![]() |
Resultaten van Windows Live® Search
Resultaten van Windows Live® Search Pagina 2 van 18
achttiende eeuwEncyclopedieartikel
Artikeloverzicht
De ideeën der Verlichting zijn een voortzetting gebleken van het al in de vorige eeuw in kleine kring opgekomen geloof in de vooruitgang. Deze denkbeelden – waarop volgens de wijsgeer Immanuel Kant de leus: 'durf je eigen verstand te gebruiken' van toepassing is – zijn niet beperkt gebleven tot een filosofie voor een kleine elite, maar hebben een grote invloed uitgeoefend op het maatschappelijke en politieke leven van deze tijd: zo zijn de verlichte despoten Frederik de Grote van Pruisen, Catharina de Grote van Rusland en Jozef II van Oostenrijk sterk door deze ideeën beïnvloed en is de Franse Revolutie moeilijk voor te stellen zonder de ideële bovenbouw der Verlichting.
In Noord-Amerika zijn de Verenigde Staten sinds 1783 officieel onafhankelijk; Canada is een Britse kolonie. Midden- en Zuid-Amerika staan grotendeels onder Spaans bestuur. De Portugezen koloniseren Brazilië. Het noorden van Afrika staat deze eeuw bijna geheel onder suzereiniteit der Turken. De Europese invloed is op het Afrikaanse continent nog gering, alleen in het uiterste zuiden is sprake van kolonisatie op grote schaal. Azië kent deze eeuw grote veranderingen. In India is de macht van het Mongoolse keizerrijk verdwenen, en de Britse invloed groeit er. In de Indische Archipel zijn de activiteiten der Verenigde Oost-Indische Compagnie gestaakt. Vietnam beleeft in 1787 het einde van de Lê-dynastie. Het Chinese rijk maakt onder de Tj'ing–dynastie een periode van expansie door. Japan ziet deze achttiende eeuw in rust verstrijken.
De ideeën der Verlichting winnen in de tweede helft van de eeuw in Frankrijk snel terrein. Montesquieu, die in 1722 in zijn satirische briefroman Lettres persanes al de sociale en staatkundige misstanden in Frankrijk had gehekeld, publiceert in 1748 zijn De l'ésprit des lois, een verhandeling over de wetgeving die binnen korte tijd talloze herdrukken beleeft. De schrijver ontwikkelt hierin de belangwekkende stelling dat wetten de gewoonten, de godsdienst en de maatschappelijke verhoudingen moeten weerspiegelen, wil de staat stabiel zijn. De staatsmacht verdeelt hij, voortbordurend op stellingen van John Locke, in drie elementen: de wetgevende, de uitvoerende en de rechterlijke macht. Jean-Jacques Rousseau, telg uit een naar Genève uitgeweken hugenotenfamilie, toont zich in zijn werk voorstander van de 'natuurstaat' en ziet eigendom als de oorzaak van alle ongelijkheid en uitbuiting. De 'staat', een schepping van de machtigen, dient slechts om de bestaande toestand te bestendigen. Nadat in 1762 de uitgave van zijn Contrat social ou Principes du droit, waarin de soevereiniteit van de vrije burgers wordt verdedigd, de positie van Rousseau in Genève al bijna onhoudbaar had gemaakt, leidt de publicatie van de roman Émile ou De l'éducation, in datzelfde jaar, tot zijn vlucht. Het boek wordt verboden. Vooral het laatste deel van Émile, waarin Rousseau zich bekent tot de natuurlijke godsdienst, het deïsme, heeft de autoriteiten in dit besluit gesterkt. Overigens ontwikkelt de schrijver interessante pedagogische denkbeelden in zijn roman, waarvan het belangrijkste is de idee om de experimentele methode ook in de opvoeding toe te passen. Twee jaar later valt ook de in het dicht bij Genève, maar nog in Frankrijk gelegen plaatsje Ferney wonende Voltaire de clerus en de geïnstitutionaliseerde godsdienst aan in zijn Dictionnaire philosophique, waarin hij de bijbel absurd en amoreel noemt. Ondanks deze vroeger ondenkbare stelling is de respons op Voltaires boek enorm, hetgeen in deze steeds rationalistischer wordende tijd niet verwonderlijk is. Voltaires scherpe pen heeft hem eerder in grote moeilijkheden gebracht: in 1717 werd hij in de Bastille gevangengezet vanwege een satire op het leven van de regent, Filips II van Orléans. In 1734, na acht jaar tevoren overigens weer gevangene in de Bastille geweest te zijn, moest hij als gevolg van de publicatie van de Lettres anglaises, waaruit een anti-Franse gezindheid sprak, zijn toevlucht nemen tot een verblijf op een afgelegen landgoed in Lotharingen. Voltaires naam is in 1764 echter al zo gevestigd dat repercussies op het persoonlijke vlak bij de publicatie van zijn Dictionnaire uitblijven. Montesquieu, Rousseau en Voltaire hebben intussen, samen met D'Alembert en vele andere geleerden, meegewerkt aan de totstandkoming van de Encyclopédie ou Dictionnaire raisonné des sciences, des arts et des métiers, waarvan het laatste deel verschijnt in 1772. De encyclopedie omvat dan zeventien delen tekst en elf delen illustraties. Het doel van de uitgave heeft Denis Diderot, die de algemene leiding in handen heeft gehad, in 1750 als volgt beschreven: 'Het gaat erom de onderlinge samenhang der dingen bloot te leggen... en een algemeen beeld van de bemoeienissen van de menselijke geest op alle gebieden en in alle eeuwen te schetsen'. Reeds in 1752 werd het werk onder druk van jezuïeten en jansenisten verboden. Het verbod werd opgeheven, maar in 1759 kwam de uitgave wederom in gevaar door de heftige kritiek uit kerkelijke kringen.
De achttiende eeuw eindigt in Frankrijk met onrust en troebelen. Voor wie terugkijkt op de nu verstreken honderd jaar, laat zich de onvermijdelijkheid van de tegenwoordige gebeurtenissen moeilijk loochenen. Het verlicht absolutisme, waarvan koning Lodewijk XIV de ultieme belichaming was, heeft geen veranderingen aan kunnen brengen in de verouderde feodale ordening van de staat, waarin geestelijkheid en adel de toon aangaven. De derde stand, de bourgeoisie, keek met afgunst naar de privileges van de beide hogere standen. De gewone mensen, vooral loontrekkenden, werden getroffen door de sterke inflatie, die niet gecompenseerd werd door hogere lonen. De zelfstandige boeren waren er niet zo slecht aan toe, in tegenstelling tot de landarbeiders, ongeveer de helft van de bevolking uitmakend, die onder een bestendig toenemende druk moesten leven. Op het gebied van de buitenlandse politiek is Frankrijk geleidelijk aan zijn vooraanstaande positie kwijtgeraakt aan Engeland. Er zijn wel kleine successen geboekt, zoals de inlijving van Lotharingen en Corsica, maar deze zijn volkomen overschaduwd door het verlies van Canada en Louisiana en het teloorgaan van de invloed in Voor-Indië. Een laatste punt van ontevredenheid in het land is het voortdurende staatsdeficit geweest, dat ondanks het ingewikkelde belastingsysteem niet opgeheven kon worden. Zo is het niet verwonderlijk dat de met de ideeën der Verlichting gevoede bourgeoisie - en niet alleen zij - zich in 1789 losscheurt van het verouderde staatsbestel en geleidelijk aan zelf de macht in handen neemt, de Franse Revolutie.
In 1792 wordt de republiek uitgeroepen; in de twee daaropvolgende jaren siddert Frankrijk en vooral Parijs onder een regime dat niet zonder reden La Terreur wordt genoemd. Allereerst wordt koning Lodewijk XVI onthoofd door de guillotine, een nieuwe manier van terechtstellen die men humaner acht dan de vroegere methode. Enkele maanden later komt de advocaat Robespierre aan de macht, daartoe in de gelegenheid gesteld door het radicale proletariaat, dat in de bourgeoisie slechts uitbuiters en onderdrukkers ziet. En ondertussen is Frankrijk in oorlog gekomen met bijna alle grote Europese mogendheden. Onder deze woelige omstandigheden blijkt de tijd rijp voor een uitbarsting van alle vroeger onderdrukte haatgevoelens jegens de hogere klassen: veertigduizend mensen komen om in deze 'tijd der verschrikking', vooral in de Vendée, waar zich vele girondijnen (gematigde volksvertegenwoordigers) en royalisten hebben teruggetrokken. Ook in grote provinciesteden als Lyon vinden vele executies plaats, niet alleen van edelen en hogere bourgeois, maar merkwaardig genoeg vooral van eenvoudige landarbeiders. In de hoofdstad worden meer dan 1200 mensen geguillotineerd, onder wie koningin Marie Antoinette. Robespierre heeft de terreur in een rede tot de Conventie als volgt verdedigd: 'Indien in vredestijd de beweegreden van de regering van het volk de deugd is, dan is die beweegreden in revolutietijd tegelijk de deugd en de terreur: terreur zonder deugd is funest; deugd zonder terreur is onmachtig. De terreur is niets anders dan snelle, strenge en onwrikbare justitie. Zij is dus een uitvloeisel van de deugd. Zij is niet zozeer een beginsel op zichzelf, als wel een consequentie van het algemene beginsel van de democratie, aangepast aan de meest dringende behoeften van het vaderland. Men zegt dat de terreur de drijfveer was van het despotisme. Lijkt uw regering dus op het despotisme? Ja, op dezelfde manier als het ene zwaard, blinkend in de handen van de helden van de vrijheid, lijkt op het andere, waarmee de satellieten van de tirannie bewapend zijn ... De regering van de Revolutie is het despotisme van de vrijheid tegen de tirannie. Bestaat het geweld alleen om de misdaad te beschermen? En is de bliksem niet bestemd om trotse hoofden te treffen?' Vlak voor de val van Robespierre, die hetzelfde lot ondergaat als zijn slachtoffers, hebben de enragés nog getracht het christendom af te schaffen en daarvoor in de plaats een cultus der rede in te voeren. In juli 1794 komt een einde aan deze periode van terreur. De 's-Gravenhaagsche Courant van 25 juli bevat een beschrijving van de laatste dagen van deze glorietijd der enragés: 'Parijs, 14 juli. Te midden van al deze treurtonelen ... die Parijs van bloed doen stromen, vind een ieder, die niet strafschuldig is, thans zijn aanwezen zo verdrietig en smertlijk, dat iedere dag de ijselijkheden des doods in zijn oogen verminderen... Een ieder leeft slegts onder bewilliging van elken dag te sterven. En egter, bij de eerste stralen van een schoonen dag en bij elke nieuwe vertoning, comedie of toneelstuk, ziet men de menigte en de nieuwsgierigen de wandelplaatsen en de schouwburgen overstromen. Men verzaakt geen van zijn ontwerpen noch van zijn gebreken en ondeugden: wispelturigheid en mode nemen derzelver regten weder. Men bouwt alom nieuwe huizen met dezelfde vaardigheid als de misdaaden gepleegd worden; men pronkt dezelve op met de uitgezogtste meubelen. Een argwaan komt den onvoorzigtigen eigenaar van alles beroven, wiens droevig geval eenen nog onvoorzigteren aankoper niet terug houd. Nooit zag men grooter begeerlijkheid en nooit was dezelve gevaarlijker. Lekkere maaltijden, keurige wijnen worden in alle openbaare plaatsen gezogt. Men haast zig, om nog eenen dag bij zijnen vermaaken te voegen; men ziet onverschilliglijk ongelukken, aan welken men zig reeds onderworpen heeft. Nauwelijks heeft de ongelukkige het slagtoffer naar het bloedtoneel zien lijden, of hij loopt naar eenen der twintig schouwburgen van vermaak welken de menigte telkens vervult, om een oogenblik de ijslijkheden, en gevaaren, die hem van alle zijden omringen, te mogen vergeten; en weer te zijnen te keren, waar de verzegelij en gevangenschap hem, misschien, weer wagten.'
© 1993-2008 Microsoft Corporation/Het Spectrum. Alle rechten voorbehouden. |
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
© 2008 Microsoft/Het Spectrum
![]() ![]() |