Toen het gebouw van de Rijksdag (het parlement) in de nacht van 27 op 28 februari 1933 uitbrandde, greep Rijkskanselier Adolf Hilter deze gelegenheid aan om de noodtoestand uit te roepen, waarmee hij verregaande bevoegdheden kreeg en o.a. op grote schaal politieke tegenstanders liet arresteren.