![]() |
Resultaten van Windows Live® Search
Resultaten van Windows Live® Search Pagina 15 van 18
achttiende eeuwEncyclopedieartikel
Artikeloverzicht
Alleen in het uiterste zuiden van het continent komen steeds grotere gebieden onder Europese heerschappij te staan. Vanuit de Kaapkolonie, die onder beheer staat van de Nederlandse Verenigde Oost-Indische Compagnie, breidt de invloed van de Europeanen zich uit: in 1700 waren alle vestigingen nog binnen een omtrek van 100 km van de Kaap gelegen, rond het midden van de eeuw binnen een omtrek van 400 km; aan het einde van de eeuw - de Kaapkolonie is inmiddels door de Britten bezet (1795) - bereiken de eerste kolonisten de 800 km ten oosten van de Kaap gelegen Groot Visrivier. In deze streek komt het tot gewapende conflicten tussen de blanken en Bantoe als de Xhosa, Pondo en Thembu, met als inzet het bezit van de hier gelegen weideplaatsen. In het noordwesten is er strijd gaande tussen het Khoi-Khoinvolk (of Hottentotten, zoals ze door de blanken genoemd worden) en de zuidwaarts trekkende Herero, ook hier om het bezit van weideplaatsen voor het vee. De Bosjesmannen worden door de kolonisten fel vervolgd, met als excuus dat dit volk vee rooft. In 1798 meldt een reiziger: 'Alleen al de naam Bosjesmannen boezemt de hele kolonie schrik in. De veehouders verafschuwen hen en geloven niets verdienstelijkers te kunnen doen dan hen overal waar ze hen ontmoeten, te vermoorden. Een boer uit Graaff-Reinet antwoordde op de vraag of de wegen sterk door wilden waren verpest, dat hij slechts vier van hen om het leven had gebracht. Hij deed deze bekentenis met zulk een koelbloedigheid en rust alsof hij over vier gedode patrijzen had gesproken. Ik zelf heb een andere veehouder zich erover horen roemen dat hij eigenhandig rond de driehonderd van deze armzalige schepselen had gedood.’
De interesse van Europeanen voor Afrika is in de loop van de eeuw sterk toegenomen. Men stelt zich niet meer algemeen tevreden met nederzettingen aan de kust, waar goud en slaven kunnen worden verkregen. De belangstelling voor het binnenland leidt onder meer tot de expedities van James Bruce – die in 1770 de bronnen van de Blauwe Nijl ontdekt en daarmee naar hij dacht van de Nijl – en de exploratie van het Nigergebied door Mungo Park in de jaren 1795–1797. Sinds 1788 wordt het onderzoek van Afrika gestimuleerd door de African Association te Londen. Toch zijn de meeste Afrikanen nog niet met Europeanen in contact gekomen, enorme gebieden zijn nog niet nauwkeurig in kaart gebracht, hoewel de geografische kennis tussen het verschijnen van D'Anvilles kaart van Afrika in 1749 en die van majoor James Rennell in 1798 sterk is toegenomen. Dat er ook nu, aan het eind van de eeuw, nog zo weinig van het binnenland bekend is, is mede te wijten aan het idee van ontoegankelijkheid dat de Europeanen ten aanzien van Afrika koesteren. In 1790 schrijft de cartograaf Rennell: 'In geografisch opzicht is Afrika uniek! Het wordt door geen binnenzeeën gepenetreerd, zoals de Middellandse Zee, de Oostzee of de Hudsonbaai; het is niet overdekt met grote meren, zoals die in Noord-Amerika, noch stromen er als in de andere continenten rivieren van het midden naar de verstgelegen gebieden. Integendeel, de delen worden van elkaar gescheiden door de minst begaanbare van alle grenzen: dorre woestijnen van zulk een enorme omvang dat zij die ze doorkruisen, met de gruwelijkste van alle doden worden bedreigd, namelijk die welke uit dorst voortkomt! Kunnen wij gezien dergelijke omstandigheden verbaasd zijn over onze onbekendheid met de binnenlanden of over de trage voortgang van de beschaving aldaar?’
De ideeën die in Afrika over Europa en de Europeanen leven, zijn naar streek verschillend. In Noord-Afrika heerst alom minachting voor het blanke ras, in Oost-Afrika is men het meer toegenegen, behalve in Ethiopië, waar de gevoelens sterk anti-Europees zijn. In West-Afrika, waar de slavenhandel is geconcentreerd, overheersen gevoelens van bewondering voor de prestaties der blanken – hier treft men Afrikanen aan die enige uiterlijkheden van de Europese levenswijze hebben overgenomen (kleding, meubels) –, maar wordt hun wrede optreden gevreesd. De handelaren betrekken hun slaven voornamelijk van de 'Slavenkust' (Nigeria, Togo, Dahomey en Ghana), van de Goudkust, uit het Nigergebied, Angola en Kongo. Vooral Britten en Fransen zijn actief in deze handel, Portugezen en Nederlanders in mindere mate. Afrikaanse slavenhalers voeren uit het binnenland de gewenste aantallen aan, die zij in ruil voor vuurwapens en gebruiksvoorwerpen afstaan aan de Europese handelaren aan de kust. De Afrikanen die deze vuurwapens in handen krijgen, gebruiken deze soms om hun machtspositie en die van hun volk te versterken; zo wordt het machtige koninkrijk der Ashanti gegrondvest door Osei Tutu, die daartoe onder meer in staat wordt gesteld door het bezit van uit Europa afkomstige wapens. Overigens groeit in Europa de weerstand tegen de slavernij: in 1772 is door het hoogste gerechtshof in Groot-Brittannië bepaald dat een het land binnengekomen slaaf voortaan vrij zou zijn, en in 1787 is de Society for the Abolition of the Slave Trade opgericht. In Frankrijk bestaat sinds 1788 een Société des Amis des Noirs en wordt sinds de Revolutie de slavernij principieel afgekeurd. Lang niet iedereen verwacht evenwel veel van de afschaffing van de slavenhandel. Mungo Park, die toch als niet onwelwillend tegenover de Afrikanen bekendstaat, schreef onlangs nog in zijn Travels in the interior of Africa (1799): 'dat gezien de huidige onverlichte toestand van hun geest' het resultaat van het afschaffen van de Europese slavenhandel 'niet zo vérstrekkend of heilzaam (zal zijn) als vele wijze en achtenswaardige mensen van harte verwachten'. Niet alleen Europeanen maken van de slavernij gebruik, de Toeareg van de Sahara houden er van oudsher zwarte slaven op na en verhandelen deze ook; het koninkrijk Darfur in Oost-Soedan is een uitgangspunt van grote slavenkaravanen door de woestijn. In de staten van de Barbarijse kust worden nog gedurende deze eeuw Europese slaven gehouden, hoewel niet meer in zulke grote aantallen als in de vorige eeuw, toen er alleen al in Algiers meer dan 35 000 christenslaven tegelijk aanwezig waren. Van Mawlai Isma'il, heerser van Marokko van 1672 tot 1727, is bekend dat hij zijn blanke slaven zeer slecht behandelde. Een van zijn voormalige slachtoffers verzucht: 'Hoe vele arme christenslaven heeft hij niet doorboord met lansen, neergeschoten, voor de leeuwen gegooid en levend laten verbranden in vurige kalkovens.' Toch staat het aantal blanke slaven getalsmatig in geen enkele verhouding tot het aantal weggescheepte zwarte slaven, dat in de vele miljoenen loopt.
In Voor-Indië valt de neergang van het Mongoolse keizerrijk deze eeuw samen met de onderwerping van een groot deel van het subcontinent door Europese handelsmaatschappijen. Na de dood van Aurangzeb in 1707 zetten de Mongoolse keizers hun uiterst weelderige hofleven voort, alhoewel de economie op de rand van de afgrond staat en het ene gebied na het andere verloren gaat. Mohammed Sjah, die na een reeks snel op elkaar volgende troonoverdrachten een tijdlang in grote stijl regeert, blijkt inderdaad voor niets anders aandacht te hebben dan voor pralerige hoffestijnen. Hij lijkt Madame de Pompadours filosofie 'après nous le déluge' (‘na ons de zondvloed’) tot de zijne te maken en laat de boerenbevolking het gelag betalen. Dit is een van de oorzaken van het dalend aantal boeren-landeigenaars, van wie er velen wegvluchten en zich in roversbenden organiseren. Een andere oorzaak is de herverdeling van het land waarbij de boerengezinnen die de belastingen niet meer kunnen opbrengen, de grond afstoten. Dorpshoofden krijgen op die manier meer land en meer invloed over de dorpsgemeenschap. Tegen het midden van de eeuw roepen ondergeschikte gouverneurs in hun provinciehoofdsteden Murshidabad (Bengalen), Hyderabad (Galconda) en Lucknow (Audh) onafhankelijke prinsdommen uit en wanneer Mohammed Sjah in 1748 sterft, controleren de Mongolen eigenlijk niet veel meer dan een klein gebied tussen Delhi en Agra.
Het zijn nu met name de Mahratten, en in mindere mate opnieuw de Afghanen, die hun aanspraken op controle over het Indiase subcontinent willen laten gelden. In Centraal-India ontstaan grote Mahrattenprinsdommen, onder meer geleid door de Sindhia's in Gwalior en de Gaekwars in Baroda. De Mahrattenfederatie, onder leiding van de Peshwadynastie, verovert vanuit de hoofdplaats Poona tijdens de eerste helft van de eeuw Centraal-India en rukt op naar het noorden. Hun leger wordt in 1761 in Panipat echter tot de laatste man verslagen en uitgemoord door de Afghaanse legers onder leiding van Ahmad Sjah, die inmiddels zijn oog eveneens op het subcontinent heeft laten vallen, zoals zovele Afghaanse prinsen voor hem. Maar Ahmad Sjah wordt op zijn beurt uitgeschakeld door de Sikhs onder leiding van Ranjit Singh van Lahore. Dan heeft hij echter de Mongolenhoofdstad Delhi al tot een steenwoestijn herschapen. In een tijdspanne van een kwart eeuw zijn nu drie grote militaire en politieke machten door elkaar uitgeschakeld en het machtscentrum in het subcontinent heeft zich verplaatst naar Bengalen en naar Zuid-India.
© 1993-2008 Microsoft Corporation/Het Spectrum. Alle rechten voorbehouden. |
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
© 2008 Microsoft/Het Spectrum
![]() ![]() |