Sinds 1990 ligt bij het gebouw van het Nederlandse Scheepvaartmuseum te Amsterdam een replica van de Oost-Indiëvaarder Amsterdam, die op zijn eerste reis voor de Engelse kust is vergaan. Op 8 januari 1749 vertrok het fonkelnieuwe, 48 m lange en 56 m hoge VOC-schip Amsterdam van de rede van Texel. De reis naar Azië zou naar verwachting ongeveer acht maanden duren. Aan boord waren 203 zeelieden, 127 soldaten en 5 passagiers. Vanwege een ongekend zware zuidwesterstorm zocht kapitein Klump al snel na zijn vertrek bescherming in de baai bij het Engelse Hastings. Toen springvloed het schip bedreigde, besloot de kapitein op 26 januari de Amsterdam op het strand te zetten. De nog resterende opvarenden - vijftig waren er al door een epidemie overleden - kwamen veilig aan land met het meest kostbare deel van de lading, een vracht zilver ter waarde van 300 000 gulden. Totdat Engelse militairen werden ingezet, werd het wrak door de lokale bevolking geplunderd. Het zware schip zakte binnen enkele weken diep weg in de klei en verdween al spoedig helemaal onder de golven tijdens hoog water. In het begin van de 19de eeuw waren verschillende groepen schatgravers actief rond het wrak. Doordat het wrak slechts een paar dagen per jaar bij laag water droogvalt, bleef de opbrengst in de meeste gevallen beperkt tot wat bestek, wijnglazen en aardewerk.