De 18e eeuwse Duitse filosoof Immanuel Kant onderzocht wat wij zeker kunnen weten over de wereld die wij ervaren. Hij stelde dat het ‘Ding an sich’ zoals dat bestaat buiten onze ervaring, voor ons mensen principieel onkenbaar is. De kennis die wij uit de ervaring verkrijgen, voldoet echter wel aan een aantal wetmatigheden die inherent zijn aan ons menselijk kennen en ons verstand, zoals het feit dat wij de dingen ervaren als bestaande in ruimte en tijd. In zijn ‘kritieken’ over kennis (de Kritik der Reinen Vernunft, 1781), moraal en kunst probeerde Kant universele regels te formuleren waaraan elke rationele persoon zich volgens hem zou moeten houden.