Artikeloverzicht
achttiende eeuw. De bevolking van Europa neemt sterk in aantal toe. Na de Franse Revolutie voert Frankrijk een agressief beleid. In Noord-Amerika zijn de Verenigde Staten sinds 1783 officieel onafhankelijk.
1. De wereld in vogelvlucht
|
1.1.1 De grote mogendheden
|
Aan het einde van de achttiende eeuw telt Europa meer dan 180 miljoen inwoners, 70 miljoen meer dan aan het begin. Op politiek terrein hebben zich enorme verschuivingen voorgedaan, vooral in het laatste decennium. Na de Franse Revolutie van 1789 heeft Frankrijk zich ontwikkeld tot de meest agressieve mogendheid: onder leiding van Napoleon I Bonaparte voert het oorlog tegen Rusland, Oostenrijk, Groot-Brittannië, Portugal, Napels en het Osmaanse Rijk. Deze sterke expansiedrift doet zich voor aan het einde van een eeuw die juist een verlies van Franse macht op het continent en in de koloniën te zien heeft gegeven. Groot-Brittannië heeft zich ontwikkeld tot de sterkste mogendheid in Europa, hoewel deze positie nu door Frankrijk wordt aangevochten. Vooral de omvang van het Britse koloniale rijk is toegenomen (Voor-Indië, Canada), ondanks het verlies van de nu onafhankelijke Verenigde Staten. Oostenrijk is evenals Groot-Brittannië een van de meest vooraanstaande en verbeten tegenstanders van het revolutionaire Frankrijk; het land heeft de afgelopen eeuw een voorname rol gespeeld in de strijd om de Europese hegemonie. Het andere belangrijke Duitse land, Pruisen, houdt zich afzijdig van de Europese troebelen. Het land heeft zich vooral door zijn sterke interne structuur de afgelopen honderd jaar kunnen opwerken tot een van de machtigste mogendheden. De kolos in het oosten, Rusland, heeft zijn grenzen verder naar het westen verlegd en speelt nu eigenlijk voor het eerst in zijn geschiedenis daadwerkelijk een rol van betekenis in de Europese politiek. Deze vijf landen - Frankrijk, Groot-Brittannië, Oostenrijk, Pruisen en Rusland – bepalen grotendeels het politieke gezicht van Europa in de achttiende eeuw.
Dan zijn er de grote verliezers van deze honderd jaar. Spanje, in de vorige eeuw nog in het bezit van een machtig leger en van uitgestrekte gebieden op het continent, is nu een verkommerd land in een uithoek van Europa. Polen, aan het begin van de eeuw nog een staat van reusachtige omvang, is aan het einde ervan (na 1795) verdwenen en opgesplitst tussen Rusland, Pruisen en Oostenrijk. De hegemonie van Zweden in het noorden is sinds de rampzalige oorlogen van Karel XII volledig teniet gedaan. De trotse onafhankelijkheid van de Republiek der Verenigde Nederlanden is verloren gegaan: zij is nu onder de naam Bataafse Republiek een vazalstaat van Frankrijk. De Zuidelijke Nederlanden staan, na bijna een eeuw Oostenrijkse overheersing, onder Frans bewind. In Zuidoost-Europa heeft het Osmaanse Rijk verdere verliezen moeten accepteren; het speelt nauwelijks meer een rol in de continentale politiek.
In deze eeuw is zich een mondiale economie gaan ontwikkelen met Europa als middelpunt; dit continent, met name het noordwesten, is dan ook onvergelijkbaar rijker dan welk ander werelddeel ook. De dankzij talrijke uitvindingen ontwikkelde techniek, die haar uitwerking op de landbouw en de industrie niet mist, stelt vele Europeanen in staat een grotere greep te krijgen op vroeger niet te beïnvloeden omstandigheden. De meeste mensen wonen en werken nog op het land, alleen Londen (900 000 inwoners) en Parijs (600 000 inwoners) kan men grote steden noemen; slechts 50 steden hebben meer dan 50 000 inwoners.