![]() |
Resultaten van Windows Live® Search
Resultaten van Windows Live® Search Pagina 16 van 18
achttiende eeuwEncyclopedieartikel
Artikeloverzicht
In Zuid-India woedt omstreeks deze tijd met de Britten een hevige strijd om de hegemonie. De Engelse East India Company (EIC) heeft met name in Bengalen een stevige positie opgebouwd, sinds in 1660 aan de rivier de Hugli in het moerassige gebied van Calcutta de eerste versterkte nederzetting werd gevestigd: Fort William. Naast de handel ontplooit de EIC activiteiten als feodaal leenheer: van de Mongoolse keizer heeft de compagnie dergelijke zamindari-rechten gekregen over ongeveer veertig dorpen rond Calcutta. Het tribuut dat de EIC aan de Mongoolse keizer dient af te staan, is vastgesteld op drieduizend roepies per jaar, een bedrag dat schril afsteekt tegen de driehonderdduizend pond belastingvrije inkomsten die tijdens de eerste helft van de eeuw jaarlijks worden verworven. Door met de hulp van Indiase handelaren en geldwoekeraars geld voor te schieten kunnen de Engelsen de verbouwers van suiker, opium, katoen, zijde, indigo en rijst aan zich binden en brengen ze tienduizenden ambachtslieden als schuldslaven onder hun controle. De nawab van Bengalen slaat met argwaan de groeiende monopoliepositie van de Britse handelaren gade. Hij heeft zich ondertussen vrijgevochten van de Mongoolse keizer, heeft Bihar en Orissa geannexeerd en wil de East India Company tot minder gevaarlijke proporties terugdringen. Met zijn legers loopt hij een aantal versterkte factorijen onder de voet, maar in 1757 wordt hij in Plassey door Britse troepen aangevallen. Kapitein Clive verslaat met zijn drieduizend manschappen het zeventigduizend man sterke Bengaalse leger, dat overigens wel met een omgekochte bevelhebber ten strijde trekt. De overwinning heeft tot gevolg dat de Britse territoriale heerschappij stevig gevestigd wordt: de EIC is nu tegelijkertijd handelaar en regeringshoofd. Deze situatie, die aanleiding geeft tot onbeteugelde corruptie, plunderingen en machtswellust, duurt ongeveer twintig jaar.
Pas nadat in debatten in het parlement in Westminster de wanpraktijken van de EIC-regering in Bengalen aan de kaak zijn gesteld, vaardigt Pitt in 1784 de India Act uit. In het kader van de nieuwe wetgeving krijgt de EIC vanuit Londen een commissie van toezicht aangesteld. De eerste aldus benoemde gouverneur-generaal, Cornwallis, houdt grote schoonmaak in het bestuur, vooral met het oog op het innen van belastingen. De compagnie treedt onverbiddelijk op tegen de verslagen feodale families: in de periode na de overwinning bij Plassey wordt jaarlijks twee miljoen pond naar Engeland afgevoerd, een bedrag dat volgens schattingen meer dan vijf procent van het Engelse nationale product vertegenwoordigt. De geleidelijke uitschakeling van de oude feodale machthebbers is gedeeltelijk het gevolg van de landbouwhervormingen die door Cornwallis worden doorgevoerd. In de vorige eeuwen was het zo dat de zamindars in een bepaald gebied belastingen mochten innen, mits ze een klein bedrag afstonden aan de centrale regering en mits ze een paraat leger op de been hielden. Cornwallis maakt de zamindars tot landeigenaars, met als verplichting het betalen van landbelasting. Zamindars die de gevraagde bedragen niet kunnen overmaken, worden onteigend en vervangen door commercieel ingestelde stedelingen. Het resultaat is niet alleen dat de oude verhoudingen waarin ambachten en landbouw op elkaar waren ingesteld, worden doorbroken, maar ook dat grote hoeveelheden voedsel en geld aan de plattelandseconomie worden onttrokken en worden afgevoerd naar Calcutta en naar het buitenland. De uitschakeling van de oude feodale heersers heeft dan ook een belangrijk economisch gevolg: de ambachten die gericht waren op de behoeften van de pralerige prinsen en zamindars, raken in verval. Hun producten dienen, onder bedreiging met geweld, te worden afgestaan aan de agenten van de East India Company. Door de noodgedwongen trek van onder meer wevers naar de dorpen neemt het aantal deelpachters zienderogen toe. Van de aldus groeiende dorpsbevolking, die op steeds kleinere lapjes grond dient te werken, worden door de compagnie en haar hiërarchisch net van agenten voortdurend zwaardere belastingen geëist. Vanaf 1770, wanneer in Bengalen tien miljoen mensen – ongeveer een derde van de bevolking – van de honger omkomen, zijn de hongersnoden elkaar met de regelmaat van de klok opgevolgd, zonder dat de uitgevoerde belastinginkomsten daaronder hebben geleden. Ondanks de veroorzaakte ontreddering neemt de landbelasting tot aan het einde van de eeuw met ongeveer tien procent per jaar toe. Tegen het einde van de eeuw is een derde van de vruchtbare Bengaalse bodem door de jungle overgroeid: waar vroeger gewassen stonden, trekken nu de tijgers rond. De fabelachtige parel van het oosten is niet meer. Boerenrevoltes zijn aan de orde van de dag. Met name van de zijde der Santhals, de Chuars en de Sanyasis heeft de niets ontziende EIC-regent Warren Hastings het hard te verduren. Zijn aanpak spreekt boekdelen over de ernst van de situatie: teneinde de boeren te intimideren laat hij de opstandelingen in hun dorpen fusilleren, legt hij die dorpen onmogelijk hoge geldboetes op en laat hij de familieleden van de opstandelingen als slaven afvoeren. Maar ook de onafhankelijke Indiase prinsdommen kampen met interne onlusten en machtsaanspraken. Warren Hastings is gul met het aanbieden van zijn diensten, in ruil voor economische en politieke concessies. Op die manier krijgt hij Benares en een groot gedeelte van Audh in handen. De compagnie, die de gepaste bijnaam Company Bahadur, moedige compagnie, meekrijgt weet zich, behalve in Bengalen, nu ook in Noord-India op te werken tot de belangrijkste politieke macht.
De onderwerping van Zuid-India gaat met veel meer moeilijkheden gepaard. Naast de niet onbelangrijke Hollandse en Franse invloed in dit gebied speelt vooral het verzet vanuit Mysore een rol. Dit prinsdom ligt veilig besloten tussen de Oost- en de West-Ghats en de rivier de Krishna. Gelegen buiten het slagveld van de herhaalde botsingen tussen de Mahratten en de Mongolen in de vorige eeuw kon Mysore zich een sterke positie opbouwen en de hoogontwikkelde landbouw en de handel in onder meer ijzeren voorwerpen en glasproducten droegen – en dragen nog steeds – bij tot een relatief hoge welvaart. De boerenbevolking gaat niet gebukt onder de extreem opgevoerde uitbuiting die elders op het subcontinent heerst. In 1761 komt de moslimlegeraanvoerder Hyder Ali aan de macht. Met de steun van voornamelijk Franse officieren organiseert hij een regulier leger dat door zijn discipline, beweeglijkheid, wapenuitrusting en moderne tactieken sterk afsteekt bij de andere Indiase legers. Hij annexeert een aantal gebieden, waaronder Malabar, hetgeen hem in conflict brengt met onder meer de Mahrattenfederatie en Hyderabad. Deze rijken zijn uiterst verzwakt door interne verdeeldheid en de niet aflatende plundering van de eigen bevolking, maar met Britse steun kunnen ze aan Mysore een zekere weerstand bieden en zelfs tot de aanval overgaan. Hyder slaagt er aanvankelijk in de aanvallen uit de vier windrichtingen op meesterlijke wijze af te slaan. Hij dwingt de Britten zelfs terug tot Madras. Maar de East India Company laat nieuwe versterkingen aanrukken, weet met praktisch alle Zuid-Indiase prinsdommen een bondgenootschap te sluiten en maakt de twee andere Europese grootmachten grotendeels onschadelijk. De Franse vloot wordt onderschept en de sterke Hollandse nederzetting in Negapatnam wordt ingenomen. Mysore is nu op zichzelf aangewezen. Tipu Sultan, die zijn vader in 1782 opvolgt, moet uiteindelijk het onderspit delven en er worden hem zware herstelbetalingen opgelegd. Nadat hij tegen het einde van de eeuw zijn laatste gelden aan de EIC heeft overgemaakt en hij zijn twee door de Britten als onderpand meegenomen zonen heeft teruggekregen, blijkt de weerstand van deze koning van Mysore echter nog niet gebroken. Hij sluit een geheime alliantie met de Fransen en wordt in zijn hoofdstad Seringapatam een voorman van de libertijnse club der jakobijnen. Door deze ontwikkeling verontrust valt het Britse leger in 1799 opnieuw aan en maakt een einde zowel aan het leven van citoyen Tipu en de jakobijnse ideeën als aan de luister van Seringapatam en de onafhankelijkheid van Mysore. Na een heroïsche strijd, die dertig jaar heeft geduurd, is de laatste Indiase grootmacht nu uitgeschakeld. Geheel Zuid-India ligt voor de Britten voor het grijpen.
In het jaar 1700 regeert K'ang-si, de tweede keizer van de Tj'ing-dynastie, die in 1644 gesticht werd, over het Chinese rijk. Hoewel de Tj'ing als Mantsjoe een niet-Chinese dynastie vormen, regeren zij toch voornamelijk volgens het Chinese bestuurssysteem, waarbij zij ook gebruikmaken van Chinese ambtenaren. Keizer K'ang-si blijft tot zijn dood in 1722 op de troon. Hij wordt opgevolgd door zijn vierde zoon, die als keizer Joeng Tsjeng in 1723 de troon bestijgt. Over deze troonopvolging doen vele verhalen de ronde. Oorspronkelijk zou K'ang-si zijn eerste zoon als zijn opvolger hebben aangewezen; diens vele broers, die allen keizer wilden worden, zouden deze toen echter met behulp van zwarte magie krankzinnig hebben gemaakt. Hierna heeft K'ang-si zich echter tot zijn dood toe niet meer willen uitspreken over een opvolger, maar hij liet wel op schrift vastleggen wie hij daarvoor op het oog had. Toen K'ang-si op 61-jarige leeftijd op zijn ziekbed lag, kwam zijn vierde zoon er echter toch, als enige van de prinsen, achter dat de veertiende zoon als opvolger was uitgekozen. Deze vierde zoon heeft toen op slinkse wijze kans gezien het woord veertiende, dat in verschillende documenten voorkwam, te veranderen in vierde, waardoor hij na de dood van K'ang-si keizer is geworden. Om te voorkomen dat zijn broers het bedrog ontdekken, tracht Joeng Tsjeng direct na zijn troonsbestijging alle documenten die betrekking hebben op de rechtmatige opvolging van K’ang-si, in handen te krijgen. Ook zorgt hij ervoor dat hij van de kant van zijn vele broers geen gevaar meer te duchten heeft door hen óf gevangen te zetten óf onder toezicht van goede vrienden van hem te plaatsen. In politiek en bestuurlijk opzicht blijkt keizer Joeng Tsjeng een goed heerser. Onder hem wordt de positie van de keizer nog verstevigd: hij stelt een speciale raad in die direct onder de keizer staat en die dagelijks de belangrijkste zaken met hem bespreekt. Verder gaat Joeng Tsjeng de corruptie onder de ambtenaren op grote schaal tegen en herziet hij een aantal financiële maatregelen. Hij regeert echter niet lang: in 1736 overlijdt hij. Over zijn plotselinge dood wordt veel gespeculeerd. Geruchten doen de ronde dat hij door een onbekende vrouw vermoord is. Hij wordt opgevolgd door keizer Tj'ièn-loeng, en onder deze laatste komt de periode van bloei van de Tj'ing-dynastie, die onder zijn twee voorgangers begon, op velerlei gebied tot een hoogtepunt. Binnenslands is de politieke toestand stabiel; het bestuur functioneert goed en het militaire apparaat wordt vergroot.
Buiten de grenzen brengt het Chinese rijk een enorm gebied onder zijn gezag. Vanuit Buiten-Mongolië, waartegen de Tj'ing-legers sedert de vorige eeuw al herhaalde malen zijn opgetrokken, blijft de stam van de Dzjoengaren invallen doen in het Chinese Rijk. Keizer Tj'ièn-loeng voert rond 1750 een aantal campagnes tegen hen uit, waarbij de Dzjoengaren verpletterend worden verslagen. In dezelfde tijd vestigt de Tj'ing-dynastie haar gezag over Tibet, waarmee sinds de vorige eeuw contact wordt onderhouden. Er heerst hier een enorme chaos. Diverse malen zijn dalai lama's afgezet en verjaagd. Bovendien onderhoudt Tibet contact met de Dzjoengaren, hetgeen de Tj'ing natuurlijk niet goedkeuren. Wanneer de Dzjoengaren een inval in Tibet doen, verjagen troepen van de Tj'ing hen. Sindsdien verblijven er een Chinees garnizoen en twee Chinese residenten in Lhasa, de hoofdstad van Tibet, om de dalai lama 'voor verdere gevaren te behoeden'. In deze eeuw worden Korea, de Ryukyu-eilanden, Vietnam en Birma tribuutstaten van China. Ook Nepal moet jaarlijks schatting aan de Tj'ing betalen, nadat een stam vanuit Nepal Tibet is binnengevallen en vervolgens door de Tj'ing-legers is verjaagd.
© 1993-2008 Microsoft Corporation/Het Spectrum. Alle rechten voorbehouden. |
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
© 2008 Microsoft/Het Spectrum
![]() ![]() |