit gewest al sinds 121 v.C. een Romeinse provincie is, door de Romeinen dikwijls aangeduid als 'provincia' (Provence) zonder meer. Door Gallia Narbonensis loopt de voor Rome vitale verbindingsweg met Spanje, de Via Domitia. Hoofdstad, tevens grootste stad van de provincie is Narbo (Narbonne); zij is vooral exporthaven voor goederen uit Gallië naar Italië en Spanje. Het door Griekse kolonisten omstreeks 600 v.C. gestichte Massilia (Marseille) is eeuwenlang de voornaamste stad in dit gebied geweest. Haar neergang begon in de burgeroorlog tussen Caesar en Pompejus. De stad werd een vlootbasis der Pompejanen. Na een langdurige belegering door Caesar (49 v.C.) moest zij capituleren en daarna is haar betekenis sterk achteruitgegaan, al werd zij niet verwoest. Haar rol is overgenomen door Arelate (Arles), gesticht door Caesar, die hier een vloot liet bouwen. Arles is in opmerkelijk korte tijd van de grond gekomen; het is een mooie, regelmatig gebouwde stad met een groot amfitheater en daar vlak bij een theater. De Rodanus (Rhône) stroomopwaarts volgend, komt men in Avenio (Avignon), een oude Gallische plaats, en vervolgens in Arausio (Orange), dat een theater heeft met 7000 zitplaatsen en een machtige triomfboog. Aan de Via Domitia, ten oosten van de Rhône, vinden we Nemausus (Nîmes), sinds Augustus een Romeinse kolonie. Aan het forum van deze stad staat een kleine tempel in Griekse stijl, gebouwd ter nagedachtenis aan Augustus' jonggestorven kleinzonen Gaius en Lucius Caesar. Er is een amfitheater voor 20 000 toeschouwers. Om deze grote en nog steeds groeiende stad van zuiver water te voorzien, is er een 50 km lang aquaduct gebouwd, dat o.a. over de vallei van de rivier de Gard loopt. Dit aquaduct en vooral de overbrugging van de Gard (Pont du Gard) oogsten bij alle reizigers grote bewondering als bijzonder knappe staaltjes van Romeinse ingenieurskunst en architectuur.
De rest van Gallia, dus al het door Julius Caesar veroverde gebied, is onderverdeeld in drie grote keizerlijke provincies: Aquitania, Gallia Lugdunensis en Belgica. Te zamen heten ze wel de 'Drie Galliën'.
| 2.3.2 Aquitania |
Aquitania, begrensd door de Pyreneeën in het zuiden, de Loire in het noorden en de Cevennen in het oosten, heeft een hoofdzakelijk Iberische bevolking. Een aparte stam is die der Basken in de Pyreneeën. Hoofdstad van Aquitania is Burdigala (Bordeaux), een drukke Atlantische haven. Daarnaast zijn Limonum (Limoges), Avaricum (Bourges) en Augustonemetum (Clermont-Ferrand) al rijke steden.
| 2.3.3 Gallia Lugdunensis |
Gallia Lugdunensis, tussen de Loire en de Seine, is genoemd naar de hoofdstad Lugdunum (Lyon). Sinds 43 v.C. een Romeinse kolonie, heeft Lyon zich snel ontwikkeld tot de grootste stad van de 'Drie Galliën' (ca. 200 000 inw.). Gelegen aan de samenvloeiing van de Rhône en de Saône, is de stad bovendien het middelpunt van een net van grote heirwegen, door Agrippa aangelegd. Zij is niet alleen een belangrijk handelscentrum, maar ook een echte industriestad (ijzer, glas, aardewerk) Er is een paleis, waar keizer Claudius is geboren (in 10 v.C.), en een beroemd altaar van Augustus. In het centrale deel van Lugdunensis vindt met o.a. de steden Augustodunum (Autun), Cenabum (Orléans) en Lutetia (Parijs), de kleine stad van de stam der Parisii aan de oever van de Seine. De meeste van die steden zijn ontstaan doordat de bewoners van oude hooggelegen Keltische nederzettingen, vertrouwend op de 'Pax Romana' (de Romeinse vrede), naar lager gelegen steden en naar de dalen zijn verhuisd.
| 2.3.4 Belgica |
De derde provincie van de 'Drie Galliën', Belgica, is bijna geheel landbouwgebied, met tal van verspreide grote villa's en hier en daar, op de kruispunten van de nieuw aangelegde wegen, grotere of kleinere bevolkingscentra. De provincie omvat het gebied ten noorden van de Seine, van de zeekust tot en met het Moezeldal. Hoofdstad is Durocortorum (Reims). Augusta Trevirorum (Trier) aan de Moezel is in 15 v.C. door Augustus zelf gesticht tijdens zijn verblijf in Gallia. Sinds 17 n.C. behoort tot Belgica, althans in fiscaal opzicht, ook heel het Rijndal, dat verdeeld is in twee militaire districten of subprovincies: Germania Inferior (Neder-Germanië), omvattend het gebied langs de benedenloop van de Rijn, met als hoofdkwartier Castra Vetera (bij Xanten), en Germania Superior (Opper-Germanië), dit is al het gebied aan de bovenloop van de Rijn, met als hoofdkwartier Moguntiacum (Mainz). Zo reikt Belgica in het zuiden tot ver in de Zwitserse Alpen, waar het grenst aan Italië (Gallia Cisalpina).
| 2.4 Spanje |
Het Iberisch schiereiland is na Sicilië en Sardinië-Corsica het oudste wingewest van Rome. De verovering ervan begon tijdens de Tweede Punische Oorlog (281-201 v.C.). In 197 v.C. werd Spanje verdeeld in twee provincies: Hispania Citerior in het noorden en Hispania Ulterior in het zuiden. Augustus heeft na de onderwerping van de Asturiërs en de Cantabriërs (25-19 v.C.) een nieuwe indeling van het hele schiereiland in drie provincies doorgevoerd: Hispania Tarraconensis (geheel het noorden en oosten), met de hoofdstad Tarraco (Tarragona), Hispania Baetica (in het zuiden), met de hoofdstad Corduba (Córdoba), en Lusitania (het zuidwesten), met de hoofdstad Emerita Augusta (Mérida). De snel voortschrijdende romanisering komt ook hier, zoals overal elders, tot uiting in de bouw van nieuwe en de expansie van bestaande steden. Gades (Cádiz) en Mérida zijn de volkrijkste steden. Mérida, gesticht door Augustus als een kolonie voor de veteranen van het vijfde en tiende legioen, telt nu al meer dan 100 000 inwoners. Cádiz, gelegen net buiten de Zuilen van Hercules (Gibraltar) aan de Atlantische Oceaan, is een zeer oude, door Feniciërs gestichte haven- en handelsstad. Qua inwonertal behoort het tot de grootste steden van het rijk (ca. half miljoen inwoners). Het is een stapelplaats voor producten uit het binnenland, aangevoerd over de Baetis (Guadalquivir), en het beheerst de handelsroutes over de Atlantische Oceaan naar Gallia, Britannia en West-Afrika. Rome betrekt zijn zwarte slaven en slavinnen vooral via deze havenstad. Cádiz is een stad met tal van louche, maar ook chique restaurants, waar de maaltijden opgeluisterd worden door opwindende sensuele dansen van de zgn. 'puellae gaditanae' (meisjes van Gades), die ook in Rome zeer in de mode zijn. Córdoba, de geboorteplaats van Lucanus en de beide Seneca's (vader en zoon), is bekend om zijn retorenscholen. Voor de economie van het Romeinse Rijk is Spanje van onschatbare betekenis, vooral door zijn rijkdom aan mineralen (goud, zilver, koper, tin, ijzer en lood), die met name in de mijnen van Asturië en Cantabrië door dikwijls onmenselijk zware arbeid van gevangenen en slaven gedolven worden. Onder keizer Vespasianus heeft Spanje Latijns burgerrecht gekregen. Het bestuur van de Spaanse steden is nu overal ingericht naar het model van de steden van Italië.
| 2.5 Britannia |
Toen Caesar in 55 en 54 v.C. zijn verkenningstochten over Het Kanaal maakte, wist men in Rome vrijwel niets over de Britse eilanden, ofschoon de Griekse ontdekkingsreiziger Pytheas uit Marseille in de 4de eeuw v.C. al om Britannia heen gevaren was. Zijn reisverhaal is echter nooit au sérieux genomen. De beide tochten van Caesar waren geen groot succes en het zou bijna honderd jaar duren voordat keizer Claudius het ogenblik gekomen achtte Britannia te onderwerpen. In het jaar 43 stak een leger van 50 000 man Het Kanaal over. Het versloeg koning Caratacus en bezette in tegenwoordigheid van Claudius zelf diens hoofdstad Camulodunum (Colchester). Deze stad werd residentie van de Romeinse stadhouder van de provincie Britannia. Caratacus vluchtte, maar werd in 51 definitief verslagen.
In later jaren is het gebied van de provincie geleidelijk uitgebreid naar het oosten, waar o.m. Aquae Sulis (Bath) wordt gesticht, en naar het noorden, waar in de jaren 72–74 door de stadhouder Cerialis de vlakte tussen de Humber en de Tyne wordt bezet. Hij kan gelden als de stichter van Eburacum (York), waar sindsdien het militaire hoofdkwartier van Britannia is gevestigd. Zijn opvolger Gnaeus Julius Agricola heeft in de jaren 77–84 het Romeinse gezag uitgebreid over Wales en tot ver in Schotland, wil ook oversteken naar Ierland, maar wordt in 84 door keizer Domitianus naar Rome teruggeroepen. Agricola – de schoonvader van Tacitus, die een prachtige biografie aan hem wijdde – heeft door zijn persoonlijk optreden er veel toe bijgedragen dat de Romeinse levensstijl op het Britse eiland ingang heeft gevonden. Het gebruik van het Latijn is geleidelijk toegenomen en er verrijzen diverse steden naar Romeins model met fora, basilica's, thermen en huizen met muren van baksteen en daken met dakpannen. Vooral Londinium (Londen) aan de Theems groeit snel en schijnt de hoofdstad Colchester voorbij te streven. De steden worden bestuurd door inheemse magistraten (zoals ook in Gallië en elders) en er is – op het eind van deze eeuw – geen sprake meer van openlijke vijandigheid tussen de oorspronkelijke bewoners en de bezetters. Maar bij vele veteranen die zich hier gevestigd hebben, leeft nog als een soort trauma de herinnering aan de gebeurtenissen van 61, toen tijdens een opstand onder leiding van de diep gekrenkte koningin-weduwe Boudicca van de stam der Iceni het garnizoen van Camulodunum werd overweldigd en elke Romein in Verulamium (Saint Albans) en Londinium werd vermoord; alle drie de steden werden platgebrand en zeker 70 000 Romeinen en geromaniseerde inwoners van die steden verloren daarbij het leven.
| 2.6 De Donaulanden |
Aan de zuidzijde van de Donau, voor zover men weet de langste rivier ter wereld, ligt een reeks grensprovincies die sinds het principaat van Augustus in het rijk zijn ingelijfd. Het zijn, vanaf de bronnen van de Donau tot haar monding in de Zwarte Zee, achtereenvolgens: Raetië, Noricum, Pannonië, Dalmatië, Moesië en Thracië.
| 2.6.1 Raetië en Noricum |
Grenzend in het westen aan de provincies Gallia Narbonensis en Germania Superior, en in het zuiden aan Italië, omvat de provincie Raetië de centrale en oostelijke Alpen (Graubünden en Tirol), alsmede het territorium van de Keltische stam der Vindelici tussen Rijn en Boven-Donau (Zuid-Beieren). Dit gebied is in 15 v.C. door de broers Drusus en Tiberius, stiefzonen van keizer Augustus, onderworpen en tot een aparte provincie gemaakt. De Romeinse stadhouder resideert in de nieuwgestichte kolonie aan de Lech, Augusta Vindelicorum (Augsburg), dat zich al spoedig ontwikkeld heeft tot een belangrijke handelsstad. Noricum (Oostenrijk ten zuiden van de Donau, zonder Tirol), het land van de Keltische Taurisci, heeft al lang voordat het, evenals Raetia, in 15 v.C. werd ingelijfd, handelsbetrekkingen onderhouden met Rome, die gewoonlijk liepen via Aquileia. Aan de straatweg die van Augsburg langs de rivier loopt, vindt men verscheidene stadjes, o.a. Lentia (Linz) en Lauriacum (Lorch). Iets zuidelijker ligt in een weids, vruchtbaar dal Juvavum (Salzburg). Hoofdstad is Virunum (Sankt Veit an der Glan) aan de rivier de Drau, ten zuiden van de oude koningsresidentie Noreia (Neumarkt) in Stiermarken.
| 2.6.2 Pannonië en Dalmatië |
Pannonië (de Hongaarse laagvlakte tussen de Oostenrijkse Alpen en de Donau, in het zuiden begrensd door de Sava) is een ruig land met een ruig volk, dat in 9 n.C. door Tiberius definitief werd gepacificeerd en tot Romeinse provincie gemaakt. Het werd daarbij losgemaakt van Illyricum (Joegoslavië), dat sindsdien Dalmatië heet. Aan de Donaugrens in Pannonië zijn militaire steunpunten, waaronder kastelen, aangelegd en kolonies en steden gesticht, waarvan de voornaamste zijn: Vindobona (Wenen), Carnuntum (Deutsch Altenburg) en Aquincum (Boedapest). Aan de zuidgrens van Pannonië, dus aan de rivier de Sava, liggen Emona (Ljubljana) en Sirmium (Sremska Mitrovica). Sirmium, gelegen op een knooppunt van wegen, is de voornaamste stad van Pannonië. In Dalmatië zijn de belangrijkste steden Salonae (Solin bij Split) en Scodra (Shkodër).
| 2.6.3 Moesië |
Moesië omvat sinds 44 n.C. het zuidelijk Donaugebied vanaf de oostgrens van Pannonië tot aan de Zwarte Zee. Keizer Domitianus heeft er twee provincies van gemaakt: Moesia Superior (Servië) en Moesia Inferior (Bulgarije). Vrijwel alle steden hier zijn uit Romeinse legerplaatsen gegroeid: Singidunum (Belgrado) aan de Donau, Sardica (Sofia) in het binnenland en, aan de Zwarte Zee, Odessus (Varna) en Tomi (Constanţa), de verste uithoek van het rijk, waar Ovidius, verbannen door Augustus, in treurnis onder nog geenszins geromaniseerde barbaren zijn dagen sleet.
| 2.6.4 Thracië |
Thracië, het gebied tussen Noordoost-Griekenland en Moesië tot aan de Bosporus (waar de welvarende stad Byzantium gelegen is), is pas in het jaar 46 door keizer Claudius als Romeinse provincie definitief ingelijfd. Daarmee werd de ring gesloten waarmee het Romeinse Rijk het gehele Middellandse-Zeegebied omvat houdt.
| 2.7 Griekenland |
Tweehonderdvijftig jaar is het geleden dat – in 146 v.C. (hetzelfde jaar waarin ook Carthago verwoest werd) – Korinthe door de Romeinen met de grond gelijk gemaakt werd en Griekenland, met zijn roemrijke verleden, ingelijfd werd bij het wingewest Macedonië en volledig onder Romeinse heerschappij kwam. Griekenland geniet binnen het rijk een speciale status: er zijn geen garnizoenen; er wordt minder belasting geëist; de stadstaten hebben zelfbestuur volgens hun eigen traditie en sommige ervan (Athene, Sparta, Delphi) zijn geheel 'vrije steden'. Maar het land is arm, veel van zijn kunstschatten zijn geroofd en tal van begaafde inwoners zoeken hun geluk elders, uiteraard vooral in Rome. Deze braindrain heeft weliswaar het moederland van de hellenistische cultuur van veel elan beroofd, maar ook die cultuur verspreid naar het westen.
Veel beroemde steden uit Griekenlands grote tijd zijn niet meer dan onbetekenende dorpen, Thebe, de vroegere hoofdstad van Boeotië bijvoorbeeld, en Chaeronea in hetzelfde district, ofschoon dit plaatsje de laatste tijd weer veel in het nieuws is door de beroemde schrijver en filosoof Plutarchus, die hier woont. In het noorden profiteert Thessalonica, hoofdstad van Macedonië, van zijn ligging aan de grote verkeersader de Via Egnatia én van zijn voortreffelijke haven. In Epirus heeft Augustus bij Actium de stad Nicopolis ('overwinningsstad') doen verrijzen. Hier heeft de filosoof Epictetus zich gevestigd na de verdrijving van de filosofen uit Rome door Domitianus in 89. In Achaea heeft Korinthe zich weer ontwikkeld tot de grootste en rijkste stad van Griekenland. Het benadert weer het inwonertal (300 000) uit zijn bloeitijd. Met zijn zeer heterogene bevolking (Grieken, Romeinen, Syriërs, Joden, Egyptenaren) is Korinthe het commerciële centrum van het land; daarnaast ook een centrum van prostitutie, met de bekende tempel van Aphrodite, die vele honderden hiërodulen (tempelprostituées) telt. Voor het overige, kan men zeggen, moet Griekenland het hebben van het toerisme en de studenten. In de eerste plaats geldt dit voor Athene, de universiteitsstad bij uitstek en nog steeds het belangrijkste centrum van wijsbegeerte, met een aantal door de staat gesalarieerde professoren en ontelbare particuliere docenten. Voor jonge Romeinen uit de voorname families is het eenvoudig een 'must', een tijdlang in Athene geestelijke en kunstzinnige vorming op te doen. De waarschuwingen van de oude Cato tegen de Griekse nieuwlichterij en het filhellenisme zijn duidelijk vergeefs geweest. Eleusis, in de nabijheid van Athene, trekt met de viering van de Eleusinische mysteriën jaarlijks duizenden toeristen. Epidaurus in Argolis, met zijn Asclepiustempel, zijn concertzaal (odeion) en zijn groots theater (12 000 zitplaatsen), is een wereldberoemd kuuroord. En eens in de vier jaar is Olympia met zijn Olympische Spelen de grote trekpleister, al zijn er daartussendoor steeds wel bezoekers die het Zeusbeeld van Phidias, een der ‘zeven wereldwonderen’, willen zien.
| 2.8 Klein-Azië |
Dit land is verdeeld in de provincies Asia, Pontus en Bithynië, Galatië, Cappadocië, Lycië-Pamphylië en Cilicië.
| 2.8.1 Asia |
De provincie Asia is ontstaan uit het door koning Attalus III in 133 v.C. bij testament aan de Romeinen vermaakte koninkrijk Pergamum. Zij omvat sinds 27 v.C. de drie oude cultuurgebieden aan de kust: Mysië, Lydië en Carië, het bergachtige Phrygië in het binnenland, alsmede enige eilanden, waaronder Rhodos. Zij gaat er prat op de stedenrijkste provincie te zijn van het hele rijk. De grootste stad, tevens zetel van de proconsul en zijn staf, is Efeze. Met zijn 225 000 inwoners komt Efeze op de derde plaats onder de steden van het oosten (na Alexandrië en Antiochië). Deze bloeiende handelsstad met haar drukke haven heeft kilometerslange overdekte zuilengalerijen en een van de grootste theaters van het oosten (24 000 zitplaatsen). Maar het beroemdste bouwwerk (een der 'zeven wereldwonderen') is de enorme, met 128 zuilen omgeven tempel van Artemis, de godin die hier al bijna duizend jaar wordt vereerd als vruchtbaarheidsgodin en wier feest gedurende de hele maand mei uitbundig wordt gevierd. De tempel fungeert tevens als de voornaamste handels- en wisselbank van de stad. Dat commercie en religie in Efeze nauw samengaan, blijkt ook uit een, achteraf vermakelijk, incident dat plaatsgreep tijdens het verblijf van Paulus, de apostel van de christenen, in deze stad in de jaren 53–55. De evangelist Lucas beschrijft het in de 'Handelingen der Apostelen' (19:23–40):
'In die tijd werd de Weg [d.i. de christelijke leer] aanleiding tot een grote opschudding. Er was namelijk een zilversmid, een zekere Demetrius, die zilveren Artemistempeltjes maakte en daarmee de vaklui ruime verdiensten verschafte. Hij riep deze mannen en al wie verder in dat bedrijf werkzaam waren, bijeen en zei: 'Mannen, jullie weten dat we aan dit bedrijf onze welstand te danken hebben, maar jullie zien en horen, hoe deze Paulus niet alleen in Efeze, maar in bijna heel Asia veel mensen door zijn redeneren er afkerig van maakt. Want hij beweert: 'Goden die door mensenhanden worden gemaakt, zijn geen goden'. We lopen dus gevaar, dat niet alleen ons bedrijf in diskrediet komt, maar dat ook de tempel van Artemis, de grote godin, alle achting verliest en dat zij die door heel Asia, ja door heel de wereld vereerd wordt, van haar grootheid wordt beroofd.' Toen ze dit hoorden, werden ze woedend en schreeuwden: “Groot is de Artemis van de Efeziërs!' Heel de stad kwam in beroering en ze stormden als één man naar het theater [daar worden nl. de volksvergaderingen gehouden], waarbij ze Cajus en Aristarchus, reisgenoten van Paulus uit Macedonië, meesleurden.'
De vergadering verliep, zo vertelt Lucas verder, in volslagen wanorde. Ten slotte slaagde de stadssecretaris erin de opgewonden menigte tot bedaren te brengen en de volksvergadering te ontbinden.
Een andere grote stad, formeel de hoofdstad van Asia, is Pergamum, de vroegere residentie van de Attalidische vorsten. Zij is gebouwd op verscheidene terrassen, oplopend tegen een steile berghelling. De Attaliden hebben destijds een uitgebreide kunstverzameling aangelegd, voornamelijk afkomstig uit Griekenland. Pronkstuk van de stad is het grote Zeusaltaar, waarvan het voetstuk is versierd met een reusachtige fries. In Pergamum is ook de eerste tempel gebouwd ter ere van Roma en Augustus. De steden van Asia, altijd sterk Romeins gezind, deden reeds in 29 v.C. aan Octavianus (toen nog geen Augustus) het voorstel een tempel voor zijn eredienst te bouwen in Pergamum. Religieuze verering van vorsten is immers niet iets abnormaals in het oosten. Octavianus wilde dit aanbod alleen aanvaarden op voorwaarde dat de godin Roma in deze eredienst zou delen. Pergamums voorbeeld is naderhand overal nagevolgd en in vrijwel elke provincie is er nu wel een tempel of altaar van Roma en Augustus met een eigen hogepriester en een speciale cultus.
Tussen Efeze en Pergamum ligt nog een derde grote stad, Smyrna (Izmir), naar men aldaar beweert de geboorteplaats van Homerus. Zij beleeft in deze jaren een aanzienlijke opbloei. Dat geldt ook voor de meeste andere, kleinere steden in deze kuststreek (het oude Ionië), met beroemde namen als Magnesia (met wellicht de schoonste tempel van Asia, een schepping van de architect Hermogenes), Priene en vooral Milete, de bakermat van de Griekse filosofie en wetenschap en in de 7de 6de eeuw v.C., met geleerden als Thales en Hecataeus, het belangrijkste culturele centrum van de Griekse wereld. Verder naar het zuiden komen we in Halicarnassus, de geboorteplaats van Herodotus, veel bezocht om het 50 m hoge grafmonument van Mausolus, het mausoleum, dat tot de 'zeven wereldwonderen' wordt gerekend. Het eiland Rhodos tegenover de zuidpunt van Klein-Azië trekt nog altijd leergierige Romeinen die, zoals Cicero en Caesar, de filosofenschool daar bezoeken, en verder toeristen die niet alleen het wereldwonder, de bij een aardbeving omgevallen Colossus, maar ook het prachtige eiland zelf komen bekijken.
Wanneer men alles overziet, kan men vaststellen dat de provincie Asia – evenals, zij het in iets mindere mate, de overige provincies van Klein-Azië – zich in deze eeuw voorspoedig heeft kunnen ontwikkelen, vooral dankzij de afwezigheid van oorlogen en revolutionaire bewegingen. Toch is er wel iets opmerkelijks te melden. Sinds het midden van de eeuw is hier het aantal aanhangers van de nieuwe godsdienst der christenen, die afkomstig is uit Judea en Antiochië en nauw verwant is aan de godsdienstn van de joden, aanzienlijk toegenomen. De christenen zijn op het eind van deze eeuw in Asia sterker vertegenwoordigd dan in welke andere provincie van het rijk ook. In Rome zijn onder de regering van Nero allerlei zware beschuldigingen tegen hen ingebracht; zij zijn daar na de brand van het jaar 64 hevig vervolgd en velen van hen zijn er omgebracht. Hier in Asia kunnen de christenen ongestoord leven en is men hun over het algemeen niet slecht gezind. Evenals de joden die hier wonen, nemen zij deel aan het gewone leven, dat doortrokken is van de Griekse zeden en cultuur. Maar wel verzetten zij zich principieel tegen de vergoddelijking van de keizer, die juist hier, met name in Pergamum, begonnen is. Op het eind van deze eeuw, nu keizer Domitianus weer zoveel nadruk legt op zijn goddelijke titels, circuleert er onder de christenen hier in Asia een wonderlijk geschrift, vol visioenen en voorspellingen, waarin o.a. hevig gefulmineerd wordt tegen de keizercultus. Het zou geschreven zijn door een leerling van Jezus van Nazaret, genaamd Johannes, die een tijdlang op het eiland Patmos verbannen is geweest. Er staan in dit boek, Apocalyps of Openbaring van Johannes geheten, zeven brieven aan zeven christengemeenten van Asia, nl. die van Efeze, Smyrna, Pergamum, Thyatira, Sardes (de oude hoofdstad van Lydië), Philadelphia en Laodicea. Als Johannes in de brief aan de christenen van Pergamum schrijft: 'Ik weet waar gij woont: daar waar de troon van de Satan staat', dan is er niemand in Asia die niet begrijpt waar dat op slaat, nl. op de tempel van Roma en Augustus, de oudste plaats van de keizercultus.
| 2.8.2 Pontus en Bithynië |
Pontus en Bithynië, in het noorden van Klein-Azië aan de Propontis (Zee van Marmara) en de Zwarte Zee, zijn in 63 v.C. samengevoegd tot één provincie onder een proconsul. De belangrijkste twee steden, beide gelegen in Bithynia, zijn Nicomedia en Nicaea. Nicomedia (Izmit) aan de Propontis, gesticht in 264 v.C., is de hoofdstad. Hier heeft destijds Hannibal door gif in te nemen een eind aan zijn leven gemaakt. Nicaea (Iznik), iets zuidelijker aan het Ascaniameer, is gesticht in 316 v.C. Beide steden tonen grote bouwactiviteit. Trouwens, de hele provincie met haar vele steden aan de Zwarte Zee (o.a. Amastris, Sinope, Amisus) heeft zich in deze eeuw goed hersteld van de verwoestende oorlogen, door de Pontische koning Mithridates VI met grote verbetenheid gevoerd tegen de Romeinen.
| 2.8.3 Galatië |
Galatië, het middengedeelte van Klein-Azië, is in 25 v.C. als provincie gevormd. De provincie omvat in hoofdzaak het gebied dat op het eind van de derde eeuw v.C. door een aantal Keltische of Gallische stammen (door de Grieken Galaten genoemd) is bezet, nadat zij over de Hellespont (Dardanellen) Klein-Azië waren binnengedrongen. Zij spreken Grieks, maar hun volksaard en hun gebruiken wijken nog altijd af van die der omringende volken. Hoofdstad van de provincie is Ancyra (Ankara). De bewoners van deze stad hebben in navolging van Pergamum een prachtige tempel ter ere van Roma en Augustus gebouwd. Op de muren daarvan staat de volledige tekst (in het Grieks en Latijn) van de 'Res gestae', het politieke testament van keizer Augustus.
| 2.8.4 Cappadocië |
Cappadocië, bergachtig en grotendeels hooggelegen, is pas in 17 n.C. door keizer Tiberius als provincie bij het rijk ingelijfd. Hoofdstad werd de oude koningsresidentie Mazaca, die van Tiberius de gunst ontving zich Caesarea (Kayseri) te mogen noemen, een eer die zij overigens met vele andere steden moet delen. Een tweede stad van betekenis is Tyana, gelegen op een heuvel nabij de bergpassen naar Cilicië.
| 2.8.5 Lycië-Pamphylië |
De provincie Lycië-Pamphylië, in 43 n.C. gevormd, telt een twintigtal steden, waaronder de havenstad Myra en Xanthos aan de gelijknamige rivier, een ongelukkige stad, waarvan de inwoners in 42 v.C. bij een belegering door troepen van Brutus en masse zelfmoord pleegden; zij werd verwoest, maar weer opgebouwd en toen door een zware aardbeving getroffen.
| 2.8.6 Cilicië |
Cilicië is van oudsher strategisch belangrijk vanwege de verbindingsweg, de zgn. Cilicische Poort door het Taurusgebergte, tussen Syrië en Klein-Azië. Samen met het achterland werd het hele gebied in het jaar 17 een Romeinse provincie. De zeeroverij, waar de Ciliciërs zich veel mee bezighielden, is in deze tijd nagenoeg bedwongen. Hoofdstad van de provincie is Tarsus, een flinke, volledig gehelleniseerde stad met een goede haven. Zij is bekend om haar uitstekende onderwijsinstellingen en haar aanhankelijkheid aan Julius Caesar. Er is een vrij omvangrijke joodse gemeenschap, waartoe Paulus, die hier in 10 n.C. geboren is, behoorde, voordat hij naar Jeruzalem vertrok.
| 2.9 Syrië |
Dit land, in het verleden altijd een toneel van strijd tussen de wereldmachten Egypte en Mesopotamië, kan zich al anderhalve eeuw verheugen in een periode van rust, die begon toen Pompejus in 63 v.C. het hellenistische koninkrijk der Seleuciden samen met de kuststrook Fenicië tot een Romeinse provincie maakte. Geen enkele andere provincie is er die een grotere welvaart en een hogere levensstandaard heeft dan Syrië. Met de hun aangeboren handels- en ondernemingsgeest, waarschijnlijk geërfd van de oude Feniciërs, beheersen de Syriërs niet alleen de buitenlandse handel met het oosten (Mesopotamië, India, China), maar hebben zij zich ook een dominerende positie veroverd in het handelsverkeer binnen de grenzen van het rijk. Daarnaast zijn de Syriërs uitstekende handwerkslieden. Veel slaven zijn er niet; de meeste arbeiders en ambachtslieden zijn vrije mannen. Het leven en de cultuur in deze provincie vertonen een tweeledig beeld: half Grieks, half oosters. De hogere klassen zijn gehelleniseerd en spreken Grieks, de lagere spreken voornamelijk Aramees en volgen een oosterse manier van leven.
Ook deze provincie kenmerkt zich door een uitgesproken stadscultuur. Er zijn wel vijftig steden, van verschillende omvang, maar alle met uitstekende voorzieningen: geplaveide straten (dikwijls met zuilengangen), waterleiding, riolen, marktplaatsen, openbare badinrichtingen, scholen en gymnastiekzalen, tempels, basilica's en –- dat is merkwaardig – vaak ook schilderijenverzamelingen.
| 2.9.1 Antiochië |
Verreweg de grootste stad is de hoofdstad Antiochië (Antakya), gesticht ca. 300 v.C. door Seleucus I en genoemd naar diens vader Antiochus. Met haar 600 000 inwoners is zij de derde stad van het rijk (na Rome en Alexandrië). Zij is schilderachtig gelegen op de linkeroever van de Orontes, gedeeltelijk tegen een berghelling. Evenwijdig aan de rivier loopt de 6 km lange hoofdstraat, die aan beide kanten voorzien is van overdekte zuilengaanderijen. 's Nachts zijn de voornaamste kruispunten verlicht. Antiochië is een stad met veel vertier en een druk uitgaansleven. De stad is vooral bestuurs- en zakencentrum, op wetenschappelijk gebied heeft zij niet veel te betekenen en kan zij niet in de schaduw staan van Alexandrië. Wel tonen de Antiocheners altijd veel belangstelling voor vreemde religies en allerlei vormen van magie. In Antiochië, dat veel joden onder zijn inwoners telt, heeft zich ook heel spoedig na de dood van Jezus van Nazaret een gemeente van diens aanhangers gevormd, die hier voor het eerst met de naam 'christenen' (christianoi) zijn aangeduid. Doordat zich ook niet-joden, vooral Grieken, bij hen aansloten, werd hier de kwestie acuut of de Wet van Mozes, met name het gebod van de besnijdenis, voor deze zgn. heiden-christenen moest gelden. Fervente tegenstanders van het opleggen van dergelijke verplichtingen aan de Griekse christenen waren vooral Paulus en diens medewerker Barnabas, die Antiochië hadden gekozen als thuisbasis voor hun missionaire werkzaamheden. In het jaar 45 werd een delegatie uit Antiochië, met Paulus en Bamabas aan het hoofd, naar Jeruzalem gezonden om de zaak voor te leggen aan de apostelen en oudsten van de gemeente aldaar. De besluiten die door de vergadering onder leiding van Petrus en Jakobus werden genomen, vielen uit ten gunste van het standpunt van Paulus en Barnabas. Sindsdien heeft de christengemeente te Antiochië zich ontwikkeld tot een voorpost voor de verbreiding van het christendom in geheel het oosten van het rijk.
| 2.9.2 Andere steden in Syrië |
Als men de Orontes stroomafwaarts volgt, komt men na 20 km in de Middellandse-Zeehaven Seleucia in Pieria, die ook dient als Romeinse vlootbasis. Gaande daarvandaan langs de kust naar het zuiden, ontmoet men de ene stad na de andere, o.a. het Syrische Laodicea of Laodicea ad Mare (Latakia) en Tripolis (Tripoli), oorspronkelijk een Fenicische kolonie. Nog zuidelijker volgen de oude Fenicische steden zelf. Byblos, vanouds beroemd als middelpunt van de handel in papyrus, maar thans enigszins in verval, Berytus (Beiroet), door Augustus tot een Romeinse kolonie gemaakt en nog steeds in aanzien door zijn scholen voor geneeskunde en rechtsgeleerdheid, Sidon (Saida), met zijn belangrijke glasproductie, en Tyrus, de stad die o.a. Carthago heeft gesticht en terug kan zien op een duizendjarige, bewogen geschiedenis. In het binnenland, aan de andere kant van het Libanongebergte, ligt Damascus, een van de oudste steden van de wereld en een middelpunt van karavaanwegen. Van hier weer naar het noorden reizende, vindt men in een oase de Romeinse kolonie Heliopolis (Baalbek), door Augustus gesticht, en vervolgens bij de bronnen van de Orontes Emesa (Homs) met zijn befaamde zonnetempel. Van Emesa leidt een weg oostwaarts naar het onafhankelijke Palmyra en verder naar de Macedonische kolonie Doura-Europos aan de Eufraat. Niet ver van Antiochië liggen nog twee steden van betekenis: Apamea aan de Orontes en Beroia (Aleppo, Haleb).
| 2.10 Judea |
Sinds 63 v.C. behoort Judea – dit is: het joodse (land) – bij het Romeinse Rijk. De verovering ervan was de afsluiting van Pompejus' campagne in het oosten, die het rijk een groot aantal nieuwe provincies en vazalstaten opleverde. De hoofdstad Jeruzalem viel na een beleg van drie maanden en Judea werd toen een vazalstaat, ondergeschikt aan de provincie Syrië.
| 2.10.1 Judea vóór de eerste eeuw n.C. |
De geschiedenis van het land lijkt wel een aaneenschakeling van rampen. De diepste grond daarvoor is dat de joden zich nimmer hebben kunnen verzoenen met de hun opgedrongen vergrieksing van hun milieu en levensomstandigheden, niet onder de Seleuciden (denk aan de opstand der Makkabeeën!) en niet onder de Romeinen. In dit opzicht nemen zij onder alle volken van het rijk een uitzonderingspositie in, die oorzaak is dat zij dikwijls met wantrouwen worden bejegend.
Nadat de laatste Makkabeeënkoning Antigonus in 40 v.C. met hulp van de Parthen in opstand was gekomen, stelden de Romeinen Herodes tot koning van Judea aan. Hij regeerde als een absoluut vorst, bekwaam en in grote stijl, maar zonder enige moraal en met niets ontziende wreedheid. Hij stichtte de havenstad Caesarea (genoemd naar Augustus) en trapte de joden op het hart door in Jeruzalem een theater en een amfitheater te bouwen en er Griekse beelden en heidense gedenktekenen te plaatsen. De grootse restauratie en herbouw van de tempel te Jeruzalem, op zijn bevel ondernomen, kon de haat van het volk niet doen omslaan in genegenheid. Hij stierf in 4 v.C., 69 jaar oud, door niemand betreurd.
| 2.10.2 Judea in de eerste eeuw n.C |
Het koninkrijk van Herodes werd verdeeld onder drie van zijn zonen: Herodes Antipas (Galilea en Perea), Filippus (de Decapolis en het noordwesten, met hoofdstad Caesarea Philippi) en Archelaus (Judea, Samaria en
Idumea). Deze Archelaus werd in 6 n.C. door Augustus afgezet. Zijn gebied wordt dan bestuurd door een procurator of prefect onder toezicht van de stadhouder van Syrië, als eerste Coponius, die opgevolgd wordt door Ambivius, Rufus, Gratus en, in 26 n.C., door Pontius Pilatus, onder wiens bewind Jezus van Nazaret tot de kruisdood is veroordeeld.
Nog eenmaal (van 41 – 44) komt geheel Palestina onder het bestuur van één vorst, Herodes Agrippa I, kleinzoon van Herodes de Grote. Hij is degene die de apostel Jakobus ter dood liet brengen. Na Agrippa's dood komt Judea als provincie onder direct Romeins bestuur. De revolutionaire geest blijft echter smeulen in het land. Onder de joden zelf bestrijden radicalen (zeloten) elkaar op leven en dood. Als de radicalen gewonnen hebben, is de opstand een feit (september 66), de dood van Nero (in 68) geeft de rebellen enig respijt, maar als Vespasianus keizer geworden is, trekt diens zoon Titus met zijn legioenen naar Jeruzalem om het te belegeren. Zes maanden van onbeschrijfelijke ellende eindigen met de verwoesting van de stad en de prachtige, door Herodes gebouwde tempel, die in vlammen opgaat. Honderdduizenden joden vinden de dood of worden als slaven verkocht. De laatste haard van verzet, de vesting Masada, valt op 15 april 73, bijna zonder overlevenden, in handen van de Romeinen.
Na deze oorlog kan men het land nauwelijks nog met recht 'Judea', het joodse land, noemen. De tempel te Jeruzalem mag niet herbouwd worden. De overgebleven joden hebben te Jamnia aan de kust een nieuw Sanhedrin gevormd, dat een groot, zij het uitsluitend geestelijk gezag heeft gekregen. Het aantal joden buiten Palestina (de diaspora) is door deze gebeurtenissen aanzienlijk toegenomen.
| 2.11 Egypte |
Egypte wordt niet beschouwd als een provincie in eigenlijke zin. Het land werd na de zelfmoord van Cleopatra, Egyptes laatste ptolemeïsche koningin, door Augustus bij het rijk gevoegd. Egypte geldt als het particuliere eigendom van de keizer, die het door een prefect in de rang van proconsul laat besturen. Op zichzelf is dit een begrijpelijke zaak. Rome is voor zijn voedselvoorziening goeddeels afhankelijk van Egypte (de 'graanschuur van Rome') en de keizer heeft er alle belang bij dat de honderdduizenden in 's rijks hoofdstad niet in oproer komen wegens gebrek aan voedsel. Maar het gevolg is wel dat Egypte aan een meedogenloze exploitatie is onderworpen. De gehele landbouw wordt tot in details van bovenaf geregeld, van het zaaien tot het verdelen van de opbrengst. De kleine boeren en de landarbeiders op de grote landerijen van Romeinse en Alexandrijnse kapitalisten (slaven in de formele zin van het woord zijn er weinig in Egypte) leven voortdurend op de grens van het bestaansminimum. Ook handel en industrie zijn strikt aan banden gelegd.
| 2.11.1 De bevolking van Egypte |
De bevolking van Egypte bestaat uit een aantal scherp van elkaar te onderscheiden groepen. De grootste groep is natuurlijk die der inheemse Egyptenaren. Het zijn kleine boeren, handwerkslieden, arbeiders en lagere ambtenaren. Sinds de verovering van het land door Alexander de Grote zijn zij teruggedrongen uit alle belangrijke posities. Zij worden nu, onder de Romeinen, evenzeer uitgebuit als vroeger onder de Grieken, alleen wat deskundiger. Vervolgens is er de groep van de joden, die al vanaf de 5de eeuw v.C. talrijk zijn in Egypte. Naast deze twee groepen – maatschappelijk gezien meestal boven hen – staat de Griekse bevolking, die in drie eeuwen tijd haar stempel heeft gezet op de cultuur en de samenleving in Egypte, waar ook de voertaal het Grieks is. Aan de top ten slotte vindt men de weinig omvangrijke groep der Romeinse burgers, waartoe ook de veteranen behoren. Van een romanisering zoals men die in de westelijke provincies kent, is in Egypte geen sprake.
| 2.11.2 De Egyptische steden |
Dit alles weerspiegelt zich in het stedenpatroon van Egypte. Romeinse nederzettingen zoals in de andere delen van het rijk, d.w.z. kolonies of geromaniseerde steden, vindt men niet in Egypte. Aan de kust van de Rode Zee liggen een paar havenstadjes, o.a. Myos Hormos en Berenice, die van belang zijn voor de handel met Indië en Ceylon. Maar de oude residenties van de farao's, met hun indrukwekkende tempels, paleizen en grafmonumenten, zijn in verval geraakt of fungeren nog slechts als godsdienstige centra, soms enkel als bezienswaardigheden. Thebe, in Opper-Egypte, oudtijds zonder meer 'de Stad' genoemd, is niet veel meer dan een ruïnenveld, dat bovendien in 27 n.C. door een aardbeving is getroffen. Memphis, de oude hoofdstad in Neder-Egypte, is nog wel een religieus middelpunt waar priestersynoden worden gehouden, maar heeft geen enkele politieke of commerciële betekenis meer. Saïs, in de Nijldelta, hoofdstad van geheel Egypte tijdens de Saïtische dynastie (7de en 6de eeuw v.C.), is niet veel meer dan een puinhoop. Bubastis, in het oosten van de delta, was vroeger een vrolijk pelgrimsoord, waar jaarlijks duizenden naar toe stroomden om het feest van de godin Bubastis, dochter van Isis, te vieren, en ongeveer op de plek waar de Nijl zich splitst in zijn vele armen, is de oude zonnestad Ioenoe, die de Grieken Heliopolis hebben genoemd, grotendeels bedolven onder het woestijnzand.
| 2.11.3 Alexandrië |
Het Egypte van de farao's is definitief vergane glorie. Belangrijk zijn nu de drie autonome Griekse steden: Naucratis, Ptolemaïs en Alexandrië. Onder deze drie neemt Alexandrië onbetwist de eerste plaats in. De stad is in 331 v.C. door Alexander de Grote gesticht, telt ca. 800 000 inwoners (ongeveer 10% van de totale Egyptische bevolking) en is in grootte de tweede stad van het rijk, na Rome. De stad is aangelegd volgens een ontwerp van de stadsplanoloog Deinocrates van Rhodos met ruime, elkaar rechthoekig kruisende straten en is gelegen op een landtong tussen de Middellandse Zee en het Mareotismeer. De stad heeft de vorm van een parallellogram met een lengte van 6 en een breedte van 2 km. Voor de kust ligt het eiland Pharos met de vermaarde vuurtoren – een der 'zeven wereldwonderen!' – gebouwd ca. 280 v.C. Het eiland is door een dam van 1250 m met de stad verbonden. Aan beide zijden van de dam liggen de havens en werven. Alexandrië bestaat uit twee delen: het Brucheion in het noordoosten, met de koninklijke paleizen (nu administratiegebouwen van de Romeinse prefect), het mausoleum van Alexander de Grote, Gymnasium en Museion, en Rhakotis (de naam van het vroeger hier gelegen dorp) met de Akropolis en het Serapeion (tempel van Serapis). Aan de hoofdstraat, de Canopusstraat, 20 m breed, bijna geheel voorzien van zuilengangen en arcaden, vindt men de talloze ateliers en winkels met de meest uiteenlopende luxeartikelen, waaraan Alexandrië zijn faam van modecentrum dankt. Daarnaast is de stad ook een toeristencentrum met veel hotels, uitgangspunt voor bezoeken aan de piramiden en de tempels van Thebe. Maar zijn grootste roem ontleent Alexandrië aan zijn wetenschappelijke instituten. Het Museion is een groot complex van universiteitsgebouwen en onderzoeksinstituten, waaronder een bibliotheek met 700 000 boekrollen en woningen voor verdienstelijke geleerden. Hier heeft o.a. de wiskundige Euclides gewoond en gewerkt. Vooral de beoefening van de exacte vakken (mathematica, astronomie) en van de grammatica staat hier op een hoog peil, anders dan in Athene, waar men meer belangstelling heeft voor de filosofie. In het Serapeion is een tweede boekenverzameling aangelegd, die bij het beleg door Julius Caesar door brand werd vernield, maar daarna vervangen is door 200 000 boekrollen uit Pergamum, een schenking van Cleopatra.
Onder de bevolking van de stad vindt men mensen uit alle landen en volken van het rijk. De Egyptenaren, Grieken en joden hebben hun aparte wijken. In de joodse wijk, in het noordoosten van de stad, wonen meer joden bijeen dan waar ook ter wereld; men schat hun aantal op 300 000 en hun wijk beslaat bijna tweevijfde van de stad. Hier is in de loop van de tijd de Griekse vertaling van de joodse bijbel, de zgn. Septuaginta, ontstaan, want de gewone taal van de Alexandrijnse joden is het Grieks; deze vertaling wordt ook in andere joodse gemeenschappen van de diaspora (in Antiochië, Efeze, enz.) gebruikt. De joden in Alexandrië hebben een grote mate van autonomie. Zij leven van handel en industrie, maar het merendeel van hen is arm. Soms zijn er spanningen tussen joden en Grieken, zoals in het jaar 38, toen de Grieken met geweld in alle synagogen een beeld van keizer Caligula wilden plaatsen. Er werden afzonderlijke delegaties (van Grieken en joden) naar Rome gestuurd. De leider van de eerste joodse delegatie was de bekende joodse filosoof en theoloog Philo, die daarna een verslag van deze missie heeft gepubliceerd. Keizer Claudius heeft ten slotte de rechten van de Alexandrijnse joden volledig hersteld.
| 2.12 Noord-Afrika |
De noordkust van Afrika ten westen van Egypte wordt verdeeld in de provincies Cyrenaica, Africa Proconsularis, Mauretania Caesariensis en Mauretania Tingitana.
| 2.12.1 Cyrenaica |
Cyrenaica maakt sinds 74 v.C. deel uit van het Romeinse Rijk. Sinds 67 v.C. ressorteert het eiland Kreta onder deze provincie. De hoofdstad Cyrene, een Griekse kolonie uit de 7de eeuw en een Grieks cultuurcentrum van betekenis, heeft altijd veel relaties onderhouden met het Egyptische rijk. De stad, althans het oostelijk deel ervan, heeft nu een Romeins-hellenistisch aanzien. De streek waarin Cyrene ligt, noemt men wel Pentapolis (vijfstedenland). Die vijf steden zijn Cyrene zelf en zijn dochtersteden Berenice, Arsinoë, Ptolemaïs en Apollonia.
| 2.12.2 Africa Proconsularis |
De provincie Africa of Africa Proconsularis omvat het oude gebied van Carthago, uitgebreid met een deel van Numidië en het oostelijke kustgebied. Na de verwoesting van Carthago in 146 v.C. werd Utica hoofdstad van de nieuw geconstitueerde provincie. Caesar heeft Carthago echter weer laten opbouwen als Romeinse kolonie (Colonia Julia Carthago) en dit nieuwe Carthago heeft zich nu al ontwikkeld tot een van de grootste steden van het rijk met ca. 350 000 inwoners en tot een centrum van handel en onderwijs. De romanisering zet zich in deze provincie snel door en er worden veel nieuwe steden gesticht. Belangrijk zijn Thapsus, Hadrumetum (Sousse), Leptis Magna, Hippo Diarrhytus (Bizerte) en Hippo Regius. Het land is bijzonder vruchtbaar (olijven, graan) en voorziet samen met Egypte in Romes behoefte aan voedsel.
| 2.12.3 Mauretania Caesariensis |
Mauritanië en West-Numidië werden in 40 n.C. geannexeerd en door keizer Claudius verdeeld in twee provincies: Mauretania Caesariensis (Noordwest-Algerije), genoemd naar de hoofdstad Caesarea (Cherchel), dit is de vroegere Punische havenstad Iol, en Mauretania Tingitan (Marokko), met de hoofdstad Tingis (Tanger). Het is een vruchtbare en door de natuur gezegende streek.
| 2.13 Urbs Roma – Rome, de Stad |
Een van de eerste dingen waarmee een reiziger uit de provincie bij zijn bezoek aan de Stad wordt geconfronteerd, is de bijna angstaanjagende drukte in de straten en stegen van dit ruim één miljoen mensen tellende centrum van de wereld. Een krioelende mensenmassa van allerlei kleur en taal: Romeinen, Spanjaarden, Galliërs, Germanen, Grieken, Syriërs en slaven uit nog verder gelegen landen met bruine en zwarte huidskleur. De strenge, waardige Romeinse 'gravitas', die het oude, republikeinse Rome kenmerkte, krijgt in dit tot metropool van de wereld geworden Rome geen kans. De satirendichter Juvenalis geeft een impressie van hetgeen een wandelaar in het Rome van de tweede helft dezer eeuw heeft te verduren:
'Bij het lopen worden we tegengehouden door een deinende menigte voor ons, en door een dichte volksmassa die ons van achteren opduwt. De een duwt zijn elleboog in me, een ander een stang van een draagstoel; de een stompt met een balk, de ander met een wijnvat tegen mijn hoofd, mijn benen zitten onder de modder, grote voeten trappen mij aan alle kanten, een soldaat zet zijn bespijkerde laars midden op mijn tenen.'
Qua stadsaanleg is er een groot verschil tussen de rijkshoofdstad en de grote hellenistische steden in het oosten, zoals Pergamum, Efeze, Antiochië en Alexandrië, die volgens een vast plan overzichtelijk, met brede hoofdstraten en loodrecht kruisende zijstraten zijn gebouwd. Hier in Rome is het een wirwar van nauwe, bochtige straten en stegen, die nooit breder zijn dan 6,5 m en meestal nauwelijks een breedte van 3 m halen.
Een tweede indruk die zich, zeker bij een langer verblijf in de hoofdstad, opdringt, heeft betrekking op de niet aflatende herrie, veroorzaakt door het verkeer, de neringdoenden en de handelaars. Weliswaar geldt er overdag een verbod voor voertuigen op wielen – behalve dan voor de vrachtwagens van de aannemers – maar des te heviger wordt het geraas bij het invallen van de duisternis, als een onafgebroken stroom van transportkarren door de straatjes trekt. Het ergste is dat men zich ook in de woningen met hun open venstergaten niet aan dit lawaai kan onttrekken. Martialis, een andere satirendichter, afkomstig uit het kleine Bilbilis in Spanje, lucht zijn ergernis over deze schaduwzijde van het leven in de hoofdstad tegenover zijn vriend Sparsus op de volgende wijze:
‘Je wilt weten waarom ik zo vaak naar dat vervallen buitenhuis ga op het droge stukje grond dat ik in Nomentum bezit? Dat komt, Sparsus, omdat een normaal mens in de stad geen kans krijgt rustig na te denken en eens even tot zichzelf te komen. Het leven wordt je onmogelijk gemaakt, 's morgens door de schoolmeesters, 's nachts door de bakkers en de godganselijke dag door het gehamer van de ketellappers. Op de ene hoek van de straat laat de geldwisselaar die op klanten zit te wachten, zijn hele bezit aan neroniaanse denarii op zijn smerige tafel rinkelen; verderop zit een Spaanse goudsmid aan een stuk door met zo'n blinkend hamertje op zijn uitgesleten steen te kloppen; en voortdurend heb je daar die luidruchtige schare Bellona-vereerders, schipbreukelingen, helemaal in verband gewikkeld, die almaar hun verhalen kwijt willen, joodse kinderen die door hun moeder uit bedelen zijn gestuurd en de opdringerige verkopers van zwavelstokjes. Als de slaap over je begint te komen, dan blijken zijn vijanden eenvoudig niet te tellen.'
| 2.13.1 Veranderingen in het stadsbeeld |
De meeste bezoekers richten hun schreden het eerst naar het hart van de stad, het Forum Romanum, het burgerlijke, politieke en religieuze centrum van het rijk, gelegen tussen de Capitolinus- en Palatinusheuvels, niet ver van de Tiber. Het is al lang geen marktplein meer in de eigenlijke zin van het woord. De handelaars en kooplieden zijn verhuisd naar de naburige straten en de diverse marktpleinen aan de Tiber en elders: het Forum Holitorium (Groentemarkt), het Forum Boarium (Veemarkt), het Forum Piscatorium (Vismarkt), enz. Het Forum Romanum, doorsneden door de Via Sacra (Heilige weg), valt bij de eerste aanblik gewoonlijk wat tegen. De oppervlakte is niet groot. Het is een rechthoekig plein, ruim 200 m lang; aan de kant van de Capitolinus is de breedte ruim 60 m, aan de andere kant, bij de Palatinus, nog geen 40 m. Het is bijna helemaal volgebouwd met tempels, basilica's, standbeelden, erezuilen en allerlei andere monumenten, waardoor het geheel een rommelige indruk maakt. Tegelijk is het daardoor juist interessant als het steen geworden geschiedenisboek van Rome. De oude bakstenen bouw is in deze eeuw, sinds Augustus, grotendeels vervangen of opgesierd door marmer, maar er is nog veel van vroeger te herkennen. Om het oude Forum te ontlasten heeft Julius Caesar een nieuw forum laten aanleggen, aansluitend aan de Curia Julia. Augustus heeft, haaks op dit Forum Caesaris, er nog een aan toegevoegd: het Forum Augusti. Daartoe zijn grote delen van de krottenwijk, de Subura, gesloopt. Hetzelfde heeft Vespasianus gedaan met de volksbuurt Carinae, waar nu het naar hem genoemde Forum is. Tussen dit forum en dat van Augustus heeft in de laatste tijd keizer Nerva een lang en smal plein laten aanleggen, als een soort doorgang, het Forum Transitorium.
Het is trouwens in Rome één voortdurend bouwen en breken. In deze eeuw is het noordwestelijk deel, het Marsveld (Campus Martius), vroeger exercitie- en sportterrein, tot aan de Tiber toe praktisch helemaal volgebouwd met huizen en monumenten. Keizer Augustus heeft hier, aan de Via Flaminia, het Vredesaltaar (Ara Pacis) opgericht; 400 m noordelijker staat het voor hem gebouwde Mausoleum. Nero heeft vlak bij het Pantheon (gebouwd 25 v.C.) en de thermen van Agrippa (gebouwd 19 v.C., de eerste thermen van het rijk, oervoorbeeld van alle latere) een nieuw thermencomplex laten bouwen. En daar weer naast (Piazza Navona) is het circus van Domitianus verrezen. Ook aan de overkant van de Tiber, op de Ager Vaticanus, bevindt zich een circus, gebouwd door Caligula, maar genoemd naar Nero, die hier als wagenrenner is opgetreden: het Circus Neronianus. Hier zijn na de grote brand van Rome de eerste christenslachtoffers gevallen.
Maar de grootste bouwwerken zijn toch tot stand gekomen op en nabij de Palatijnse heuvel. Keizer Augustus woonde hier nog vrij eenvoudig in zijn Domus Augustana. Tiberius pakte het al wat royaler aan met zijn Domus Tiberiana, maar Nero ging ten slotte alle perken te buiten. Zijn Gouden Huis (Domus Aurea), waaraan na de grote brand van 64 is begonnen, sloeg alle records wat betreft luxe en afmetingen. Het is dan ook nooit afgebouwd en het meeste ervan is gesloopt tijdens de bouw van het Amphitheatrum Flavium (Colosseum) en de thermen van Titus. Het kolossale, 36 m hoge standbeeld van Nero als zonnegod, geplaatst vóór de ingang van Nero's gouden paleis, heeft een metamorfose ondergaan en geldt nu uitsluitend als beeld van de zonnegod. Het Amphitheatrum Flavium, 47 m hoog, met een omtrek van 527 m en plaats biedend aan ca. 50 000 toeschouwers, is ongetwijfeld het indrukwekkendste bouwwerk van Rome. Het staat op de plaats van een grote vijver, behorend tot het complex van Nero's Domus Aurea, in het verlengde van het Forum Romanum. Tussen dit amfitheater en het Forum heeft Domitianus een triomfboog opgericht ter herinnering aan de overwinning van zijn broer Titus in Palestina. Deze boog is versierd met buitengewoon kunstig en zeer interessant beeldhouwwerk in reliëf.
Zo is Rome in deze eeuw uitgegroeid tot een openluchtmuseum van mooie, soms minder mooie, en dikwijls kolossale monumenten. De ontwerpers en architecten zijn in veel gevallen geïmmigreerde Griekse kunstenaars en hun producten vertonen ook duidelijk de Griekse stijl. Toch is er ook een eigen inbreng van Romeinse kunstenaars, geïnspireerd en gestimuleerd o.a. door de geniale veldheer en bouwheer Agrippa. In de beeldhouwkunst, vooral in de historische reliëfs op zuilen en triomfbogen, is dat de treffend realistische uitbeelding van gebeurtenissen en gelaatstrekken, in de bouwkunst het ruime gebruik van boog en gewelf in plaats van de klassiek-Griekse lijnrechte architraaf.
En de Romeinse bevolking? De Aventinus, de Caelius en de Palatinus zijn aristocratische wijken met prachtige woningen. De Esquilinus en de Viminalis omvatten uitgestrekte volksbuurten, m.n. de Subura en de Carinae. Velen hebben zich ook in de nieuwe wijk op het Marsveld gevestigd. En ten slotte ontwikkelt het gebied aan de overzijde van de Tiber, de 14de regio van Augustus, genaamd Trans Tiberim (Trastevere), zich tot een dichtbevolkt toevluchtsoord van niets bezittende arbeiders en vreemdelingen. Dit is ook de wijk waar het christendom zijn meeste aanhangers heeft.
| 2.13.2 Huisvesting en comfort |
In Rome wonen, goed beschouwd, te veel mensen op een te klein oppervlak. Men heeft er dan ook de woningen op elkaar gestapeld. Hoge flatgebouwen, schots en scheef neergezet, van elkaar gescheiden door nauwe straatjes, beheersen het stadsbeeld. Omdat ze geheel vrijstaan, noemt men ze 'eilanden' (insulae). Ze bevatten gewoonlijk vijf tot zeven verdiepingen en zijn verdeeld in appartementen (cenacula). De ruimte op de begane grond wordt meestal in beslag genomen door winkels, werkplaatsen, eet- en drinkgelegenheden. Zo'n insula wordt doorgaans door de eigenaar verpacht aan een hoofdhuurder (de cenacularius), die de appartementen weer onderverhuurt. Het toezicht wordt uitgeoefend door een conciërge, de insularis.
De insulae zijn over het algemeen weinig solide gebouwd; instortingen zijn niet zeldzaam. De voorgevel mag volgens een voorschrift van keizer Augustus niet hoger zijn dan 20 m. Maar er worden toch vaak middelen en wegen gevonden om de gebouwen hoger op te trekken, al is de wolkenkrabber van Felicula bij het Circus Flaminius wel een uitzondering en daarom ook een bezienswaardigheid.
Tegenover het grote aantal van deze huurkazernes, dat men kan schatten op 40 000, staat het betrekkelijk geringe aantal eengezinswoningen (domus), dat schommelt rond de duizend en waarin alleen de rijken kunnen wonen. Er is een groot verschil wat betreft inrichting en comfort tussen de appartementen van de huurkazernes en de eengezinswoningen. In de huurkazernes is, althans op de bovenverdiepingen, geen stromend water en geen afvoersysteem naar de rioolbuizen. De bewoners van de appartementen kunnen tegen betaling van een kleinigheid gebruik maken van de goed onderhouden en goed geoutilleerde openbare latrines, maar velen maken het zich gemakkelijk (of houden het geld in hun zak) door hun afval te deponeren op mesthopen of kuilen in de buurt of door er zich 's nachts (er is geen straatverlichting) via het raam van te ontdoen. Wat dit betekent voor de hygiëne in de stad, laat zich raden, vooral als men bedenkt dat Rome geen openbare reinigingsdienst heeft, ofschoon de stad wel beschikt over een uitstekend rioolstelsel met een grote capaciteit. De flatwoningen zijn voorts slecht te verlichten en nog moeilijker te verwarmen. Zij hebben namelijk geen schoorstenen, en de vensters, d.w.z. de in de muren opengelaten ruimten, kunnen alleen afgesloten worden door houten luiken, kleden of huiden. Het gebruik van verplaatsbare kachels, komforen, fakkels e.d. verhoogt natuurlijk het brandgevaar, zodat met name de bewoners van de bovenste etages hun leven nooit zeker zijn. Dergelijke flatgebouwen, dikwijls voorzien van balkons en veranda's, vindt men niet alleen in Rome, maar ook in andere grote steden, vooral havensteden, zoals Ostia.
In grote tegenstelling met deze huurwoningen staan de luxueuze huizen van de rijken, gewoonlijk zonder verdieping en dikwijls centraal verwarmd. Zij liggen vrijwel alle buiten het centrum van de stad, met name in de omgeving van de Mons Caelius en de Mons Aventinus. In deze eeuw is het gewoonte geworden de traditionele grondvorm van het Romeinse huis uit te breiden met een peristylium naar Griekse trant: een soort patio, met bloemen en struiken beplant, versierd met beelden en omgeven door een zuilengang en een extra reeks kamers.
Nog luxueuzer, dikwijls ware paleizen, zijn de buitenverblijven der rijke Romeinen. Men vindt ze in de omgeving van Rome, maar vooral aan de kust van Latium en Campanië, waar het hele gebied van de Golf van Napels bezaaid is met uitgestrekte villacomplexen.
| 2.14 De maatschappelijke kaders |
| 2.14.1 De senatoren en de equites |
De Romeinse samenleving is in wezen altijd sterk aristocratisch van opbouw geweest; zij is dat ook in deze eeuw nog. Bij het begin van het principaat bestaat in de strikt hiërarchisch gestructureerde Romeinse maatschappij de aristocratie uit twee standen: de senatoren en de ridders. Voor de leden van de senatorenstand, uiterlijk te herkennen aan hun tunica met brede purperen zoom (de tunica laticlavia), is een minimumvermogen vereist van 1 000 000 sestertiën. Zij leveren de leden van de Senaat, een college van 600 man, dat tijdens de republiek formeel slechts een adviserende stem had, maar in feite oppermachtig was; in deze eeuw, onder het principaat, heeft het in theorie de functie van de soevereine volksvergadering overgenomen, maar in de praktijk is het vrijwel machteloos tegenover de almachtige princeps. Voor het lidmaatschap van de ridderstand is een minimumvermogen van 400 000 sestertiën vereist, alsmede een benoeming door de princeps. De ridders (equites), herkenbaar aan hun tunica met smalle purperen zoom (de tunica angusticlavia), vormen al sinds lange tijd de stand van de geldadel. Het zijn kapitalisten en multimiljonairs, die optreden als financiers, bankiers en belastingpachters. Sinds de tijd van Augustus worden uit de ridderstand ook de mensen gerekruteerd voor die openbare ambten die niet speciaal voor senatoren zijn weggelegd. Ook worden wel ridders gepromoveerd tot senatoren. Men noemt ze homines novi. Het zijn meestal mensen die in staat blijken zich aan de sfeer van de ambtsadel aan te passen. Die sfeer is er een van de grand seigneur, die zijn ambt met bekwaamheid vervult zonder acht te slaan op de beloning ervoor, die vrijgevig is voor zijn cliënten en niet karig met schenkingen aan het volk en bijdragen aan de openbare spelen.
| 2.14.2 De gewone burgers |
Naast deze twee groepen van rijke tot zeer rijke lieden (wel aangeduid als honestiores, d.w.z. mannen van aanzien) is er de grote massa van de gewone burgers, de humiliores (d.w.z. de onaanzienlijken), die van de actieve politiek zijn buitengesloten, maar wel de bescherming genieten van het Romeinse burgerrecht. Men spreekt ook wel van plebs, maar dan niet in de oorspronkelijke zin uit de eerste tijd van de republiek, toen de plebs iedereen omvatte die niet tot de patriciërskaste behoorde. De 'plebs' van deze tijd omvat mensen die allerlei beroepen uitoefenen in handel en kleinbedrijf, winkeliers en boeren, geschoolde en ongeschoolde arbeiders, maar ook werklozen, soldaten en verder intellectuelen als leraren en artsen. Velen van hen leiden een armelijk bestaan, maar echt gebrek wordt er niet geleden. Dit wordt voorkomen door de regelmatige uitkeringen van staats- en stadsbestuurders en van de patroni aan hun cliënten, verder ook door incidentele giften en erflatingen van rijke burgers in geld of in natura. De stad Rome, waar zoveel berooiden zijn samengestroomd, neemt in dit opzicht wel een uitzonderingspositie in: het aantal gezinshoofden dat is ingeschreven op de lijsten voor de maandelijkse voedseluitkeringen (annonae) door de keizer, loopt zeker tegen de 150 000.
| 2.14.3 De slaven |
De slaven vormen de onderste sociale laag van de bevolking. Formeel gelden zij niet als personen met eigen rechten, maar als objecten, eigendommen waarover hun meester vrij kan beschikken. De praktijk geeft echter gewoonlijk een ander beeld en laat ook grote verschillen zien tussen diverse categorieën slaven. Voor degenen die gedwongen worden te werken in de mijnen en op de grote landbouwbedrijven (de latifundia), is het leven doorgaans onmenselijk hard en zwaar. Deze slaven zijn het dan ook die in de vorige eeuw de kern uitmaakten van slavenopstanden zoals die van Spartacus (71 v.C.), waarvoor heel Rome sidderde en beefde. In deze tijd houden de meeste land- en slaveneigenaren zich in het algemeen aan de raadgevingen van iemand als de geleerde Terentius Varro (gest. 27 v.C.), die in zijn verhandeling over de landbouw o.a. zegt: 'Laat uw opzichters geen zwepen gebruiken, als zij hetzelfde kunnen bereiken met aanmoedigingen. Koop niet te veel slaven van dezelfde nationaliteit; dat geeft alleen maar ruzie binnenshuis. Zorg ervoor dat de voormannen tot samenwerking bereid zijn door ze wat extra's te geven en ze toe te staan samen te leven met vrouwelijke slaven en kinderen te verwekken. Daardoor zullen ze loyaler zijn en zich sterker verbonden voelen met het bedrijf Het zijn deze onderlinge relaties die slavengezinnen uit Epirus zo gezocht en zo duur maken. ( ... ) Uw slaven zullen beter werken, als u ze goed behandelt, als u ze extra voedsel en kleding geeft, vrije dagen, verlof om hun eigen vee op uw land te laten grazen, of soortgelijke privileges.'
Het is een en al nuchter eigenbelang dat deze woorden ingeeft... Een milder lot dan de slaven op de grote landbouwbedrijven is die in de huishoudingen en de kleine bedrijven beschoren. Dikwijls is er, zo op het oog, nauwelijks enig verschil tussen hun levensomstandigheden en die van de vrijgeborenen. Slaven zijn in alle beroepen werkzaam, zoals koks, kappers, musici, kopiisten, stenografen, leraren, geneesheren. In de omvangrijke huishoudens van rijke senatoren en ridders zijn er huisslaven voor alle mogelijke en onmogelijke taken en karweitjes, met een tot in het absurde doorgevoerde specialisatie. De gemiddelde prijs voor een goede huisslaaf ligt bij de 4000 sestertiën, maar voor een bekwame secretaris of accountant worden wel prijzen betaald van een paar honderdduizend sestertiën. Ook al worden er geregeld veel slaven vrijgelaten, hun aantal is nog steeds groot, vooral in Rome, waar de grote geldmagnaten soms wel duizend slaven bezitten en de keizer alleen misschien wel 20 000. Vermoedelijk telt Rome in deze tijd in totaal wel tussen de 300 000 en 400 000 slaven.
Wrede behandeling van slaven is zeker geen zeldzaamheid. Er zijn immers geen wetten die hen tegen de willekeur van hun meesters beschermen, behalve dan – in de laatste tijd – die van keizer Claudius, waarin degene die zieke slaven doodt of aan hun lot overlaat, met strenge straffen bedreigd wordt. Daarna zijn er nog enkele beschermende maatregelen bijgekomen onder Nero en Domitianus. Men ziet over de gehele linie trouwens een tendens tot humanisering van de slavernij. En dat is zeker voor geen gering deel te danken aan de invloed van de stoïcijnse filosofie en ethiek, die in deze eeuw te Rome veel aanhangers winnen. De beroemdste Romeinse filosoof van deze tijd, de stoïcijn Seneca, laat zich in een brief aan een geestverwant over de slavernij uit op een wijze die aan duidelijkheid niets te wensen overlaat:
'Van mensen die jou bezocht hebben, heb ik vernomen hoe vriendelijk jij met je slaven omgaat. Dit doet me veel genoegen. Het is in overeenstemming met je levensopvattingen en de wijsgerige scholing die je gehad hebt. 'Het zijn maar slaven,' hoor je dikwijls zeggen. Toch zijn het mensen. 'Slaven zijn het.' Nee, huisgenoten. 'Maar toch blijven het slaven.' Nee, eerder lager geplaatste vrienden. 'Slaven.' Nou goed, maar dan: medeslaven, als je bedenkt dat het lot net zo goed naar de ene als naar de andere kant kan uitvallen. Daarom lach ik om hen die het een schande vinden met hun slaaf de maaltijd te gebruiken.' (Seneca, Epist.47.)
Het vrijlaten van slaven is door Augustus enigszins aan banden gelegd. Het gebeurde zo snel en op zo grote schaal dat de maatschappelijke verhoudingen erdoor ontwricht dreigden te raken. De voornaamste bepaling is die welke behelst dat bij testamentaire beschikking (de meest voorkomende manier van vrijlating of manumissio) nooit meer dan een bepaald percentage van het totaalbezit aan slaven mag worden vrijgelaten en dat het aantal vrijgelatenen (liberti) in geen geval het maximum van honderd mag overschrijden. Een slaaf met capaciteiten kan, als hij daartoe verlof krijgt van zijn meester, gemakkelijk enig vermogen bijeenbrengen en dan zichzelf vrijkopen. Een vrijgelatene blijft als cliens (beschermeling) met zijn ex-meester als patronus (beschermheer) verbonden en kan het onder diens protectie dikwijls ver brengen.
| 2.14.4 Man en vrouw in de Romeinse wereld |
Sinds de dagen van Cato de censor (gest. 149 v.C.), die het bestond een senator te verbannen omdat hij zijn vrouw in het openbaar had gekust, heeft zich een opmerkelijke evolutie voltrokken op het gebied van de verhouding tussen man en vrouw en met betrekking tot de seksuele zeden in het algemeen. Het is een evolutie die gelijke tred heeft gehouden met de geweldige toeneming van de welvaart en de luxe. De dichter Juvenalis, opgevoed zoals alle Romeinen met de lectuur van Livius' geschiedenisboeken, waarin het nationale verleden in ideale vorm wordt geëtaleerd, ziet hier, waarschijnlijk niet geheel ten onrechte, een oorzakelijk verband:
'Eens waren onze vrouwen zuiver en zonder ondeugden. Daar zorgde de armoede voor: eenvoudige woningen, hard werken, te weinig slaap, ruwe handen van het wolspinnen, Hannibal die Rome bedreigt, terwijl de mannen de stadspoorten bewaken. Maar nu lijden we onder de ellende van een eeuwige vrede: de luxe, een kwaal erger dan oorlog, heeft vaste voet bij ons gekregen en straft ons voor het feit dat we de wereld veroverd hebben.'
Keizer Augustus heeft diverse maatregelen genomen om de buitensporige luxe af te remmen. Ook heeft hij pogingen gedaan om de onheilspellend dalende geboortecurve naar boven om te buigen: celibatairen worden vergaand gediscrimineerd, voor de mannen en vrouwen van de hoogste twee standen wordt het huwelijk verplicht gesteld, een moeder van drie kinderen krijgt het recht een speciaal gewaad te dragen en staat bovendien niet langer onder het gezag van haar man. Al die maatregelen en wetten hebben ten slotte niet veel uitgehaald. Het vroegere, uit een puur agrarisch tijdperk daterende, absolute gezag van de huisvader, de pater familias, over echtgenote en kinderen is al lang afgebrokkeld. De emancipatie van de vrouw is in de laatste jaren van de republiek al ingezet met het optreden van vrouwen als de vrijgevochten Clodia en de briljante Sempronia en is niet meer terug te draaien, Het feminisme is een openbaar onderwerp van discussie, getuige bijvoorbeeld de voordrachten van de stoïcijnse filosoof Musonius Rufus over vragen als: 'moet men zijn dochters dezelfde opvoeding geven als zijn zonen?' en zijn stelling 'dat ook vrouwen de filosofie moeten beoefenen'. De Romeinse matronae van deze tijd hebben een eigen vermogen waarover zij naar believen beschikken en sommige vrouwen hebben indirect een grote politieke invloed. Echtscheidingen en nieuwe verbintenissen zijn aan de orde van de dag en vormen een uitgezocht en veelgebruikt middel om meer politieke invloed of meer vermogen te verkrijgen. In bepaalde aristocratische kringen vergeeft men het aangaan van liaisons aan vrouwen even gemakkelijk als aan mannen. En niemand wordt erop aangekeken als hij of zij homofiele relaties onderhoudt.
Het verschijnsel van de geëmancipeerde vrouw doet zich overigens alleen maar voor in de sociale bovenlaag en dan nog praktisch uitsluitend in die van Rome en Italië. In andere regionen van de bevolking nemen de vrouwen nog weinig deel aan het openbare en beroepsleven; zij zijn overwegend aan hun huis en huiselijke bezigheden gebonden. Terwijl velen van hun aristocratische zusters zich vrij en onafhankelijk bewegen en zich wijden aan bezigheden die vroeger alleen aan de mannen waren voorbehouden, zoals studie, politiek en zelfs sport, hebben de vrouwen van de lagere volksklassen geduldig af te wachten tot het hun echtgenoten belieft, na langdurige en woordenrijke seances bij de drukbezochte barbier met de dagelijkse boodschappen thuis te komen.
| 2.15 Het dagelijks leven |
| 2.15.1 Dagindeling |
In één opzicht onderscheidt de Stad, het keizerlijke Rome, zich niet van een willekeurig dorp in de provincie: het leven begint er zeer vroeg, al bij het eerste hanengekraai. De dag vangt aan met de verering van de huisgoden in het lararium.
Het ontbijt (ientaculum) vindt, al naar gelang het jaargetijde, in het derde of vierde uur plaats. Het heeft overigens weinig om het lijf. De volwassenen nemen doorgaans slechts een glas water, of wat brood, in wijn gedoopt of met zout en knoflook bestrooid. De kinderen krijgen wat geld mee om bij de bakker een paar koeken te kopen.
De aard van de bezigheden die de dag met zich brengt, hangt uiteraard af van de positie die men bekleedt en varieert van het bijwonen van Senaatsvergaderingen, het voeren van financiële transacties tot het verrichten van handenarbeid. Maar om het even wat men doet, vrijwel de gehele – mannelijke – bevolking is allereerst betrokken bij het ritueel van de 'ochtendvisites'. De patronus - en dat is eenieder die enige materiële status heeft – ontvangt dan zijn clientes, de minder aanzienlijken die in min of meerdere mate van hem afhankelijk zijn. Al voor dag en dauw verzamelen zich de armsten der clientes op het atrium van hun patronus. Nadat zij hem hun zorgen hebben voorgelegd en hun aanhankelijkheid hebben betuigd, ontvangen zij een kleine toelage in de vorm van geld of voedsel, dat hun in een korfje (sportula) wordt meegegeven. Voor veel arme sloebers is dit systeem van charitas het enige middel van bestaan. Maar in de streng hiërarchische Romeinse samenleving zijn het niet alleen de armen die hun opwachting moeten maken: met uitzondering van de keizer kent iedere Romein wel een hoger geplaatste die bereid is de beleefdheidsbezoeken te honoreren met een zekere vorm van bescherming. Het aanzien (auctoritas) dat de patronus bezit, zet hij immers in voor zijn cliënten. En omgekeerd is het zo dat het gezag van de aanzienlijke goeddeels wordt afgemeten aan de omvang en het gehalte van zijn schare cliënten. Zo komt het dat het ochtendlijk Rome een komen en gaan te zien geeft van duizenden cliënten die zich van de ene naar de andere ontvangst spoeden.
Alleen de vrouwen doen niet mee aan dit ritueel. Zij brengen hun tijd voor het grootste deel in huis door. Als ze arm zijn, hebben ze de zorg voor de dagelijkse gang van zaken in het huishouden (alleen de proviandering wordt behartigd door de mannen of de slaven). Als ze rijk zijn en over personeel beschikken, besteden ze veel tijd aan hun toilet, daarbij geholpen door kundige slavinnen. Voorts worden er bezoekjes afgelegd en wordt er gewinkeld.
Wanneer de tijd het toelaat, neemt men tegen de middag, zo om het zesde of zevende uur, nog een lichte maaltijd (prandium). Gewoonlijk bestaat die uit wat eieren, groente of fruit, maar vaak ook zijn het de kliekjes van de vorige avond die nu worden opgemaakt. Als het hartje zomer is en de hitte bijna ondragelijk, geeft men zich over aan een korte middagslaap, waarna de werkzaamheden weer voor een uur of twee, drie worden opgenomen.
| 2.15.2 De badcultuur |
Er is weinig waar men zo aan hecht als aan het dagelijkse bad. De publieke baden, de thermen, gaan 's middags open, als de verwarming is aangestoken. Dit moment wordt aangekondigd door het luiden van een klok, door gongslagen of door het geroep van slaven. Horden mensen trekken vervolgens op weg naar een van de grote openbare thermen of naar kleinere particuliere baden. Daar wacht een uitgekiend program van stoombaden, warme, lauwe en koude baden, vaak gevolgd door massagebeurten. Het zijn ware ontspanningscentra, deze thermen, men treft er zijn vrienden in clubruimten en taveernes, doet er aan sport of bezoekt de bibliotheek. Een groot deel van de vrijetijdsbesteding der Romeinen concentreert zich dan ook in de badhuizen.
| 2.15.3 Spelen en theater |
Een andere vorm van ontspanning bieden de rennen en de gladiatorengevechten. 'Brood en spelen, dat is het enige waar ze om vragen', merkt Juvenalis cynisch op, want het volk wordt in de overvloedige vrije tijd – tegenover iedere werkdag staat tegenwoordig wel een vrije dag – zoet gehouden met steeds opwindender schouwspelen, opdat het maar van revolutionaire ideeën wordt afgehouden. Geliefd zijn de paardenrennen in de circussen: reusachtige bouwwerken, smal en lang. De pracht en praal, de spanning van de rennen der bigae, trigae en quadrigae (wagens met respectievelijk twee, drie, vier of meer voorgespannen paarden) doen het hart van iedere Romein sneller kloppen. Het grootste circus is het Circus Maximus, tussen de Aventinus en de Palatinus, die een afmeting heeft van 645 m bij 14 m en die 400 000 toeschouwers kan bevatten. Al lang voor de aanvang van de rennen verzamelt zich de menigte in het circus, waar weddenschappen worden gesloten en waar speculaties omtrent de afloop van de rennen luidkeels worden geventileerd.
Bijna nog meer dan de rennen zijn de gladiatorenspelen (munera gladiatorum) in trek, waartoe ook de gevechten tussen wilde dieren (venationes) gerekend worden. De gladiatoren van Rome worden gerekruteerd uit krijgsgevangenen, uit ter dood veroordeelden en uit de arme sloebers, die hopen met geluk en dapperheid in korte tijd roem en rijkdom te verwerven. De gevechten beginnen vaak 's morgens in alle vroegte en duren soms verscheidene dagen, waarbij duizenden mensen en dieren worden afgeslacht. Het middelpunt van deze spelen is het imponerende Amphitheatrum Flavium (Colosseum), met de bouw waarvan in 72 is begonnen. Aan 5 0 000 toeschouwers kan dit enorme gebouw plaats bieden. Protesten tegen deze vorm van amusement zijn nog schaars. Maar ze zijn er, en een van de opmerkelijkste komt van een van Nero's ministers, de filosoof Seneca:
'Ik kan nauwelijks iets bedenken dat slechter voor het karakter is dan de Spelen. Zelfs als je ervan geniet, geven zij de ondeugd vrij toegang tot je geest. Hoe het ook zij, dit is mijn ervaring: wanneer ik naar de Spelen ga, kom ik hebzuchtiger, begeriger en met meer lust om me extravagant te gedragen, terug. Ik ben wreder en minder menselijk, alleen omdat ik me tussen andere mensen heb begeven. Niet zolang geleden bezocht ik 's middags de Spelen. Ik verwachtte een schouwspel met dieren, iets leuks of ontspannends, dat je ogen even afhoudt van de aanblik van het bloed van mensen. Maar ik werd teleurgesteld: er hadden al wat gevechten plaatsgevonden, maar die waren zachtaardig bij wat komen ging. We werden nu onthaald op een complete slachting. Mannen vochten zonder ook maar enige beschermende kleding te dragen. Hun hele lichaam kon geslagen worden, en geen enkele uitval miste zijn doel (…) Het einde van ieder gevecht is de dood te vuur en te zwaard. En dit gaat door, ook wanneer de arena verlaten is.'
(Epist. VII, 2-5.)
Een onschuldiger vorm van ontspanning bieden de theaters, waar voorstellingen met muziek, pantomimes en toneelstukken worden opgevoerd, meestal draken van melodrama's, hoe grover en schokkender, hoe mooier.
| 2.15.4 De avondmaaltijd |
De dag eindigt, zo tegen het negende of tiende uur, met de hoofdmaaltijd, de cena. Al naar gelang de financiële armslag waarover men beschikt, bestaat de cena uit één of meer gangen, voorafgegaan door een hors d'oeuvre (gustatio). De maaltijd wordt gebruikt in de eetzaal (triclinium), een ruimte waarin drie aanligbedden in hoefijzervorm om een vierkante tafel staan geschikt. Op ieder aanligbed kunnen drie personen plaats nemen. Er wordt liggend gegeten, waarbij men op de linkerarm steunt. Dit geldt voor de mannen, wel te verstaan, de vrouwen, kinderen en slaven zitten op stoelen. At men vroeger zeer sober, sinds de zegetochten van de legioenen in Afrika en Azië zijn ook de culinaire geneugten van die streken tot Rome doorgedrongen. In de eetzalen der welgestelden kan dit tot bizarre menu's leiden: gerechten als pauw en flamingo, in honing gekonfijte hazelmuis, papegaaien of pastei van nachtegalen sieren de tafel.
Een van de beroemdste lekkerbekken in Rome is wel Marcus Gavius Apicius, omstreeks 25 geboren uit een familie van rijke gourmets. Zijn exquise recepten zijn door de hele stad beroemd. Voor het bereiden van struisvogelvlees raadt hij het volgende aan:
'Men neme peper, kruizemunt geroosterd komijnzaad, selderiezaad, dadels of peentjes, honing, azijn, wijn van gedroogde druiven, een weinig bouillon en wat olie. Dit alles koken in een pan en vervolgens met bloem aanmaken. Giet het geheel over het stuk struisvogelvlees en strooi er dan nog flink wat peper over. Wil men dit gerecht nog smakelijker maken, dan kan men er nog wat spelt aan toevoegen.'
Ga