Zie ook:
Zoeken in Encarta Winkler Prins
Zoeken in Encarta Winkler Prins naar achttiende eeuw

Resultaten van Windows Live® Search

  • Ursicula

    ... voor Nederlandse Letterkunde en de Bibliotheca Thysiana te Leiden een reeks digitale facsimile’s van bekende en onbekende teksten uit de zestiende, zeventiende en achttiende eeuw

  • Werkgroep 18e Eeuw

    De Werkgroep 18e Eeuw informeert leden en belangstellenden over de meest recente publicaties, tentoonstellingen en congressen over de 18de eeuw. De werkgroep stelt zich ten doel ...

  • Werkgroep 18e Eeuw

    De Achttiende Eeuw Documentatieblad Werkgroep Achttiende Eeuw Het tijdschrift De Achttiende Eeuw , opgericht in 1968, biedt een zo breed mogelijk beeld van de achttiende eeuw. De ...

Alle zoekresultaten weergeven in
Resultaten van Windows Live® Search
Pagina 17 van 18

achttiende eeuw

Encyclopedieartikel
Multimedia
Japans no-toneelJapans no-toneel
Artikeloverzicht

5.2.3 Contacten met het Westen

De Chinese handel met het buitenland, vooral met Europa, ontwikkelt zich verder. In tegenstelling tot vorige eeuwen zijn het nu voornamelijk de Engelsen die met China handel drijven. Zij worden vertegenwoordigd door hun Oost-Indische Compagnie. Door de Chinese regering zijn voor de handel met buitenlanders een aantal regels ingevoerd. Zo staat al deze handel onder het oppertoezicht van de zgn. Hoppo (zoals de buitenlanders de naam van deze Chinese instelling verbasteren). Niet alle kooplieden mogen als handelspartner van de buitenlanders optreden, maar alleen zij die behoren tot de Cohong (= Officieel Gilde) en direct onder de Hoppo staan. Sinds 1757, na een decreet van keizer Tj'ièn-loeng, mag handel met buitenlanders bovendien alleen nog in Kanton plaatsvinden. Vanwege de vele voorwaarden die China stelt, ontstaan geleidelijk steeds meer problemen.

Verscheidene delegaties vanuit het Westen, waaronder een aantal Nederlandse, proberen de zaak te bespreken, maar geen van hen boekt enig resultaat. Er wordt veel gesproken over het bezoek van de Engelse afgezant Macartney aan het hof in Peking, waar deze weigert de traditionele kowtow tegenover de Chinese keizer te verrichten. Dit 'kowtowen', een aantal gecombineerd knielende en buigende bewegingen, is in China een teken van eerbied tegenover een meerdere. Zo kowtowen kinderen tegenover hun ouders, leerlingen tegenover hun leraren en iedereen natuurlijk tegenover de keizer. Macartney weigert te kowtowen omdat hij kowtowen op één lijn stelt met knielen. Het incident tekent het cultureel onbegrip tussen China en het Westen, dat de voornaamste oorzaak vormt voor de problemen. Ook in de contacten met westerse missionarissen, die sinds de vorige eeuwen in groten getale China zijn binnengekomen, beginnen moeilijkheden te ontstaan. De jezuïeten, die als eersten naar China reisden, hebben zich tamelijk veel invloed weten te verwerven, voornamelijk omdat zij Chinees lezen en spreken en zich goed kunnen inleven in de Chinese gedachtenwereld. Bovendien veroordelen zij niet alle Chinese riten. Vooral onder keizer K'ang-si genieten zij veel aanzien. Wanneer de paus hun echter verbiedt het christendom aan te passen aan de confucianistische riten, begint de invloed van de jezuïeten te tanen. Onder keizer Joeng Tsjeng en zijn opvolger Tj'ièn-loeng worden uiteindelijk alle missionarissen vervolgd. Tj'ièn-loeng, die in zijn beginperiode als keizer zijn taak zeer serieus opvat, gaat geleidelijk aan steeds meer vertrouwen stellen in He Sjen, een hoge officier, die hij ten slotte tot eerste-minister benoemt. Onder He Sjen vindt corruptie onder ambtenaren op nog veel grotere schaal plaats dan voorheen. Pas als de opvolger van Tj'ièn- loeng, keizer Tjia Tj'ing, in 1796 de troon bestijgt, komt er een einde aan de macht van He Sjen en wordt deze onthoofd.

5.2.4 Neergang van de Tj’ing-dynastie

Onder deze Tjia Tj'ing begint de neergang van de Tj'ing-dynastie. De corruptie in het bestuur van het rijk is nauwelijks meer te bestrijden en er ontstaan steeds meer problemen bij het heffen van de belastingen, waarvan een groot deel bij de inners blijft hangen. In 1796 nog is dit tot uiting gekomen in de opstand van de Witte Lotus. De Witte-Lotusbeweging bestaat ten dele uit leden van een soort geheim genootschap, maar het merendeel wordt gevormd door bandieten. De leiders van de opstand zijn fel tegen het Mantsjoe-bewind en zeggen de corruptie in het rijk te willen tegengaan. Hoewel de opstand voornamelijk het karakter van elkaar bevechtende bendes heeft, is het de Tj'ing tot dusver niet gelukt hem neer te slaan.

5.2.5 Cultuur

In cultureel opzicht staat deze eeuw in het teken van een geweldige bloei. Vooral het porselein dat onder de keizers K’ang-si en Tj'ièn-loeng geproduceerd wordt, is beroemd en het wordt in grote hoeveelheden naar het Westen uitgevoerd. De schilderkunst, die zich in de vorige eeuw steeds verder ontwikkeld heeft, wordt op zeer grote schaal beoefend. In literair opzicht is er ongekend veel gecompileerd: er zijn grote keizerlijke uitgaven van historische en schriftgeleerde werken verschenen, encyclopedieën, enz. Onder keizer Tj'ièn-loeng wordt een aantal geleerden benoemd die de 'Volledige bibliotheek van de klassieken, de geschiedenis, de filosofie en de literatuur' (de Se k'oe tj'iuan sjoe) moeten samenstellen. Dit werk is na ongeveer tien jaar gereed en bestaat dan uit 79 339 delen. De ontwikkeling van de roman zet zich voort. Beroemde werken zijn o.a. de Hoeng-low meng (= De droom van de rode kamer), die een zeer grote, rijke familie beschrijft, en de Zjoe-lin wai-sje (= De geleerden), een satirische roman over de (geestelijke) corruptie van de confucianistische geleerden.

Een zeer beroemd dichter in deze eeuw is Juan Méi (1716–1797). Behalve poëzie schrijft Juan Méi ook veel proza, o.a. Tse Poe Ju, een verzameling van korte stukjes waarin wonderbaarlijke gebeurtenissen beschreven staan. De titel geeft dit al aan: 'Dat waar meester Confucius niet over sprak'. Ter illustratie hiervan volgt hieronder een vertaling van een van die stukjes, getiteld Het vat klonk:

Buiten de noordelijke poort van Nanking verbleef een tauïst van het Klooster van de Drie Helderheden die monsters kon vangen. Eens had hij een monster gevangen in de plaats Sing Hwa, en hij had dit opgesloten in een aardewerken vat onder het beeld van de Drie Helderheden in het klooster. (De Drie Helderheden zijn de Gele Keizer, Lau-tse en Tsjwang-tse.) Het jaar daarop hielden een paar studenten een afscheidsfeest voor een van hun vrienden, die naar Nanking zou gaan om deel te nemen aan de examens. Dronken geworden, zeiden zij tegen het vat: 'AIs onze vriend slaagt, zul jij nu klinken.' Toen klonk het vat eenmaal. Nadat de gasten vertrokken waren, zag de student toen hij 's nachts zat te studeren een in het wit geklede man op de drempel zitten, die hem met een gebaar feliciteerde. De student probeerde hem met een lineaal te slaan, maar de geest sloeg alleen maar luid lachend zijn handen ineen en vertrok. En inderdaad slaagde de student dat jaar.

5.3 De Indische archipel

5.3.1 Mataram

Hoewel de afgelopen eeuw in commercieel opzicht een groot fiasco voor de Verenigde Oost-Indische Compagnie (VOC) is geweest, heeft deze een duidelijk stempel op de politieke, economische en sociale structuur van de Indische archipel weten te drukken. De compagnie heeft haar grondgebied vergroot door steeds meer staatkundige bevoegdheden (ter controle van de overeenkomsten met de plaatselijke vorsten) naar zich toe te trekken. In ruil voor militaire bijstand tegen opstandelingen geeft Mataram eerst een aantal handelsmonopolies aan de VOC: de invoer van opium en lijnwaden en de uitvoer van suiker uit Japara en Semarang vallen haar toe. Na de Eerste Javaanse Successieoorlog (1705) staat Mataram Preanger, een deel van Madura en Tjirebon, aan de VOC af. In 1743 wordt zelfs een verdrag met Mataram gesloten waarin wordt bepaald dat de VOC voortaan het recht heeft ambtenaren en regenten te benoemen. Opnieuw worden nu gebieden aan de VOC afgestaan: Semarang, Japara, Surabaya, de rest van Madura, Rembang en de oosthoek van Java. Na de Derde Javaanse Successieoorlog (1755) wordt het hele rijk van Mataram door de sunan aan de VOC overgedragen. Het rijk wordt dan gesplitst in een vorstendom Yogyakarta en een vorstendom Surakarta. De VOC weet haar politiek van verplichte leveringen door te voeren door steun te verlenen aan machtige vorsten en de adel, en slaagt er daardoor in een relatie van wederzijdse afhankelijkheid te scheppen, die de stabiliteit ten goede komt. Anderzijds worden op deze manier ook de bestaande sociale structuren in de archipel ‘bevroren’.

5.3.2 De VOC

De VOC ontwikkelt zich langzamerhand tot een soort soeverein over de archipel; men kan de verplichte leveranties die aan de verschillende gebieden worden opgelegd, in de praktijk opvatten als het heffen van belastingen door een overheid. Het succes op staatkundig-territoriaal gebied staat echter in schril contrast met de commerciële ontwikkeling van de VOC. In 1779 heeft zij een schuld van 87 miljoen gulden, die lange tijd door leningen is gedekt. Tussen 1737 en 1782 wordt jaarlijks gemiddeld nog 16,5% dividend aan de aandeelhouders uitgekeerd, ondanks de zorgwekkende financiële situatie waarin de onderneming verkeert. De laatste twintig jaar van deze eeuw hebben anderen dan ook vrij spel in de archipel gekregen, met name de Engelsen. De Nederlandse controle van de zee is voorbij – als daar in deze contreien al ooit echt sprake van is geweest. In de zeventiende eeuw floreerde hier de zeeroverij immers al en thans zijn het de zgn. Moro's die de wateren van de archipel onveilig maken. Door het slechte beheer – de ambtenaren van de VOC zijn vaak corrupt – en de daarmee samenhangende slechte financiële situatie wordt het octrooi van de compagnie dat in 1798 afloopt, niet meer verlengd. Daarmee is een eind gekomen aan de VOC.

5.4 Vietnam

Vorige
... | | | | | | | | |
Volgende
Zoeken in dit artikel
Printervriendelijke pagina bekijken
E-mail




© 2008 Microsoft/Het Spectrum