In mei 1951 tekende Tibet een verdrag met de communistische regering van China dat de dalai lama de macht gaf over binnenlandse Tibetaanse zaken, maar controle over buitenlandse en militaire zaken aan de Chinese regering afstond. In 1956 werd een commissie opgezet om een grondwet voor Tibet als autonome regio van China voor te bereiden; de dalai lama werd tot voorzitter van de commissie benoemd en de panchen lama tot eerste vice-voorzitter. De foto toont de dalai lama (uiterst rechts) en de panchen lama (uiterst links) in 1956 samen met de Chinese leider Mao Zedong. Drie jaar later ontvluchtte de dalai lama Tibet en begon een leven in ballingschap, waarbij hij zich vanuit het buitenland sterk maakt voor de onafhankelijkheid van Tibet.