![]() |
Resultaten van Windows Live® Search
Resultaten van Windows Live® Search Pagina 7 van 18
achttiende eeuwEncyclopedieartikel
Artikeloverzicht
Frederik de Grote heeft in Pruisen een aangenaam geestelijk klimaat geschapen – godsdienstvrijheid en algemeen lager onderwijs - waardoor het land een populaire vestigingsplaats is geworden: niet minder dan 300 000 immigranten zijn tijdens Frederiks regering opgenomen. De koning heeft zijn kasteel Sanssouci tot een cultureel centrum van belang gemaakt. Voltaire toonde zich verbaasd over de metamorfose die de residentie had ondergaan: 'Nu ben ik eindelijk in Potsdam. Onder de overleden koning was het de behuizing van Parasmenes, een exercitieplaats en geen tuin, met de paradepas van het garderegiment als enige muziek, revues in plaats van toneelstukken en een soldatenregister als bibliotheek. Nu is het het paleis van Augustus, de zetel der legioenen en geletterden, van de lust en de roem, van de pracht en de goede smaak’. Een Oostenrijkse gezant beschrijft in een bericht aan keizerin Maria Theresia het dagelijks leven en het karakter van 'der alte Fritz' , zoals de koning door zijn onderdanen genoemd werd, als volgt: 'De koning leeft teruggetrokken en uit zich slechts tegenover enkele uitverkozenen, die men als staatsgevangenen kan beschouwen, want ze hebben geen enkele omgang met de rest van het hof en de stad. Hij doet alles zelf. Het staatsgeheim is onnavorsbaar en zal dat blijven zolang hij leeft. Zijn beide kabinetsministers... fungeren slechts als klerken. Alle mededelingen die hun gedaan worden, nemen ze ad referendum en ze geven het antwoord steeds precies zo als het de koning gegeven heeft. Dientengevolge valt er met hen niet veel te onderhandelen. De dagindeling van de koning is streng geregeld. Hij staat gewoonlijk om 6 uur op en speelt gedurende een half uur, heen en weer lopend, fluit, terwijl hij op de koffie wacht; dan kleedt hij zich aan en werkt tot 11 uur in zijn kabinet. Hierop woont hij de wachtparade bij, geeft het wachtwoord uit en speelt na terugkeer in het slot weer fluit tot aan het middageten. Gedurende de maaltijd is hij gewoonlijk tamelijk vrolijk, nadien rust hij een half uur op een sofa... Vervolgens werkt hij of gaat tot 7 uur 's avonds wandelen. Dan begint het concert, waarbij de koning zelf speelt en niemand behalve de musici en intieme vrienden aanwezig waagt te zijn. Om 9 uur soupeert hij... Zijn overheersende hartstocht is zonder twijfel de hang naar roem. Niet tevreden met de roem die hij door zijn eigen talenten en zijn krijgsfortuin behaald heeft, imiteert hij alles wat zijn roem zijns inziens kan vermeerderen. Zo bouwt hij naar het voorbeeld van Lodewijk XIV en van Versailles een slot dat, zoals zijn neef zegt, nog groter wordt dan het koninklijk slot in Berlijn. Op het ogenblik laat hij een prachtig gouden bestek vervaardigen, waarschijnlijk om de komende bruiloft van de prins van Pruisen met nog veel grotere pracht te kunnen vieren dan bij de bruiloft van aartshertog Joseph werd tentoongespreid. Zoals Julius Caesar beschrijft hij zijn eigen leven en zijn veldtochten. Hij overtreft Karel XII in de nonchalance van zijn kleding, die welhaast vuil is. . . ' Onder de opvolgers van Frederik de Grote, Frederik Willem II en diens zoon, verliest het koningschap veel van zijn glans; de vitale opmars van Pruisen naar een positie onder de leidinggevende Europese mogendheden lijkt tot staan gebracht.
De hoofdstad Berlijn telt momenteel ruim 150 000 inwoners en is, ondanks het feit dat het deze eeuw tweemaal ingenomen en gebrandschat is, een aangename verblijfplaats met vele mooie gebouwen. Het culturele leven is er Frans georiënteerd: de capaciteiten van de nakomelingen der refugiés en de francofilie van Frederik de Grote zijn daar ongetwijfeld debet aan. De residentie Potsdam, gelegen ten westen van Berlijn, heeft een stormachtige ontwikkeling doorgemaakt: alle bouwwerken in deze stad getuigen van de glorie van Pruisens grootste koning, vooral, zoals gezegd, het slot Sanssouci, een van de fraaiste Duitse rococoscheppingen. Het leven op het platteland, vooral in het oosten van het rijk, is minder aantrekkelijk dan in de steden. De meeste boeren zijn, behalve in de kroondomeinen, lijfeigenen van de Junkers, de grote landeigenaren. Hoewel deze lijfeigenen er hier niet zo slecht aan toe zijn als in de aangrenzende gebieden, waar men niet ten onrechte van Junker-republieken spreekt, worden zij toch behandeld als overerfbare knechten en mogen zij zonder de toestemming van de landheer niet trouwen, het goed verlaten of een vak leren.
Voor Oostenrijk is de achttiende eeuw er een van grote successen. Het land is een der grote Europese mogendheden geworden en op cultureel terrein kan het aan het eind van de eeuw terugblikken op enkele indrukwekkende hoogtepunten. In het eerste kwart van de eeuw zijn de Habsburgse gebieden aanzienlijk uitgebreid, maar op het moment is Oostenrijk weer ongeveer even groot als in 1700. De politieke invloed is echter nauwelijks minder geworden: het land staat in de voorste linies bij de strijd tegen het napoleontische Frankrijk.
De interne structuur van het rijk is een voortdurende bron van onrust gebleken, ook na de pogingen van keizerin Maria Theresia en haar opvolger om een eenheidsstaat te verwezenlijken. Vooral de vooruitstrevende en centraliserende maatregelen van Jozef II zijn ingrijpend. Té ingrijpend, gezien de haast waarmee men na zijn dood in 1790 tracht de klok terug te draaien. Keizer Jozef, duidelijk beïnvloed door de denkbeelden van de moderne Franse filosofie, heeft bewezen niet zulk een geduldige natuur te bezitten als zijn moeder. Onmiddellijk na de dood van Maria Theresia begint een stroom van progressieve decreten uit Wenen te komen: lijfeigenschap wordt afgeschaft, gelijkheid van belastingen, alsmede pers- en godsdienstvrijheid worden ingevoerd. Ook de economie van het rijk wordt krachtdadig aangepakt: in Triëst wordt zelfs een Oost-Indische Compagnie opgericht, die evenwel algauw een mislukking blijkt te zijn - evenals trouwens de meeste maatregelen van de keizer. De voornaamste resultaten zijn onrust en opstand, die echter weg lijken te ebben onder druk van de restauratieve krachten, die sinds 1790 onder het bewind van Frans II weer vrij spel hebben.
De hoofdstad Wenen heeft zich intussen ontwikkeld tot een van de belangrijkste culturele centra van Europa. In het Burgtheater, het Leopoldstädter Theater en het Theater in der Josephstadt vinden elke avond toneelvoorstellingen plaats; de stad herbergt een van de indrukwekkendste prentenverzamelingen ter wereld, de Albertina. Maar in de eerste plaats is Wenen toch een muziekstad, vooral sinds het midden van de eeuw, toen Christoph Willibald von Gluck hier zijn operahervormingen volvoerde. Sindsdien heeft de Oostenrijkse hoofdstad steeds meer de rol van Italië overgenomen – tot voor kort het land waar elke zich respecterende aankomende musicus zijn opleiding ontving. Een grote stimulans voor deze ontwikkeling is uiteraard de regelmatige aanwezigheid van Franz Joseph Haydn en Wolfgang Amadeus Mozart geweest, de twee reuzen van het Weense muziekleven, van wie de laatste evenwel niet altijd de waardering heeft ondervonden die hij verdiende. Mozart sterft in 1791 in zulke armoedige omstandigheden dat de kosten van een normale begrafenis niet opgebracht kunnen worden: hij vindt zijn laatste rustplaats in een armengraf. Kort voor het overlijden van de jonge componist heeft nog de première plaatsgevonden van Die Zauberflöte, een opera die duidelijk de sporen draagt van Mozarts belangstelling voor de vrijmetselarij. Deze opera is intussen een waar volksstuk geworden: honderden uitvoeringen hebben al plaatsgevonden, niet alleen in Wenen, maar in alle belangrijke steden van het Duitse cultuurgebied.
© 1993-2008 Microsoft Corporation/Het Spectrum. Alle rechten voorbehouden. |
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
© 2008 Microsoft/Het Spectrum
![]() ![]() |