![]() |
Resultaten van Windows Live® Search
Resultaten van Windows Live® Search Pagina 12 van 18
achttiende eeuwEncyclopedieartikel
Artikeloverzicht
De grootste stad van Europa telt een kleine 900 000 inwoners, die de beschikking hebben over ongeveer 100 000 huizen. Van het oude Londen is in 1666 bij de grote brand veel verloren gegaan. Daarvoor is een stad in de plaats gekomen die volgens velen ‘ongerieflijk en onelegant’ is en ‘geen enkele aanspraak kan maken op pracht of grandeur’. Toch zijn er gedurende deze eeuw vele gebouwen verrezen die vrij algemeen om hun schoonheid worden geprezen: de St. Paul's Cathedral (1711), St. Martin-in-the-Fields (1726), de zetel van de Lord Mayor, Mansion House (1753), en het zeer moderne Somerset House (1786), een kantoorgebouw. De Londense huizen zijn bijna alle smal en diep, een gevolg van de noodzaak zoveel mogelijk panden in één straat te persen. Behalve een klein aantal aristocraten en de allerarmste klassen wonen alle lagen van de bevolking in deze zgn. terrace-houses. De indeling ervan is uiterst simpel: op elke verdieping is een kamer aan de voor- en een kamer aan de achterzijde, met een gang en de trap aan één zijde. De parken van Londen zijn in heel Europa beroemd; vele bezoekers uit het buitenland maken een wandeling in het St. James's Park, zoals in 1710 de Duitser von Uffenbach, die evenals zovelen enthousiast is: 'Op 8 juni brachten wij de middag door in het St. James's Park. Deze overheerlijke wandelplaats, in welhaast de hele wereld beroemd ... ontleent haar naam aan wat nu het aangrenzende koninklijke paleis van St. James is. Omdat er niet alleen enige van de beste Engelse koeien grazen, maar er ook een aanzienlijk aantal herten rondloopt, wordt het een park genoemd, alhoewel er geen echt bos is, maar louter lanen. Er zijn geen vogels te zien, zoals vroeger. Omdat het een vakantiedag was, liepen er veel mensen rond, maar voornamelijk van een gewoon slag. Door de week kan men hier heren uit de beste kringen ontmoeten, die te voet zijn, omdat niemand behalve enkele personen van het hof het park in een koets mogen doorkruisen.’ Het St. James's Palace is sinds 1691 de koninklijke residentie; het regeringscentrum ligt even ten westen van de City of Westminster. In het oog springen hier de Westminster Abbey - nog in deze eeuw verrijkt met enkele torens - , waar sinds eeuwen de Engelse monarchen worden gekroond en vaak ook begraven, en het Palace of Westminster, waar het Lagerhuis zetelt. Londen heeft de positie die Amsterdam in de vorige eeuw als wereldhandelscentrum innam, overgenomen. Hier hebben de grote handelscompagnieën hun hoofdzetel en klopt in de Beurs en de Bank of England het financiële hart van de wereld. Deze laatste instelling is van groot belang voor de Britse staat: zij verzorgt de uitgifte van leningen, de verkoop van loterijen en annuïteiten, rentebetalingen en de handel in korte-termijnleningen. Niet voor niets noemt de eerste-minister in 1781 de Bank ‘een onderdeel van de Constitutie'. De belangen van het Londense commerciële leven worden door haar behartigd via onder meer het lenen van geld aan de diverse handelscompagnieën (Hudson's Bay Company, East India Company, South Sea Company), via de handel in ongemunt goud en zilver en via dienstverlening aan kleinere particuliere banken. De kleine bankiers hebben overigens nog steeds het grootste aandeel in het Britse geldverkeer. Vaak zijn zij afstammelingen van kooplieden, winkeliers, goudsmeden en andere burgers die met de geldhandel als nevenfunctie zijn begonnen.
De kosten van een verblijf in Londen zijn niet gering, zoals blijkt uit dagboekaantekeningen die de Schotse schrijver James Boswell maakt in 1762, bij het begin van zijn oponthoud in de hoofdstad: 'Mijn toelage van mijn vader is 25 pond per zes weken; totaal 200 pond per jaar. Het is moeilijk hiermee de status van gentleman op te houden. Toch hoop ik dat op de volgende wijze te doen. Een fatsoenlijke huisvesting in een goede wijk van de stad is absoluut noodzakelijk. Dit is wel erg kostbaar. Onder de twee of anderhalve guinea is er niets geschikts voor mij te vinden. Maar als ik iets voor een jaar huur, dan denk ik dat ik voor 50 pond kan slagen. Omdat iemand als ik van wie men weet dat hij zonder te hoeven werken in de stad verblijft en geen thuis heeft waar hij kan dineren, wordt blootgesteld aan de verzoekingen van duur gezelschap, wil ik koste wat kost een vaste plaats om te dineren hebben. Indien men in het huis waarin ik logeer, daartoe gelegenheid biedt, des te beter. Zo niet, dan moet ik ergens anders naar toe. Ik maak dan het liefst een afspraak met een nette familie - die elke dag een acceptabele maaltijd op tafel brengt - om daar te dineren als ik geen andere plaats daartoe heb en voor iedere keer dat ik dineer, betaal ik hun 1 shilling 6 pence; of ik geef hun, indien zij dat niet zouden willen, gewoon 1 shilling per dag. Ik zal me inspannen om zo weinig mogelijk last te veroorzaken en zo beminnelijk mogelijk te zijn. De totale kosten van dit onderdeel zullen ongeveer 18 pond bedragen. Ik ontbijt in mijn eigen kamer. Ik neem een theekist, waarin ik mijn thee en suiker kan opbergen. Het dienstmeisje zal me elke ochtend zóveel brood en elke week zóveel boter brengen. Er zal zelden iemand bij me komen ontbijten en dan nog alleen maar op uitnodiging van mij. Soms zal ik buitenshuis ontbijten. Het ontbijt zal me ongeveer 9 pond kosten. Ik neem alleen maar een kachel in mijn eetkamer en wel gedurende zeven maanden per jaar, hetgeen 20 shilling per maand zal kosten. Voor het hele jaar 7 pond. Ik ga waskaarsen gebruiken. Ze geven een fijner licht en ik kan ze zonder meer wegsluiten; de kaarsen voor onmiddellijk gebruik staan dan in een houder in de kamer. Kosten ongeveer 6 pond. Ik neem elke dag een stel schoon goed, hetgeen 4 pence per dag zal kosten. Laten we zeggen per jaar 7 pond. Elke dag, of in ieder geval vaak laat ik mijn haar verzorgen, wat 6 pond zal kosten. Minstens eenmaal per dag en soms vaker laat ik mijn schoenen poetsen. Per jaar zal dat 1 pond kosten. Een ander essentieel onderdeel is het goed gekleed zijn, aangezien dit voor iedereen te constateren valt. Voor kleding sta ik me 50 pond toe. Voor kousen en schoenen reken ik per jaar op 10 pond. ... [Ik heb] maar 43 pond over voor koetshuur, vermaak en cafébezoek, hetgeen ik wel erg aan de krappe kant vind. Ik hoop evenwel mijn levensstijl aan de omstandigheden aan te passen.’ Hoewel Boswell zijn toelage blijkbaar erg gering vindt, bedragen de inkomsten van de meeste gewone mensen veel minder. Arbeiders verdienen gemiddeld 15 shilling per week, dat is minder dan één vijfde van de toelage van de jonge schrijver. Wevers behoren tot de slechtstbetaalde beroepsgroepen, zij verdienen vaak niet meer dan 9 shilling in de week. Vakbekwame en snel werkende ambachtslieden, zoals meubelmakers en juweliers, kunnen veel meer verdienen, tot 4 pond per week. Om rond te komen, moeten de vrouwen van de meeste arbeiders een bijdrage leveren aan het gezinsinkomen. De echtgenote van een dagloner vent met fruit en vis of verhuurt zich als naaister, werkster of wasvrouw.
De huisvesting en leefomstandigheden van de allerarmsten – de losse arbeiders, straatventers, werksters enz. – zijn troosteloos. Vaak moeten deze lieden zelfs dicht opeengepakt in kelders leven, waar zij geplaagd worden door vochtigheid en ratten. De arts Willan beschrijft de ellende van deze ongelukkigen als volgt: 'Het is nauwelijks te geloven, maar toch waar, dat lieden uit de laagste klasse nog geen driemaal per jaar schone lakens op hun bedden leggen; dat ze zelfs, als er geen lakens gebruikt worden, nooit de dekens of de beddespreien reinigen of wassen, of die vervangen ... ; dat gordijnen, als die er al zijn, nooit gereinigd worden, maar in dezelfde staat blijven hangen tot ze uit elkaar vallen; ten slotte, dat drie tot acht personen van verschillende leeftijden vaak in hetzelfde bed slapen en dat er over het algemeen slechts één kamer en één bed voor elk gezin is... De kamer is óf een diepe kelder, bijna ontoegankelijk voor licht van buiten en frisse lucht, óf een vliering met een laag plafond en smalle ramen, waarvan de toegang nauw is, donker en niet alleen vervuld van slechte lucht, maar ook van dampen van stinkende excrementen uit een gewelf onder aan de trap. Men wast het linnengoed of doet andere onaangename werkjes, terwijl op het besmeurde bed de zuigelingen soezen en de wat oudere kinderen de hele dag op datzelfde bed spelen; van tijd tot tijd wordt een onsmakelijke maaltijd toebereid; in vele gevallen weerhoudt luiheid, in andere het logge meubilair of het gereedschap waarmee de kamers zijn volgepropt, de heilzame hantering van de bezem en de witkalkkwast en prefereert men de opeenhoping van allerlei vuil. Het bovenstaande verslag is niet overdreven: de waarheid ervan kan bevestigd worden door die doktoren die bekend zijn met de ellendige bewoners van straten in de St. Gilesparochie, van de hofjes en stegen, grenzend aan Liquor Pond Street, Hog Island, Turn-mill Street, Old Street, Whitecross Street, Grub Street, Golden Lane, de twee Brook Lanes, Rosemary Lane, Petticoat Lane, Lower East Smithfleld, sommige delen van Upper Westminster en verscheidene straten van Rotherhitheck. . . ’ Er komen steeds meer logementen, vaak gevestigd in bouwvallige panden, waar men voor een gering bedrag onderdak kan vinden. Vooral veel Ieren - die tot de armste bevolkingsgroepen behoren - kan men hier aantreffen. Rond het midden van de eeuw waren deze huizen al berucht. 'Er is binnen enkele jaren aan de rand van de stad een handel ontstaan in oude, vervallen huizen, die door de bewoners van bedden worden voorzien, die elke avond voor twee pence voor één persoon of drie pence voor een paar verhuurd worden ... In één kamer staan vaak vier of vijf bedden; er hangt een onvoorstelbaar vieze lucht... Alcoholhoudende dranken bieden er de mogelijkheid tot het zich bedrinken ... en de huizen zijn de hele nacht open ter vermaak van schurken en om allerlei gestolen goederen in ontvangst te nemen.’ Volgens een politierapport zijn er op het ogenblik, aan het eind van de eeuw: '... meer dan 20 000 ongelukkigen uit verschillende klassen, die elke ochtend wakker worden zonder te weten hoe... zij gedurende de komende dag onderhouden moeten worden, of waar zij de volgende nacht kunnen slapen.’ Op het gebied van de gezondheidszorg is er de afgelopen vijftig jaar een wezenlijke verbetering ingetreden: in de eerste helft van de eeuw waren er perioden dat sterfgevallen meer voorkwamen dan geboorten. Het slopende drankmisbruik kwam vooral voor in de onderste lagen van de bevolking: allerlei soorten winkels verkochten sterke drank, werkgevers overvoerden hun arbeiders met gin. In 1736 rapporteerde een comité dat zich met het drankmisbruik bezighield, dat: '... kaarsenmakers, vele wevers, verscheidene tabaksverkopers, schoenmakers, timmerlieden, kappers, kleermakers, stofververs, arbeiders en anderen sterke drank verkopen. Los arbeiders, in dienst van lieden die gin verkopen, hebben deze drank altijd bij de hand... en laten zich er gewillig toe verleiden er vrijelijk gebruik van te maken, vooral omdat zij de hele week op de pof kunnen drinken, al te vaak zonder eraan te denken hoe snel de rekening oploopt; in het weekend komen ze dan tot de ontdekking dat ze geen loon naar huis kunnen brengen zodat hun gezinnen moeten kreperen ... Met betrekking tot het vrouwelijke geslacht is onze bevinding dat de besmetting ook daar is doorgedrongen en wel in een nauwelijks te bevatten mate. Ongelukkige moeders gewennen zich aan deze gedistilleerde dranken, hun kinderen worden zwak en ziekelijk geboren en zien er vaak verschrompeld en oud uit, alsof ze al heel wat jaren oud waren. Anderen weer geven het hun kinderen dagelijks te drinken ... en leren hen, zelfs vóórdat ze kunnen lopen, deze zekere verwoester te appreciëren.’ Na 1751 wordt het drankmisbruik beduidend minder als gevolg van de in dat jaar ingevoerde hoge belasting op sterke drank. De dalende sterftecijfers zijn evenwel niet alleen te verklaren door het afgenomen gebruik van alcoholica, maar ook door de verbeterde medische voorzieningen en levensmiddelentoevoer. De moderne wetenschap heeft de behandelingsmethoden van ziekten ingrijpend beïnvloed: zelfs de zo gevreesde pokken, waaraan steeds weer één dertiende deel van elke generatie ten offer valt, kan nu voorkomen worden door de ontdekking van Edward Jenner, dat vaccinatie met de zgn. koepokstof de kans op besmetting uitsluit. Tyfus maakt nog veel slachtoffers onder de bevolking; niet zelden zijn juist de ziekenhuizen de plaats waar men deze ziekte opdoet: door sommigen wordt zij dan ook de 'ziekenhuiskoorts' genoemd. Stegen en binnenplaatsen waar zich gevallen van tyfus hebben voorgedaan, blijven bronnen van infectie: 'Als de koorts een gebouw door dood en verschrikking heeft ontvolkt, komen nieuwe bewoners - arm en onwetend - die ziek worden en sterven of kwijnen en weer instorten; zij laten, na weggevoerd te zijn naar het armenhuis of het graf, hetzelfde verpeste vertrek achter voor hun ongelukkige opvolgers. Vanuit deze pesthuizen druipt geconcentreerde smetstof in de naburige binnenplaatsen en stegen... zij wordt door de hele buurt vespreid via de frequente betrekkingen van de behoeftigen, die... vaak gedwongen zijn een bepaald artikel te belenen om zo een ander te kunnen kopen... Via lommerdhouders, handelaren in oude kleren en lompen en andere media wordt het vergif dáár verspreid waar men het het minst vermoedt.’
Het leven van velen uit de bovenste laag van de bevolking speelt zich af in de talrijke landhuizen die buiten de stad zijn verrezen. De bewoners en hun gasten houden zich bezig met sport, muziek, literatuur, kaartspel en veel eten en drinken. Het is gebruikelijk dat er in deze buitenverblijven welvoorziene bibliotheken aanwezig zijn, die getuigen van de goede smaak van de bezitters: Engelse, Latijnse en Italiaanse klassiek geworden boeken, fraai uitgevoerde geïllustreerde reisverhalen en geschiedwerken. De jacht en het cricketspel geven de bewoners de lichaamsbeweging die gezien de overige dagelijkse activiteiten meer dan nodig lijkt. De grote hoeveelheden spijs en drank plegen voortdurend een aanslag op de gezondheid: niet voor niets is het toppunt van aangeschotenheid als men ‘zo dronken als een lord' is. De maaltijden zijn overdadig; een menu van de volgende samenstelling is geen uitzondering: 'De eerste gang: een stuk van een grote kabeljauw, lamszadel, soep, kippepie, pudding, wortelen enz. Tweede gang: duifjes en asperges, kalfsfilet met paddestoelen. . ., geroosterde zwezerik, warme kreeft, abrikozentaart en tussendoor een piramide van gelei. Als dessert fruit en Madeira, witte en rode Port als wijn.’
De houding van de magistraten tegenover populair amusement is over het algemeen negatief. Men beschouwt volksvermaak als een aanleiding tot dronkenschap, onlusten en veel sociaal kwaad. Niet alleen gokhuizen en hanengevechten worden tegengegaan, maar ook kermissen en theaters worden met argusogen bekeken. Dit alles heeft tot gevolg dat voor de gewone mensen weinig mogelijkheden tot wettelijk toegestaan vermaak bestaan, hetgeen weer allerlei misstanden meebrengt. De jonge Boswell beschrijft in zijn dagboek op 15 december 1762 hoe hij na een smakelijke maaltijd in een steakhouse een hanengevecht bezoekt: 'Een beefsteak-house is een voortreffelijke plek om te eten. Je komt in een warme, comfortabele kamer, waar een aantal mensen aan tafel zit. Je neemt maar ergens plaats en bestelt wat je wilt, hetgeen goed en bekwaam toebereid geserveerd wordt. Je kunt al naar gelang de stemming een praatje maken. Mijn maaltijd (vlees, brood en bier) kostte inclusief een penny voor de ober slechts een shilling... Om vijf uur vulde ik mijn zakken met peperkoek en appels, deed mijn oude kleren aan, legde mijn horloge, beurs en zakagenda weg en ging met een eiken stok in de hand op weg naar de hanenmat. Ik was er te vroeg en daarom ging ik een lage herberg binnen, waar ik tussen een stel doortrapte schavuiten kwam te zitten en bier dronk. De schildwacht bij het huis had mij zeer voorkomend de weg gewezen. Het was erg koud en ik herinnerde mij de arme kerel zodat ik hem een pint bier bracht. Hij was erg dankbaar en proostte van harte op mijn gezondheid... Daarop ging ik naar de hanenmat, een ronde kamer waar in het midden de hanen vechten. Rondom zijn amfitheatrisch opgestelde zitplaatsen. De mat en de zitplaatsen zijn helemaal met matten bedekt. De hanen, goed verzorgd en gewapend met zilveren sporen, worden neergezet en vechten met verbazingwekkende verbittering en vastberadenheid. Enkele van hen werden al snel afgemaakt. Eén paar vocht drie kwartier. Het tumult en de herrie van het gokken is enorm. Er ging in korte tijd heel wat geld van hand tot hand. Er waren een aantal beroepsgokkers aanwezig: een oude handige vos, wiens gezicht ik al eerder... had gezien, zat een tijdje naast me. Ik vertelde hem dat ik geen verstand van hanengevechten had. 'Mijnheer,' zei hij, 'u hebt een even goede kans als iedereen.' Hij dacht zeker dat ik een willig slachtoffer voor hem zou zijn: ik zag er nog groen uit, maar ik ontweek hem. Ik was geschokt door de aanblik van de dolle en verlangende gokkers. Ik had medelijden met de arme hanen. Ik keek rond om te zien of iemand van de toeschouwers deernis had als de hanen op een gruwelijke manier verminkt en verscheurd werden, maar ik kon niet het minste teken van mededogen in welk gelaat dan ook ontdekken. Ik was er dan ook niet rouwig om hen geestelijk te zien lijden. Aldus beëïndigde ik mijn echt Engelse dag en kwam flink moe en verward door de vreemde aard van deze mensen thuis.'
© 1993-2008 Microsoft Corporation/Het Spectrum. Alle rechten voorbehouden. |
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
© 2008 Microsoft/Het Spectrum
![]() ![]() |